-A +A

Wraking van een rechter is niet mogelijk op grond van zijn deelname aan een Te Deum

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 08/05/2012
A.R.: 
P.11.1814.N
Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Beoordeling
Verzoek tot wraking
1. Het verzoek strekt tot de wraking van "elke magistraat die sedert de aanvang van huidig geding aanwezig was op de diverse Te Deum's in de afgelopen periode van 2 november 2010 tot de dag van de uitspraak": de leden van het Hof wonen de jaarlijkse Te Deum's bij, waardoor zij op kosten van de verweerder ontvangen worden of geschenken van hem ontvangen; dit is een reden tot wraking als bedoeld in artikel 828, 11°, Gerechtelijk Wetboek waardoor de rechters zich met toepassing van artikel 831 van hetzelfde wetboek van de zaak moeten onthouden; aldus rijst er eveneens een schijn van objectieve partijdigheid die strijdig is met artikel 6.1 EVRM.

2. Bij arrest van heden heeft het Hof een verzoek van de eiser met hetzelfde voorwerp afgewezen.
Het verzoek heeft bijgevolg geen bestaansredenen meer.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 828, 11°, en 831 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters hebben nagelaten zich te onthouden in de zaak te zetelen; nochtans heeft de eiser in conclusie de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters van de kamer van inbeschuldigingstelling in twijfel getrokken daar zij de jaarlijkse Te Deum's bijwonen en aldus blijk geven van vooringenomenheid, minstens een schijn creëren van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

4. Het arrest oordeelt: "Indien de [eiser] het [hof van beroep] partijdig vindt of minstens dat het [hof van beroep] een schijn van partijdigheid liet of laat blijken, stond het hem vrij in limine litis een wrakingsprocedure in te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan." Die reden, waartegen het middel niet opkomt, draagt het oordeel dat er voor de rechters geen reden bestaat zich te onthouden.

Het middel, al was het gegrond, kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij schade heeft geleden en onderzoekt eisers schade enkel in verband met de artikelen 443 en 444 Strafwetboek, maar niet in functie van artikel 21 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (hierna Anti-discriminatiewet); in zijn klacht heeft de eiser duidelijk gemaakt waarin zijn persoonlijke schade bestaat; uit de omstandigheid dat eisers rechtstoestand ongewijzigd is, dat hij steeds getrouwd is met de partner van zijn keuze, dat de uitspraken van de verweerder niet geleid hebben tot een degradatie van zijn burgerlijke rechten en dat nergens wordt aangegeven dat hij ten gevolge van de uitlatingen moreel of fysiek nadeel zou hebben geleden, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser geen schade ondervindt; door zijn homofobe verklaringen, creëert de verweerder een voor de homoseksualiteit vijandige sfeer die de aanvaarding van die seksualiteit tegengaat en waarin de eiser die homoseksueel is, als minderwaardig en problematisch wordt beschouwd; daardoor is de eiser aan de publieke verachting blootgesteld zoals, onder meer, blijkt uit een anonieme brief; ten slotte toetst het arrest ook de verklaringen van de verweerder aan de vrijheid van meningsuiting, zonder dat de eiser de gelegenheid gekregen heeft daarover zijn standpunt uiteen te zetten.

6. Het middel preciseert niet welke de wettelijke vereisten zijn van artikel 21 Anti-discriminatiewet waaraan eisers burgerlijke partijstelling voldoet en die het arrest niet onderzoekt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

7. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich burgerlijke partij stellen, zowel voor de onderzoeksrechter als voor het onderzoeksgerecht, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, van haar omvang en van het oorzakelijk verband ervan met het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf. Evenwel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden aannemelijk maken.

8. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de schade die de benadeelde beweert te ondergaan aannemelijk is, wat het kan afleiden uit zijn vaststelling dat de beweerde benadeelde geen schade heeft geleden of heeft kunnen lijden omdat de aangevoerde schade niet reëel noch persoonlijk is. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit de door hem vastgestelde feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die ermede geen verband houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn.

9. Het arrest oordeelt :

- in casu werd de eiser nooit bij naam genoemd of aangeduid in de uitspraken van de verweerder;
- de eiser heeft geen concrete indicaties over de voor hem reële persoonlijke morele of materiële schade noch over de concrete negatieve gevolgen die hij in zijn dagelijks leven zou ondervinden door de algemene uitspraken van de inverdenkinggestelde over homoseksualiteit;
- een louter subjectief gevoelen beledigd te zijn door de uitspraken van een persoon is nog niet voldoende om te spreken van een morele of materiële schade in de zin van de wet of om deze aannemelijk te maken.

10. Met die redenen trekt het arrest uit de vaststellingen die het doet geen gevolgen die daarmede geen verband houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn. Het beperkt zijn onderzoek niet tot het nagaan van de wettelijke vereisten van de artikelen 443 en 444 Strafwetboek. Op grond van die redenen oordeelt het arrest integendeel naar recht dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij ingevolge de verklaringen van de verweerder een persoonlijke en reële schade heeft geleden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

11. De voormelde redenen dragen de beslissing dat de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is.
In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel dat "er anders over oordelen (...) overigens de vrijheid van meningsuiting zou uithollen", komt het op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

12. Voor het overige onderzoekt het middel inhoudelijk de geïncrimineerde verklaringen van de verweerder en preciseert het waarin de door de eiser beweerde schade bestaat om daaruit af te leiden dat het arrest ten onrechte oordeelt dat hij die schade niet aannemelijk maakt.
Aldus komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling in feite van het tegendeel door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 61quinquies, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van de procedure bepaald bij artikel 235bis Wetboek van Strafvordering niet kan; door de toepassing van dat artikel en de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter, heeft de eiser geen inzage kunnen hebben in het dossier en heeft hij de mogelijkheid niet gehad overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering een verzoek tot het stellen van onderzoekshandelingen in te dienen, waardoor zijn recht van verdediging, minstens de wapengelijkheid tussen de partijen is miskend; daarenboven wordt de toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering niet uitgesloten door de toepassing van artikel 235bis van dat wetboek.

14. Het arrest (ro 3.1) stelt vast dat de burgerlijke partij inmiddels inzage van het dossier heeft gekregen.
In zoverre het middel aanvoert dat de eiser door de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering die inzage niet heeft kunnen hebben, komt het op tegen die vaststelling en is het niet ontvankelijk.

15. Het arrest oordeelt dat "bijkomende onderzoeksdaden (...) in het kader van de huidige procedure niet (kunnen) worden gevraagd." Aldus geeft het arrest de reden aan waarom het niet ingaat op eisers verzoek bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen.
In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.

16. Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering geeft de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid om hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie of van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure te onderzoeken. Deze wetsbepaling verleent dit onderzoeksgerecht geen bevoegdheid om in het kader van die rechtspleging bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen.

17. De omstandigheid dat het openbaar ministerie met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de kamer van inbeschuldigingstelling gevraagd heeft de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te onderzoeken, verhinderde de eiser niet om de onderzoeksrechter met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Zolang de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak gedaan had over die ontvankelijkheid, was de onderzoeksrechter steeds met de zaak gelast en bijgevolg bevoegd om uitspraak te doen over dergelijk verzoek.

18. Daarenboven, eens de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geoordeeld dat de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is, was een verzoek tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen doelloos geworden zodat er geen gevolg diende aan gegeven te worden.

19. Hieruit volgt dat het arrest dat, uitspraak doende met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, oordeelt dat bijkomende onderzoekshandelingen in het kader van die procedure niet kunnen worden gevraagd, noch eisers recht van verdediging noch de wapengelijkheid miskent.
In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

20. Het arrest oordeelt niet dat de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de toepassing van artikel 235 van dat wetboek uitsluit.
In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, mist het middel feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten op 72,93 euro waarvan 42,93 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer


Zie ook het voorafgaand arrest van het Hof van Cassatie van 08/05/2012, P.12.0730.N

Samenvatting:

In zoverre een verzoek tot wraking alle zetelende magistraten van het Hof beoogt, is het geen wrakingsverzoek, maar in werkelijkheid een verzoek tot onttrekking van de zaak (zie ook  Cass. 25 juni 1934, Pas. 1934, I, 343 en Cass. 8 juni 1938, Pas. 1938, I, 201).
 

Tekst arrest

Nr. P.12.0730.N
J.-M. d. M.,
verzoeker tot wraking,

in de zaak van
A. J. G. L.,
inverdenkinggestelde,

tegen
J.-M. d. M., reeds vermeld,
burgerlijke partij,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De verzoeker heeft op 23 april 2012 een akte neergelegd ter griffie van het Hof, waarbij hij in hoofdorde alle, minstens sommige, zetelende magistraten van het Hof en in ondergeschikte orde E. G. wraakt.
Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Wraking van alle of minstens sommige zetelende magistraten van het Hof

1. Het verzoek strekt ertoe alle, minstens sommige zetelende magistraten van het Hof te wraken op grond van artikel 828, 11°, Gerechtelijk Wetboek: alle zetelende magistraten, minstens sommigen onder hen, hebben meerdere malen in ambtskledij deelgenomen aan jaarlijkse Te Deum's in een katholieke kerk; daarbij heeft A. L. als aartsbisschop hen aan de ingang van de kerk begroet en ontvangen; dit creëert een schijn van partijdigheid "temeer de aanwezige magistraten op aangeven van [A. L.] dienen recht te staan en te gaan zitten en aldus eerbied voor [zijn] persoon en ambt (...) dienen te betuigen"; bovendien is hij grootkanselier van de KULeuven en daardoor voorzitter van de inrichtende macht van die instelling waardoor ten aanzien van de magistraten van het Hof die als professor, docent of lector verbonden zijn aan die instelling, een arbeidsrechterlijke gezagsverhouding geldt tegenover hem.

2. In zoverre het verzoek de wraking van alle zetelende magistraten van het Hof beoogt, is het geen wrakingsverzoek, maar in werkelijkheid een verzoek tot onttrekking van de zaak.

3. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid een zaak te onttrekken aan het Hof. Bij gebrek aan een ander rechtscollege naar wie de onttrokken zaak zou kunnen worden verwezen, zou dergelijke onttrekking de behandeling van de zaak onmogelijk maken en de grondrechten van de andere partijen, bepaald in artikel 6 EVRM, in het gedrang brengen.

4. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige rechter.

5. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.

6. Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan deconpartijdigheid van sommige leden van een rechtscollege, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die een partij op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief is gerechtvaardigd.

7. Het Te Deum, gehouden ter gelegenheid van de nationale feestdag of het feest van de Dynastie, is een protocollaire plechtigheid waarop onder meer de gestelde lichamen van het Land zijn uitgenodigd.

De omstandigheid dat sommige leden van het Hof uit hoofde van hun ambt al dan niet in ambtskledij aanwezig zijn bij de ter gelegenheid van de nationale feestdag of het feest van de monarchie georganiseerde Te Deum's, die plaatshebben in een gebouw van de katholieke eredienst en waarin de aartsbisschop voorgaat, houdt niet in dat daardoor objectief gezien bij de verzoeker en bij de publieke opinie de schijn ontstaat dat die leden van dit Hof niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk in zijn zaak zouden kunnen beslissen.

8. Krachtens artikel 151, § 1, Grondwet is de rechter onafhankelijk in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie.
Magistraten van een rechtscollege zijn in de uitoefening van hun rechtsprekende functie niet onderworpen aan welk hiërarchisch gezag dan ook, maar oordelen in alle onafhankelijkheid.

Het feit dat sommige magistraten van het Hof als professor, docent of lector verbonden zouden zijn aan de KULeuven waarvan A. L. grootkanselier zou zijn, houdt niet in dat bij de verzoeker en de publieke opinie de schijn ontstaat dat die leden niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk zouden kunnen beslissen.
Het verzoek is in zoverre kennelijk niet ontvankelijk.

Wraking van E. G.

9. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige rechter.

10. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.

11. De levensbeschouwing alleen van een magistraat creëert geen schijn van partijdigheid.

De omstandigheid dat een magistraat al dan niet lid zou zijn van een levensbeschouwelijke vereniging en deelneemt aan de activiteiten van die vereniging, doet dan ook geen wettige verdenking ontstaan.
Het verzoek is in zoverre eveneens kennelijk niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het verzoek.
Wijst gerechtsdeurwaarder Louis Dangoisse, met kantoor te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Edmond Machtenslaan 135/2, aan om op verzoek van de griffier het arrest binnen achtenveertig uur aan de partijen te betekenen.
Veroordeelt de verzoeker in de kosten, met inbegrip van de kosten van betekening van dit arrest.
Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/03/2013 - 14:50
Laatst aangepast op: za, 16/03/2013 - 14:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.