-A +A

Wraking samenhangende gronden tot wraking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 19/01/2016
A.R.: 
P.15.1371.N

Indien op meerdere rechtszittingen incidenten plaatsgrijpen die volgens een partij globaal en in samenhang gezien één wrakingsgrond uitmaken zodat die grond die partij slechts gekend kan zijn op de datum van het laatste incident, staat het aan de rechter om onaantastbaar in feite te oordelen of die afzonderlijke incidenten globaal en in samenhang gezien daadwerkelijk één wrakingsgrond uitmaken.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1371.N
S. L.
eiseres tot wraking,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, burgerlijke kamer, van 5 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Aangevoerde miskenning van het recht van verdediging

1. De eiseres voert aan dat haar recht van verdediging en haar recht op adequa-te tegenspraak zijn miskend doordat zij geen schriftelijke weerslag heeft ontvan-gen van de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie bij het Hof, zodat het haar onmogelijk is de precieze bewoordingen en draagwijdte van deze conclu-sie te kennen.

2. Het openbaar ministerie bij het Hof is niet verplicht een schriftelijke conclu-sie te nemen. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verleent aan partijen het recht op een schriftelijke neerslag van de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie bij het Hof.

3. De eiseres kan zoals alle partijen en het Hof zelf middels de mondelinge conclusie kennis nemen van de zienswijze van het openbaar ministerie bij het Hof op de zaak en er de precieze draagwijdte van kennen. Er is geen sprake van een miskenning van het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegen-spraak.

Eerste middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 828, 1° en 833 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onpartijdige rechter: het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de rechters van de correctione-le rechtbank niet meer de vereiste waarborgen van onpartijdigheid bieden; het recht op een onpartijdige rechter maakt een wezenlijke regel van rechtsbedeling uit, zodat artikel 833 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is en de appelrech-ters het wrakingsverzoek niet als onontvankelijk konden afwijzen wegens laattij-digheid.

5. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voor-dragen, dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan, en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvo-rens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.

6. Hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen die steunt op een grond die zich heeft voorgedaan na de opening van de rechtszitting, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, als uit de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en uit de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept.

7. Die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat rechters niet meer de ver-eiste waarborgen van onpartijdigheid bieden.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Het arrest oordeelt dat de grieven van de eiseres met betrekking tot inciden-ten van 7, 9 en 11 september 2015 laattijdig en dus onontvankelijk zijn, aangezien er na die data nog rechtszittingen plaatsvonden zonder dat een wrakingsverzoek werd ingediend. Die beslissing is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: wanneer op meerdere opeenvolgende rechtszittingen incidenten plaatsgrijpen waarvan de beklaagde meent dat deze, globaal en in samenhang gezien, een wra-kingsgrond uitmaken, dan moet de wrakingsgrond geacht worden bekend te zijn aan de partij die zich erop beroept op de rechtszitting waarop het laatste incident heeft plaatsgegrepen; de bodemrechter dient alle incidenten in samenhang te be-schouwen om na te gaan of deze in hun geheel gezien een wrakingsgrond uitma-ken; de grief in verband met het laatste incident moet niet een op zichzelf staande wettige wrakingsgrond uitmaken om de tijdigheid van voorgaande grieven te kun-nen beoordelen; door dit te doen stellen de appelrechters een onwettige voorwaarde.

10. Indien op meerdere rechtszittingen incidenten plaatsgrijpen die volgens een partij globaal en in samenhang gezien één wrakingsgrond uitmaken zodat die grond die partij slechts gekend kan zijn op de datum van het laatste incident, staat het aan de rechter om onaantastbaar in feite te oordelen of die afzonderlijke incidenten globaal en in samenhang gezien daadwerkelijk één wrakingsgrond uitma-ken.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. De appelrechters beoordelen de door de eiseres aangevoerde incidenten af-zonderlijk en oordelen dat de grief in verband met de rechtszitting van 14 septem-ber 2015, die geen wettige grond van wraking kan uitmaken, niet kan worden aangewend om de laattijdigheid van de andere grieven op te heffen of te onder-bouwen. Zo geven zij te kennen dat die incidenten niet globaal en in samenhang gezien één wrakingsgrond uitmaken, maar wel elk een afzonderlijke wrakings-grond vormen die op grond van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek tijdig moet worden aangevoerd. Aldus voegen zij geen voorwaarde toe aan artikel 833 Ge-rechtelijk Wetboek, maar passen zij die bepaling integendeel correct toe.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het concrete middel van de eiseres met betrekking tot de subjectieve, minstens de objectieve partijdigheid van de rechter als gevolg van de incidenten op de rechtszittingen van 9 en 11 september 2015.

13. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het arrest wettig heeft beslist dat het verzoek tot wraking met betrekking tot de rechtszittingen van 9 en 11 september 2015 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het al-gemeen rechtsbeginsel van het recht op een onpartijdige rechter: noch de voorzit-ter noch de magistraten bijzitters van de correctionele rechtbank hebben in hun verklaringen overeenkomstig artikel 836 Gerechtelijk Wetboek de uitspraak van deze voorzitter op de rechtszitting van 11 september 2015 betwist; een rechter die een dergelijke uitspraak doet, biedt geen voldoende waarborgen om nog onbevan-gen over de zaak te oordelen; hetzelfde geldt voor de bijzitters magistraten die zich niet hebben verzet tegen de uitspraak van de voorzitter en op geen enkele wijze hebben laten blijken afstand te nemen van die uitspraak.

15. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het arrest wettig heeft beslist dat het verzoek tot wraking met betrekking tot de rechtszittingen van 9 en 11 september 2015 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 97,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 19 januari 2016 uitgesproken 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/10/2017 - 15:55
Laatst aangepast op: wo, 25/10/2017 - 15:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.