-A +A

Witwassen is een vorm van heling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 09/09/2014
A.R.: 
P.14.0447.N

Uittreksel uit het strafwetboek:

Art. 505 Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot honderdduizend [euro] of met een van die straffen alleen worden gestraft : 
[...]
3° zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, (omzetten of overdragen) met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;

Uit de tekst van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek en de wetgeschiedenis ervan volgt dat het plaatsen van door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen op een bankrekening van hij die deze gelden plaatst, de cheques incasseert of de buitenlandse overschrijvingen doet, wel degelijk een door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde verrichting kan zijn, voor zover zij geschiedt met het door die bepaling vereiste bijzonder opzet

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1312.N
1. M L M D C,
beklaagde,
2. A F F D C,
beklaagde,
3. G M C D C,
beklaagde,
eisers,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 september 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser 1 deels vrij voor de telastleggingen A.2 (in zover-re het bedrag van 97.807,64 euro overstijgend), A.3 (in zoverre het bedrag van 102.250,00 euro overstijgend), A.4 (in zoverre het bedrag van 115.000,00 euro overstijgend), A.5 (in zoverre het bedrag van 108.850,00 euro overstijgend), A.6 (in zoverre het bedrag van 57.290,00 euro overstijgend), A.7 (in zoverre het be-drag van 143.000,00 euro overstijgend), A.8 (in zoverre het bedrag van 168.975,00 euro overstijgend), A.11 (in zoverre het bedrag van 117.390,41 euro overstijgend), B.2 (in zoverre het bedrag van 97.807,64 euro overstijgend), B.3 (in zoverre het bedrag van 89.250,00 euro aan contante stortingen overstijgend), B.4 (in zoverre het bedrag van 115.000,00 euro overstijgend), B.5 (in zoverre het be-drag van 87.150,00 euro aan geïncasseerde cheques overstijgend), B.6 (in zoverre het bedrag van 57.290,00 euro overstijgend), B.7 (in zoverre het bedrag van 143.000,00 euro aan contante betalingen overstijgend en in zoverre betrekking hebbend op 250.000,00 euro aan geïncasseerde cheques) en B.8 (in zoverre het bedrag van 168.975,00 euro aan contante stortingen overstijgend en in zoverre be-trekking hebbend op 100.000,00 euro aan geïncasseerde cheques).
In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep 1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest spreekt de eiser 2 vrij voor de telastleggingen A.12 en B.11 en deels voor de telastleggingen A.13 (in zoverre het bedrag van 195.036,59 euro overstijgend), A.14 (in zoverre het bedrag van 220.434,69 euro overstijgend), A.15 (in zoverre het bedrag van 161.350,00 euro overstijgend), B.12 (in zoverre het bedrag van 148.113,13 euro aan contante stortingen overstijgend), B.13 (in zoverre het bedrag van 217.906,00 euro aan contante stortingen overstijgend) en B.14 (in zoverre het bedrag van 131.350,00 euro aan contante stortingen overstij-gend).

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep 1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

3. Het arrest spreekt de eiser 3 vrij voor de telastleggingen A.22 (in zoverre het bedrag van 147.337,63 euro overstijgend), A.23 (in zoverre het bedrag van 176.350,00 euro overstijgend), A.24 (in zoverre het bedrag van 55.705,00 euro overstijgend), A.25 (in zoverre het bedrag van 182.770,00 euro overstijgend), A.26 (in zoverre het bedrag van 144.500,00 euro overstijgend), A.27 (in zoverre het bedrag van 167.280,52 euro overstijgend), A.28 (in zoverre het bedrag van 158.650,00 euro overstijgend), A.31 (in zoverre het bedrag van 36.700,00 euro overstijgend), B.21 (in zoverre het bedrag van 147.337,63 euro aan contante stor-tingen overstijgen en in zoverre betrekking hebbend op een bedrag van 3.004,66 euro aan buitenlandse overschrijvingen), B.22 (in zoverre betrekking hebbend op een bedrag van 2.539,70 euro aan buitenlandse overschrijvingen), B.23 (in zoverre het bedrag van 55.705,00 euro aan contante stortingen overstijgend en in zoverre betrekking hebbend op een bedrag van 37.500,00 euro aan geïncasseerde cheques en een bedrag van 37.982,80 euro aan buitenlandse overschrijvingen),

B.24 (in zoverre een bedrag van 182.770,00 euro overstijgend), B.25 (in zoverre een bedrag van 144.500,00 euro overstijgend), B.26 (in zoverre een bedrag van 15.180,52 euro aan buitenlande overschrijvingen overstijgend), B.27 (in zoverre een bedrag van 158.650,00 euro aan contante stortingen overstijgend en in zoverre betrekking hebbend op een bedrag van 18.000,00 euro aan geïncasseerde cheques) en B.30 (in zoverre betrekking hebbend op een bedrag van 1.250,00 euro aan buitenlandse overschrijvingen).

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep 3 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 32, 305, 307 tot en met 311 en 449 WIB92: het arrest oordeelt ten onrechte dat de gelden voorwerp van de telastlegging A die de eisers in de personenbelasting hadden moeten aangeven, bezoldigingen van bedrijfsleiders of enig andere aan aangifte onderworpen bezoldiging zijn; uit de feitelijke vaststellingen van het arrest volgt dat de gelden voorwerp van de telastlegging A oorspronkelijk afkomstig zijn uit een zwart inko-menscircuit inherent aan D C Export bvba en Bloemisterij D C nv en dat deze zwarte inkomsten geheel of gedeeltelijk aan deze bedrijven werden onttrokken door de eisers en bij de eisers werden bewaard; aldus stelt het arrest vast dat de gelden aan deze vennootschappen toebehoorden en door de eisers wederrechtelijk en gebruik- of misbruikmakend van de vennootschapsstructuren aan hen werden onttrokken; de gelden die een bestuurder of bedrijfsleider zich onrechtmatig heeft toegeëigend ten nadele van zijn vennootschap, ook al is dit gebeurd in de uitoefe-ning van zijn bestuurdersmandaat, kunnen evenwel niet als een bezoldiging in de zin van artikel 32 WIB92 worden beschouwd; bijgevolg is de veroordeling van de eisers aan de telastlegging A, alsook die aan de telastlegging B, gelet op het nau-we verband tussen die telastleggingen, niet naar recht verantwoord.

5. Het middel gaat wezenlijk ervan uit dat de eisers de gelden afkomstig van D C Export bvba en Bloemisterij D C nv aan deze vennootschappen hebben onttrok-ken zonder medeweten van die vennootschappen of van de vennootschapsorga-nen.
Het arrest bevat een dergelijke vaststelling niet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eisers ten onrechte voor de telastlegging B in de mate dat die be-trekking heeft op het storten van cash gelden of eigen bankrekeningen terwijl zij geen omzetting of overdracht in de zin van artikel 505 Strafwetboek vaststellen; de omzetting of de overdracht van kapitaal van illegale herkomst houdt in dat het in omloop brengen ervan tot gevolg heeft dat de oorsprong ervan wordt verhuld; dergelijke inomloopbrenging is niet voltrokken wanneer een depositogever alleen maar bedragen stort en afhaalt van zijn eigen rekening; een transformatie van cash gelden tot girale gelden kan niet worden beschouwd als een door artikel 505 Strafwetboek bedoelde omzetting of overdracht aangezien een dergelijke overdracht of omzetting moet gepaard gaan met het in omloop brengen van vermo-gensvoordelen waardoor de oorsprong ervan wordt verhuld; bijgevolg is de ver-oordeling van de eisers niet naar recht verantwoord.

7. Artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bestraft het hebben omgezet of overgedragen van door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken met de bedoe-ling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtgevolgen van zijn daden.

Uit de tekst van deze bepaling en de wetgeschiedenis ervan volgt dat het plaatsen van door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen op een bankrekening van hij die deze gelden plaatst, de cheques incasseert of de buitenlandse overschrijvingen doet, wel degelijk een door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde verrichting kan zijn, voor zover zij geschiedt met het door die bepaling vereiste bijzonder opzet.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. De schuldigverklaring van de eisers aan het door de telastlegging B bedoel-de tweede witwasmisdrijf van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek is gesteund op de volgende redenen:

- de eisers hebben door illegale fysieke tastbare cash gelden of chartale gelden op rekening te zetten, die getransformeerd tot girale gelden met een digitale dimensie;

- op die manier werd de noodzakelijke basis gelegd voor eventuele verdere com-plexe financiële verrichtingen zoals beleggingen enzovoort;

- de illegale vermogensvoordelen werden op die wijze door de eisers als natuur-lijke personen overgedragen door ze in bewaring en in verder beheer te geven aan een derde-bankinstelling;

- op die gecumuleerde wijze werden die illegale vermogensvoordelen tevens on-der een andere vorm terug ingebracht in het financieel stelsel;

- die handelingen werden verricht met het bijzonder opzet om de illegale her-komst van de vermogensvoordelen te verbergen of te verdoezelen.

- door de chartale gelden te converteren in girale gelden, cheques te incasseren en buitenlandse overschrijvingen te ontvangen en die tegoeden over te dragen aan een bankinstelling, werd het immers doelbewust moeilijker gemaakt om de oorspronkelijke wederrechtelijke herkomst van die inkomsten nog te traceren.

- die handelwijze was duidelijk ingegeven door de betrachting om de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen;

- die verberging-verdoezeling komt in het bijzonder treffend tot uiting in het feit dat de illegale gelden in eerste orde de facto gegenereerd zijn in de vermogens-sfeer van een derde-rechtspersoon en dat door de gelden in contanten of che-ques op te nemen en ze vervolgens te storten op een persoonlijke rekening de link tussen die oorspronkelijke externe inkomensbron en haar privatieve eind-bestemming werd doorbroken;

- het normale economische traject van de gelden werd door die omzetting-overdracht effectief gebruuskeerd, hetgeen het voor de fiscus bijvoorbeeld bij de controle van de vennootschappen fel bemoeilijkte om de illegale tegoeden nog te reconstrueren;

- daar komt nog bij dat de eisers doorheen hun individuele witwashandelingen de medebeklaagden als betrokkene bij het basismisdrijf hielpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van hun handelingen;

- de illegale vermogensvoordelen vielen immers mee te linken aan fiscale fraude gepleegd door de eisers onder de personenbelasting nadat zij kennelijk gebruik makend van het mandaat van zaakvoerder, gelden konden onttrekken aan de vennootschappen waarbinnen zij actief waren;

- daar waar ieder van de eisers wat hemzelf betreft concrete witwashandelingen stelde, doet zulks geen afbreuk aan het feit dat die gelden initieel blijkbaar het voorwerp waren van de tussen de eisers in onderling overleg gepleegde en ge-organiseerde fraude binnen de vennootschappen;

- door zelf ten individuelen titel gelden op eigen rekening wit te wassen die daar hun oorsprong vonden, hielp elk van de eisers telkenmale onrechtstreeks de andere eisers om te ontkomen aan de rechtsgevolgen van hun daden in de zin van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek.

Met die redenen is de schuldigverklaring van de eisers aan de telastlegging B naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwet-boek: het arrest stelt niet naar recht het moreel bestanddeel van het witwasmisdrijf vast; het arrest stelt vast dat de eisers contante gelden hebben gestort op een bank-rekening en cheques hebben geïncasseerd; daaruit wordt afgeleid dat door het plaatsen van vermogensvoordelen op een bankrekening het doelbewust moeilijker werd gemaakt om de oorspronkelijke wederrechtelijke herkomst van die inkom-sten nog te traceren; nu het in algemeen gelden op een bankrekening gemakkelijker te traceren zijn dan contante gelden die door de eisers worden bewaard of rechtstreeks in het economisch circuit worden gebracht, kon het arrest op grond van de loutere vaststelling dat deze gelden op een bankrekening werden geplaatst niet oordelen dat het hierdoor alleen al moeilijker werd gemaakt om de oorspron-kelijke herkomst van die inkomsten nog te traceren en dat door zelf ten individue-le titel gelden op de eigen rekening te plaatsen elk van de eisers onrechtstreeks de andere eisers hielp om te ontkomen aan de rechtsgevolgen van hun daden.

10. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de dader van een door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf heeft gehandeld met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een per-soon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtgevolgen van zijn daden. Het Hof gaat enkel na of de rech-ter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

11. Het arrest kon op grond van de vaststelling dat de gelden op een bankrekening werden geplaatst in de omstandigheden zoals geschetst door het arrest en zo-als weergegeven in het antwoord op het eerste onderdeel, wettig oordelen dat in hoofde van de eisers het voor de artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf is aangetoond en dit zonder gevolgen te trekken die op grond van de vaststellingen van het arrest niet kunnen worden verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten op 315,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2016 uitgesproken

Noot: 

Rechtspraak

• Cass. 6 november 2007, RW 2007-08, 1716, noten C. Idomon, B. Weyts en A. Van Oevelen; Cass. 27 april 2010, T.Strafr. 2010, 281, noot D. Libotte;

• Cass. 17 december 2013, Arr.Cass. 2013, p. 2791, nr. 690.

Rechtsleer:

• F. Van Volsem, “Witwassen: de sancties”, T.Strafr. 2011, (400), p. 404-420, nrs. 28-123.

• CONTRA Cass. 10 september 2014, AR nr. P.14.0475.F OOK OP DEZE SITE. www.elfri.be/node/12053 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 08:57
Laatst aangepast op: vr, 06/10/2017 - 08:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.