-A +A

Willekeurige vrijheidsberoving door politie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
din, 29/11/2011

Wederrechtelijke en willekeurige aanhouding is een ogenblikkelijk misdrijf, dat voltrokken is vanaf het ogenblik dat een persoon door dwang beroofd werd van de vrijheid om te gaan en te komen.

De wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding is een voortdurend misdrijf uit. Zowel de aanhouding als de gevangenhouding zijn onwettig wanneer ze niet voortvloeien uit een uitdrukkelijke wetsbepaling of als ze zonder naleving van de bij de wet gestelde vormen werden verricht.

De vrijheidsberoving door iemand die de bevoegdheden, die de wet hem toekent, overschrijdt, is wederrechtelijk. Het misdrijf vereist een bijzonder opzet, met name dient de dader gehandeld te hebben uit kwaadwilligheid of uit eigenzinnigheid, zonder op een wettelijke regel of voorschrift te kunnen steunen.

Het begrip willekeurige aanhouding en/of gevangenhouding impliceert dat de gezagsdrager willekeurig is opgetreden of in een gril heeft gehandeld, zonder zijn handeling te kunnen rechtvaardigen, of dat hij een zware fout heeft begaan op grond van een zodanig onverschoonbaar gebrek aan kennis dat het volslagen onwaarschijnlijk is.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/14
Pagina: 
1057
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Openbaar Ministerie / L.M., P.J.)

(Advocaten: Mr. T. Halsberghe, Mr. V. Vereecke)

Beklaagd om:

DE EERSTE EN DE TWEEDE

A. Als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt;

Bij inbreuk op de artikelen 66 en 147 van het Strafwetboek, als openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, te weten als inspecteurs van politie bij de lokale politie van (…), wederrechtelijk en willekeurig een persoon aangehouden en gevangen gehouden te hebben, namelijk B.A., te (…) op 11 januari 2010;

DE EERSTE

B. Bij inbreuk op de artikelen 398, 1ste lid en 266 van het Strafwetboek, opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan B.A., met de omstandigheid dat hij, buiten het geval dat de wet de straffen wegens misdaden of wanbedrijven door openbare officieren of ambtenaar gepleegd in het bijzonder regelt, als openbaar officier of ambtenaar, namelijk als inspecteur van politie bij de lokale politie van (…), zich schuldig te hebben gemaakt aan een ander wanbedrijf welke hij gelast was te voorkomen of vast te stellen, ten nadele van B.A.,

te (…) of te (…) op 11 januari 2010;

Gelet op de dagvaarding aan de gedaagden betekend;

Gezien de stukken van de bundel;

(…)

I. OP STRAFGEBIED
l. Enkele feitelijke gegevens
In de nacht van 11 januari 2010, omstreeks 03.00 uur, werd een ploeg van de politiezone Kouter. opgeroepen om zich te begeven naar (…), ingevolge de melding van de bewoners van de alleenstaande woning aldaar. Bij deze bewoners had even voordien een jongeman aangebeld om water te vragen om zijn gezicht te spoelen, hetgeen de bewoners verdacht vonden. Het betreft een landelijke omgeving en op het tijdstip van de feiten vroor het. Ter plaatse gekomen, troffen de politiediensten de zich noemende A.B. aan in de (…)straat.

Volgens het eerste relaas van A.B. werd hij daar afgezet door de politie Oostende nadat hij geboeid was weggevoerd uit Oostende, en werd hij met een product in de ogen gespoten vooraleer hij gelost werd, waarna hij bij een woning aanbelde om water te vragen gelet op de irritatie aan zijn ogen.

Uit de door betrokkene op 11 januari 2010 om 9.10 uur eigenhandig geschreven verklaring en uit zijn verhoor met tolk diezelfde dag om 12.05 uur blijkt onder meer dat hij de voorbije nacht, samen met een vriend, gepoogd had in te breken in een apotheek in Oostende waarbij het alarm was afgegaan en waarna hij in de buurt van de apotheek werd opgepakt, geboeid werd weggebracht in een politiecombi, type lichte bestelwagen, een tijdje werd rondgereden, volgens betrokkene met het oog op het aantreffen van zijn kompaan, en hij ten slotte een zevental kilometer buiten de stad uit de combi werd gezet waarbij hij nog eens grondig gefouilleerd werd, de jongste politieman hem de boeien afdeed waarop hij hem bedankte, hij vervolgens de oudere politieman eveneens wou bedanken waarop deze laatste hem met een pepperspray in de ogen spoot, en hem toeriep:

“Cours, cours, …” Nog volgens zijn relaas liep hij daarop weg en belde hij aan bij een woning om water te vragen om zijn ogen te spoelen, hetgeen hem werd gegeven, waarna hij terug richting Oostende wandelde en even later werd opgepakt door de politiemensen van de politiezone Kouter. A.B. gaf tevens een persoonsbeschrijving van de beide politiemensen, waarbij hij onder meer verklaarde dat het een jongere en een oudere politieman, met snor en 2 ringen, betrof.

Bij verder onderzoek bleek inderdaad een poging tot inbraak in een apotheek te Oostende te zijn geweest tijdens de voorbije nacht waarvoor A.B. in aanmerking kwam. Er werd verder onderzoek gevoerd waarbij, gelet op de door het slachtoffer gegeven persoonsbeschrijvingen, onmiddellijk een sterk vermoeden rees dat beide gedaagden de politiemensen waren waarvan sprake in de verklaring van het slachtoffer. Tijdens het onderzoek vonden contacten plaats tussen de diensten Intern Toezicht, van de politiezone Kouter en de politiezone Oostende, en werden onderzoeksdaden verricht zo onder meer nazicht van de dienstdoende politiemensen en een analyse van de politionele tussenkomsten de nacht van de feiten, nazicht van de gemelde aanhoudingen de nacht van de feiten, nazicht van de verplaatsingen van het dienstvoertuig van beklaagden tijdens de nacht van de feiten, een zoeking naar de pepperspray, de organisatie van een line-up, herverhoor van het slachtoffer, een onderzoek door de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie met onder meer verhoren van beklaagden en verder nazicht van de verplaatsingen van het politievoertuig van beklaagden de nacht van de feiten.

2. Beoordeling
(…)

Het staat op grond van die voormelde gegevens, samen gelezen, voor de rechtbank dan ook zonder enige twijfel vast dat eerste en tweede beklaagden in de nacht van 11 januari 2010 het slachtoffer van zijn vrijheid hebben beroofd, en hem hebben gevangen gehouden om hem vervolgens in het Schorregebied af te zetten.

Dat de aanhouding, minstens de gevangenhouding van het slachtoffer in deze omstandigheden wederrechtelijk en willekeurig was, en derhalve een strafbare handeling uitmaakt zoals voorzien onder tenlastelegging A, is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk, en dit in weerwil van hetgeen ter zake voor de tweede beklaagde tijdens de behandeling ter zitting van 18 oktober 2010 en in de ter zitting neergelegde conclusies werd uiteengezet.

Waar de wederrechtelijke en willekeurige aanhouding een ogenblikkelijk misdrijf uitmaakt, dat voltrokken is vanaf het ogenblik dat een persoon door dwang beroofd werd van de vrijheid om te gaan en te komen, maakt de wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding, een voortdurend misdrijf uit. Zowel de aanhouding als de gevangenhouding zijn onwettig wanneer ze niet voortvloeien uit een uitdrukkelijke wetsbepaling of als ze zonder naleving van de bij de wet gestelde vormen werden verricht. De vrijheidsberoving door iemand die de bevoegdheden, die de wet hem toekent, overschrijdt, is wederrechtelijk. Het misdrijf vereist een bijzonder opzet, met name dient de dader gehandeld te hebben uit kwaadwilligheid of uit eigenzinnigheid, zonder op een wettelijke regel of voorschrift te kunnen steunen (zie nuttig: A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 2010, nr. 16 en Th. Denys, “Onrechtmatige en willekeurige vrijheidsberoving: strafsancties”, Comm.Strafr., afl. 44). Het begrip willekeurige aanhouding en/of gevangenhouding impliceert dat de gezagsdrager willekeurig is opgetreden of in een gril heeft gehandeld, zonder zijn handeling te kunnen rechtvaardigen, of dat hij een zware fout heeft begaan op grond van een zodanig onverschoonbaar gebrek aan kennis dat het volslagen onwaarschijnlijk is (zie nuttig: Cass. 26 september 1990, RW 1991-92, 186 e.v.). Uit de voorbereidende parlementaire besprekingen blijkt eveneens dat de term 'willekeurig' beoogt de gezagsdragers te beschermen tegen een strafbaarstelling wanneer zij een aanhouding en/of gevangenhouding zouden verrichten zonder volkomen kennis van de gepleegde onregelmatigheid. Met andere woorden, de gezagsdrager is slechts strafbaar als hij volkomen kennis had van de wederrechtelijkheid van zijn handeling en deze handeling toch effectief wilde verrichten (zie nuttig: B. Spriet en Chr. D'Haese, “Het misdrijf van wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving” (noot bij Cass. 26 september 1990), RW 1991-92, 188 e.v.)

In de zaak die thans ter beoordeling voorligt, blijkt dat zo niet al de aanhouding ab initio, dan minstens de verdere gevangenhouding vanaf een welbepaald moment niet (langer) als finaliteit had het nemen van bestuurlijke (zoals bv. het controleren van de identiteit van het slachtoffer of andere uit te voeren maatregelen in het kader van de vreemdelingenwetgeving), dan wel gerechtelijke maatregelen (in het kader van een vastgesteld misdrijf), en dat de beklaagden zich wel degelijk bewust waren van het voormeld gebrek aan enige bestuurlijke dan wel gerechtelijke finaliteit, zodat de aanhouding, minstens de verdere gevangenhouding van het slachtoffer vanaf dat moment manifest wederrechtelijk en willekeurig was, zoals bedoeld in de wet. Dat dit eerder van korte duur is geweest, doet niets af aan de strafbaarheid van deze handeling.

Het ontbreken van enige bestuurlijke of gerechtelijke finaliteit bij de aanhouding, minstens vanaf een welbepaald moment bij de verdere gevangenhouding, en bijgevolg het wederrechtelijk en willekeurig karakter van de aanhouding, minstens de gevangenhouding, blijkt onder meer uit volgende elementen:

het ontbreken van enige melding met betrekking tot de verrichte vrijheidsberoving aan de ter zake bevoegde officier van politie;
het ontbreken van enig radiobericht uitgaande van beklaagden dat een verdachte werd opgepakt;
het slachtoffer werd niet naar het politiebureel gebracht hetgeen bij een volgehouden bestuurlijke dan wel gerechtelijke finaliteit van de vrijheidsberoving zoals in casu normalerwijze het logische gevolg zou zijn;
het slachtoffer werd evenmin onmiddellijk in vrijheid gesteld vanaf het moment dat beklaagden beslisten hem niet naar het politiebureel te brengen hetgeen blijkt uit het feit dat beklaagden zich met het slachtoffer eerst verder verwijderden van de plaats waar ze hem van zijn vrijheid beroofd hadden alsook van het politiebureel en dat ze met hem naar een afgelegen plaats reden, meer dan zes kilometer verder;
daaruit blijkt dat, zelfs al zou de aanhouding aanvankelijk nog om bestuurlijke dan wel gerechtelijke redenen zijn gebeurd, hetgeen evenwel door geen van beide beklaagden wordt verklaard, beklaagden minstens op een welbepaald moment beslisten het slachtoffer verder van zijn vrijheid te beroven om hem in vrij verlaten gebied te kunnen afzetten terwijl de bestuurlijke of gerechtelijke finaliteit in hun hoofde al niet meer aanwezig was;
waar het de rechtbank zonder enige twijfel bewezen voorkomt dat beklaagden het slachtoffer wel degelijk hebben aangehouden en gevangen gehouden in de nacht van 11 januari 2010, werd en wordt dit door beklaagden ontkend;
het komt de rechtbank eigenaardig voor dat beide beklaagden dit zouden ontkennen indien de aanhouding zowel als de gevangenhouding niet wederrechtelijk en niet willekeurig was;
gelet op de hoger geschetste omstandigheden blijkt genoegzaam dat beklaagden zich van de onrechtmatigheid van de (verdere) vrijheidsberoving van het slachtoffer bewust waren.
Dat de strafbaarstelling in casu ook zou vereisen dat het slachtoffer zelf onmiddellijk de vrijheidsberoving als onrechtmatig heeft ervaren, zoals voorgehouden voor tweede beklaagde in besluiten, blijkt niet uit de lezing van artikel 147 van het Strafwetboek. De specifieke omstandigheden waarbij het slachtoffer hier net voor zijn vrijheidsberoving zelf een misdrijf had gepleegd en veronderstelde naar aanleiding van dit misdrijf te zijn opgepakt en verder gevangen gehouden, doet niets af aan het vervuld zijn van alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf zoals voorzien onder tenlastelegging A.

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling van de zaak ter zitting blijkt dan ook genoegzaam dat de feiten voorwerp van de tenlastelegging A, lastens beklaagden bewezen zijn.

(…)

Alles wat voorafgaat werd, overeenkomstig de bepalingen van de wet op het gebruik der talen, in het Nederlands behandeld.

 

Noot: 

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 2010, nr. 16

• Th. Denys, “Onrechtmatige en willekeurige vrijheidsberoving: strafsancties”, Comm.Strafr., afl. 44

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 08:55
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 08:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.