-A +A

Wraking van een rechter die ergernis uitspreekt over noodzakelijk uitstel te wijten aan een partij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 09/12/2014
A.R.: 
P.14.1809.N

Uit de omstandigheid dat de voorzitter van de correctionele kamer van het hof van beroep die moet oordelen over het verzet tegen een arrest bij verstek, waarvan de behandeling reeds eenmaal werd uitgesteld, zijn ergernis uitspreekt over het feit dat omvangrijke conclusies niet op voorhand aan het openbaar ministerie werden meegedeeld, zodat de noodzaak om het tegensprekelijk karakter van het debat te verzekeren in feite verplicht om de behandeling van de zaak uit te stellen, waardoor de behandeling van de zaken op gestelde datum en uur in het gedrang komt, kan niet worden afgeleid dat de gewraakte kamervoorzitter zich mengt in de organisatie van de verdediging van de verzoeker; zijn optreden kan in de ogen van de verzoeker, de partijen en derden geen gewettigde verdenking doen ontstaan dat hij niet langer geschikt zou zijn om onafhankelijk en onpartijdig te oordelen over de zaak van de verzoeker, zodat het verzoek tot wraking ongegrond is

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.1809.N
J S,
verzoeker tot wraking,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het verzoek tot wraking dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wraking van ka-mervoorzitter Camille Liesens, voorzitter van de dertiende kamer van het hof van beroep te Antwerpen, in het kader van de behandeling van het hoger beroep in zake het dossier met notitienummer TU.60.F1.102683-06, dat ten laste van de ei-ser voor dat hof aanhangig is.

Op 28 november 2014 heeft kamervoorzitter Camille Liesens de bij artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven verklaring afgelegd, waarbij hij weigert zich van de zaak te onthouden.
Op 8 december 2014 legde de verzoeker tot wraking op de griffie van het Hof een conclusie neer.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het verzoek tot wraking is gesteund op artikel 6 EVRM, artikel 828, 1°, Ge-rechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdige rechter: op 16 oktober 2014 werd de verzoeker bij verstek door het hof van beroep te Antwerpen veroordeeld; hiertegen tekende hij verzet aan dat op 13 november 2014 zou behandeld worden; op die rechtszitting werd de zaak uitgesteld om op 27 no-vember 2014, samen met andere verzetten, te worden behandeld; voorafgaand aan die rechtszitting deelde de raadsman van de verzoeker conclusies mee aan het openbaar ministerie; deze vroeg de zaak uit te stellen om te antwoorden; hierop reageerde de voorzitter dat "hij bijzonder veel ongenoegen heeft over de advocaten die conclusies vlak voor de zitting meedelen"; de griffier akteerde in het proces-verbaal van de rechtszitting:

"De voorzitter zegt dat hij zich ergert aan het feit dat op het laatste moment conclusies worden neergelegd"; in strafzaken moet een conclusie op de rechtszitting worden neergelegd; er is dus geen sprake van een dilatoire conclusie zodat de voorzitter zich daar niet over mag ergeren; met zijn uit-spraak heeft de voorzitter zich negatief uitgelaten over de wijze waarop de ver-zoeker zich verdedigt; hij gaf blijk van ergernis voor de normale uitoefening van het recht van verdediging en ging de grenzen van de onafhankelijkheid en onpar-tijdigheid te buiten, minstens gaf hij daarvan de schijn.

2. In de akte van weigering te berusten in de wraking heeft kamervoorzittter C. Liesens verklaard dat:

- het met het oog op een goede rechtsbedeling, in deze zoals in alle zaken, zijn bekommernis en streven is om de zaken te behandelen op de gestelde datum en uur;

- de zaken evenwichtig worden gespreid over de voorziene zittingen;

- bij de aanvang van de zaak de raadsman van de verzoeker twee omstandige conclusies meedeelde aan het openbaar ministerie;

- hij daarop, zoals in het verleden, uiting gaf aan zijn ongenoegen en ergernis omdat de zaak in feite niet kon worden behandeld omwille van de noodzaak om tegenspraak te verzekeren;

- de uiting van ergernis geen oordeel of vooroordeel inhoudt, noch ten aanzien van de beklaagde, noch ten aanzien van zijn raadsman, maar wel betrekking heeft op het feit dat de conclusies niet tijdig aan het openbaar ministerie werden meegedeeld, te weten op een ogenblik dat dit nog kennis kon nemen van de inhoud ervan;

- het niet tijdig meedelen van de conclusie meebrengt dat voorziene zittingstijd verloren gaat, deze zaak pas later kan behandeld worden en andere vastgestel-de zaken moeten worden uitgesteld.

3. Uit het verzoekschrift en het antwoord daarop blijkt dat de uitgedrukte er-gernis niet gaat over de verplichting in strafzaken om conclusies op te rechtszitting neer te leggen en dus over de normale uitoefening van het recht van verdediging, maar wel over het feit dat omvangrijke conclusies niet voorafgaandelijk worden meegedeeld op een ogenblik dat het openbaar ministerie daar nog kennis kan van nemen.

4. Volgens artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt wegens wettige verdenking. Er is wettige verdenking indien de aange-voerde feiten bij de verzoeker, partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen.

5. Uit de omstandigheid dat de voorzitter van de correctionele kamer van het hof van beroep die moet oordelen over het verzet tegen een arrest bij verstek, waarvan de behandeling reeds eenmaal werd uitgesteld, zijn ergernis uitspreekt over het feit dat omvangrijke conclusies niet op voorhand aan het openbaar ministerie werden meegedeeld, zodat de noodzaak om het tegensprekelijk karakter van het debat te verzekeren in feite verplicht om de behandeling van de zaak uit te stellen, waardoor de behandeling van de zaken op gestelde datum en uur in het gedrang komt, kan niet worden afgeleid dat de gewraakte kamervoorzitter zich mengt in de organisatie van de verdediging van de verzoeker.

Zijn optreden kan in de ogen van de verzoeker, de partijen en derden geen gewettigde verdenking doen ontstaan dat hij niet langer geschikt zou zijn om onafhankelijk en onpartijdig te oordelen over de zaak van de verzoeker.

6. Het verzoek tot wraking is ongegrond.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het verzoek tot wraking.
Veroordeelt de verzoeker tot wraking tot de kosten.
Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/02/2016 - 18:42
Laatst aangepast op: ma, 01/02/2016 - 18:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.