-A +A

Witwassen is een voortdurend misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/01/2013
A.R.: 
P.12.1545.N

Uit de tekst van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het door deze bepaling bedoelde witwasmisdrijf een voortdurend misdrijf is. Het misdrijf ontstaat bij het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken en blijft voortduren zolang de dader die elementen verheelt of verhult of verhulde zaken moest kennen. De dader is evenwel slechts strafbaar indien hij op het ogenblik van de aanvang van het verhelen of verhullen de illegale oorsprong van de verheelde of verhulde zaken kende of moesten kennen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/8
Pagina: 
469
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.12.1545.N
F O,
burgerlijke partij,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 2 augustus 2012.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

1. Het middel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten waarvoor klacht werd neergelegd, waaronder het door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf, een aflopend misdrijf opleveren en dat op het ogenblik van de klacht met burgerlijkepartijstelling dit feit was verjaard (eerste onderdeel); zo het arrest aanneemt dat de feiten waarvoor klacht met burgerlijkepartijstelling werd ingediend een voortdurend misdrijf ople-veren, onderzoekt het ten onrechte niet wanneer aan de strafbare toestand een ein-de is gekomen (tweede onderdeel).

2. Artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, zoals ingevoerd met de wet van 7 april 1995 en in werking getreden op 10 mei 1995, bepaalt dat worden gestraft: "4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen."

Artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, zoals gewijzigd met de wet van 10 mei 2007 en in werking getreden op 1 september 2007, bepaalt dat worden gestraft: "4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen."

3. Uit de tekst van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het door deze bepaling bedoelde witwasmisdrijf een voortdurend misdrijf is. Het misdrijf ontstaat bij het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken en blijft voortduren zolang de dader die elementen verheelt of verhult of verhulde zaken moest kennen. De dader is evenwel slechts strafbaar indien hij op het ogenblik van de aanvang van het verhelen of verhullen de illegale oorsprong van de verheelde of verhulde zaken kende of moesten kennen.

4. Het arrest stelt vast dat de eiser heeft aangevoerd dat het witwassen van de ten onrechte verkregen vermogensvoordelen minstens tot de datum van de klacht met burgerlijkepartijstelling heeft voortgeduurd. Het verwerpt die aanvoering met de enkele reden dat de feiten op dat ogenblik waren verjaard, zonder evenwel de datum of de periode van die feiten te preciseren. Aldus verantwoordt het die beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Straf-wetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat de verjaring van het basismisdrijf het bestaan van een witwasmisdrijf belet.

6. De strafbaarheid van de door artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijven vereist niet dat de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken afkomstig zijn van een basismisdrijf waarvoor de verjaring van de strafvordering nog niet is ingetreden.

7. Het arrest oordeelt dat in zoverre er al sprake zou zijn van een wederrechte-lijke, strafbare vervreemding van goederen, deze feiten heel zeker verjaard zijn. Het verklaart op die grond eisers klacht met burgerlijkepartijstelling niet ontvankelijk. Aldus schendt het arrest artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek.
Het middel is gegrond.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 462 en 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat diefstal, gepleegd in een van de door artikel 462 Strafwetboek bedoelde omstandigheden, geen vermo-gensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek kan opleveren.

9. De door artikel 462 Strafwetboek bedoelde strafuitsluitende verschonings-grond belet niet dat een onder die omstandigheid gepleegde diefstal een door arti-kel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaak oplevert.

10. Het arrest oordeelt dat in zoverre de wederrechtelijke, strafbare vervreem-ding van goederen door John Oosterlinck en Linda De Schamp zou dateren van vóór het overlijden van Norbert Oosterlinck in 1987, de strafvordering voor die feiten van diefstal onontvankelijk zou zijn gelet op de bestaande bloed- en aan-verwantschap met de decujus. Het verklaart op die grond eisers klacht met burger-lijkepartijstelling onontvankelijk. Aldus schendt het de artikelen 462 en 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek.
Het middel is gegrond.

Vierde middel
Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 4°, en tweede lid, Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat het door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf niet kan worden gepleegd door de dader van het basismisdrijf.

12. Artikel 505, tweede lid, Strafwetboek, zoals ingevoerd met de wet van 7 april 1995 en in werking getreden op 10 mei 1995, bepaalt: "De in 3° en 4° be-oogde misdrijven blijven bestaan, ook indien ze gepleegd worden door de dader of mededader van, respectievelijk de medeplichtige aan het misdrijf waaruit de zaken bedoeld in artikel 42, 3° voortkomen."

Artikel 505, tweede lid, eerste zin, Strafwetboek, zoals gewijzigd met de wet van 10 mei 2007 en in werking getreden op 1 september 2007, bepaalt: "De in het eerste lid 3° en 4° genoemde misdrijven bestaan, indien de dader ervan ook dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3° voortkomen."

Hij die dader, mededader of medeplichtige is van het misdrijf waaruit de zaken genoemd in artikel 42, 3°, Strafwetboek voortkomen, kan dader zijn van het door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf met betrekking tot de zaken genoemd in artikel 42, 3°, Strafwetboek.

13. Het arrest oordeelt dat de daders van het eventuele basismisdrijf niet tegelij-kertijd dader kunnen zijn van het daaropvolgende witwasmisdrijf. Het verklaart op die grond eisers klacht met burgerlijkepartijstelling niet ontvankelijk. Aldus schendt het arrest artikel 505, tweede lid, Strafwetboek.
Het middel is gegrond.

Overige grieven

14. De overige grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.
Bepaalt de kosten op 146,38 euro waarvan 111,38 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Noot: 

P. Waeterinckx, Witwassen, Hoe gekende regels en rechtspraak toch occassioneel nog voor problemen kunnen zorgen, RABG, 2013/8, 473.

Dit arrest is ook te lezen online op de website van RW en in verkorte vorm in RW 2013-2014, 544.

zie ook Cassatie 10/02/2015, juridat

samenvatting

Uit de tekst van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het door deze bepaling bedoelde witwasmisdrijf steeds een voortdurend misdrijf is gebleven, dat ontstaat bij het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken en dat blijft voortduren zolang de dader die elementen verheelt of verhult, mits hij bij de aanvang van zijn handelen de illegale oorsprong van de verheelde of verhulde zaken kende of moest kennen (1). (1) Cass. 22 januari 2013, AR P.12.1545.N, AC 2013, nr. 45; zie D. LIBOTTE en H. VAN BAVEL, “Het wel en wee van het witwasmisdrijf”, T. Straf. 2007, 345-372.

Tekst arrest

Nr. P.14.1710.N
PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN,
eiser,
tegen
D I,
beklaagde,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 16 oktober 2014.
.
II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 21 tot 25 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat, aangezien het niet duidelijk is wanneer tijdens de in de telastlegging II bepaalde incriminatieperiode de feiten van wit-wassen zouden zijn gepleegd, de voor de verweerder meest gunstige datum van deze feiten te bepalen is op 12 mei 2004, dit is de startdatum van die incriminatie-periode; vervolgens oordeelt het arrest dat alle door eenheid van opzet verbonden feiten zijn verjaard; het arrest houdt echter geen rekening ermee dat de verweerder ook werd vervolgd wegens het witwasmisdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek; dat is een voortdurend misdrijf waarvan de strafrechter kan oordelen dat het voortduurt tot ten laatste de datum van de verwijzingsbeslissing, te dezen 8 november 2012; minstens dienden de appelrechters vast te stellen dat het misdrijf heeft voortgeduurd tot de einddatum van de algemene incriminatieperio-de zoals bepaald in de verwijzingsbeslissing, te weten 28 juli 2005, zodat de straf-vordering niet zou zijn verjaard wegens het tussenkomen van een stuitingsdaad op 25 maart 2010.

2. De raadkamer heeft de verweerder naar de vonnisrechter verwezen wegens twee telastleggingen van witwassen zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, namelijk wegens:

(I) het uitvoeren van bankverrichtingen op meerdere data tot 6 mei 2004 en de aankoop van een onroerend goed voor een bedrag van 170.799,91 euro op 11 mei 2004;

(II) de investering in of de renovatie van dat onroerend goed tussen 12 mei 2004 en 1 augustus 2005 voor ongeveer 60.000 euro, onder meer op 30 mei 2005 voor een bedrag van 10.534,61 euro, op 15 juni 2004 voor een bedrag van 16.000 euro en op 28 dan wel 29 juli 2005 voor een bedrag 29.750 euro.

3. Artikel 505, eerste lid, Strafwetboek, zoals ingevoerd met de wet van 7 april 1995 en in werking getreden op 10 mei 1995, bepaalt dat worden gestraft: "4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen."

Artikel 505, eerste lid, Strafwetboek, zoals gewijzigd met de wet van 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming, in werking getreden op 1 september 2007, bepaalt dat worden gestraft: "4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen."

4. Uit de tekst van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek en de wetsgeschie-denis ervan volgt dat het door deze bepaling bedoelde witwasmisdrijf steeds een voortdurend misdrijf is gebleven, dat ontstaat bij het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in ar-tikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken en dat blijft voortduren zolang de dader die elementen verheelt of verhult, mits hij bij de aanvang van zijn handelen de illegale oorsprong van de verheelde of verhulde zaken kende of moest kennen.

5. De appelrechters die oordelen zoals het middel vermeldt, gaan ervan uit dat het hier bedoelde misdrijf een aflopend misdrijf is en verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten op 140,97 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 12/05/2013 - 16:04
Laatst aangepast op: zo, 04/12/2016 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.