-A +A

Woonstvergoeding en voorlopige maatregelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 02/02/2012
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1212
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

woonstvergoeding en voorlopige maatregelen

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 2 februari 2012, RW 2012-2013, 1212

[...]

10. Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de gewezen echtgenoten een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die deel uitmaakten van de gemeenschap op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens art. 577-2, § 3 BW heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Krachtens art. 577-2, § 5 BW heeft de mede-eigenaar recht op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zoverre dit verenigbaar is met het recht van zijn deelgenoten.

11. Hieruit volgt dat de deelgenoot die alleen het genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit uitsluitend genot aan de deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.

12. Het krachtens art. 223, eerste en tweede lid BW of art. 1280, eerste lid Ger.W. toegekende uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk of als loutere bestuursmaatregel.

Wordt het uitsluitend genot van de gezinswoning toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen echtgenoten, dan is er, naargelang van hetgeen waarmee de vrederechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg rekening heeft gehouden, aanleiding tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en wordt, in het geval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre beschouwd als een voorschot op dit aandeel.

13. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in zijn beschikking genomen op grond van art. 1280 Ger.W. geoordeeld heeft over de bijdrage van de partijen in de kosten voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen en over de bijdrage in de lasten met betrekking tot het woonkrediet, rekening houdend met alle gegevens, waaronder de behuizing van de partijen, en het uitsluitend genot van de gezinswoning aan de verweerder toekent, houdt niet in dat de rechter, die uitspraak doet over de vereffening-verdeling, niet kan oordelen dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure alleen het genot van de gezinswoning had een vergoeding verschuldigd is voor dit genot.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– bij beschikking van 22 december 2004 de vrederechter op grond van art. 223 BW de verweerder machtigde afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woning;

– de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, oordelend over de voorlopige maatregelen in de loop van het echtscheidingsgeding, in een beschikking van 18 september 1997 aan de verweerder toelating verleende om afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woning.

15. De appelrechters beslissen dat de verweerder slechts een verblijfsvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, en dus niet voor de periode tussen de inleiding van de eerste echtscheidingseis en het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden, omdat:

– de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in de beschikking van 18 september 2007 genomen op grond van art. 1280 Ger.W., over de wederzijdse verplichtingen van de partijen met betrekking tot de bijdrage in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de kinderen geoordeeld heeft en over de bijdrage in de maandelijkse lasten met betrekking tot het woonkrediet, op grond van alle gegevens die hem werden meegedeeld, ook van de behuizing van de partijen, dit onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 28 februari 2006 waarbij in hoger beroep uitspraak werd gedaan over de voorlopige maatregelen die de vrederechter had genomen op grond van art. 221-223 BW;

– de voorzitter aldus een beslissing heeft genomen met betrekking tot de omdeling van de huwelijkslasten, waaraan bij de vereffening geen afbreuk mag worden gedaan en waardoor de vereffeningsrechter is gebonden.

16. Door aldus te oordelen, miskennen de appelrechters het gezag van gewijsde van de voormelde beschikking en verantwoorden zij hun beslissing dat de verweerder slechts een verblijfsvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 29/03/2013 - 18:24
Laatst aangepast op: za, 24/02/2018 - 15:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.