-A +A

Willekeurig ontslag - Bewijs ontslagmotief - Discriminatie op grond van huidige of toekomstige gezondheidstoestand

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidsrechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 21/03/2016

Met toepassing van artikel 63, eerste lid van de arbeidsovereenkomstenwet wordt onder willekeurig ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die aangeworven is voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, instelling of dienst.

Artikel 63, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat het bij betwisting aan de werkgever behoort het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen reden.

Wanneer de werkgever het bestaan aantoont van een wettige reden voor zijn beslissing tot ontslag is er geen willekeurig ontslag (vgl. Arbh. Luik 19 december 1984, TSR 1985, 466).

Wanneer de werkgever niet het bestaan aantoont van een wettige reden voor zijn beslissing tot ontslag is er wel willekeurig ontslag (vgl. Cass. 18 juni 2001, JTT 2001, 406).

De werkgever die moet bewijzen dat het ontslag niet willekeurig is, is niet gebonden door de reden tot ontslag opgegeven in het werkloosheidsbewijs C4. De werkelijke reden tot ontslag mag met alle wettelijke middelen worden bewezen (vgl. Arbh. Gent 5 maart 1997, JTT 1997, 433; Arbh. Luik 12 maart 1997, JTT 1997, 431).

De afwezigheid van een schriftelijke vermaning voorafgaand aan het ontslag volstaat op zich niet om te oordelen dat de werkgever geen enkele reden had om ontevreden te zijn over de werknemer (vgl. Arbh. Brussel 14 oktober 1991, Soc.Kron. 1993, 63, noot J.C.B.).

De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de voorgelegde feiten en kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen een onderzoeksmaatregel bevelen, (vgl. Cass. 4 maart 1985, Soc.Kron. 1985, 140).

In een arrest van 22 november 2010 heeft het Hof van Cassatie beslist dat een ontslag dat effectief berust op het gedrag van een werknemer toch willekeurig kan worden verklaard wanneer het kennelijk ongerechtvaardigd is. Het komt toe aan de bodemrechters om vast te stellen of de beslissing van de werkgever om de arbeider op basis van de ingeroepen grond te ontslaan, legitiem is.

De feitenrechter oordeelt niet enkel of het gedrag dat ingeroepen werd als reden voor het ontslag, ook de werkelijke reden was. Hij gaat bovendien ook na of het ontslag wel een legitiem gevolg is van het gedrag of de geschiktheid van de werknemer.

Het ontslag dat gegeven wordt gebaseerd op de geschiktheid of het gedrag van de arbeider is willekeurig wanneer het motief “kennelijk onredelijk” is. Er moet dus een legitieme reden bestaan om tot het ontslag over te gaan.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
212
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(I.M. / L.M.A.A. NV)

1. De rechtspleging en procedurevoorgaanden
Gezien de stukken, gevoegd in het dossier van de rechtspleging waaronder:

(…)

Gelet op de overige stukken van het dossier.

2. De vordering
Met inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 19 mei 2014, vordert de heer M.:

- de veroordeling van L.M.A.A. NV tot betaling van volgende bedragen:

16.396,18 EUR: vergoeding wegens willekeurig ontslag;
16.396,18 EUR: schadevergoeding wegens discriminatie o.b.v. huidige gezondheidstoestand;
ondergeschikt een beschermingsvergoeding wegens ontslag verband houdende met aanvraag tijdskrediet of een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht;
508,28 EUR: saldo verbrekingsvergoeding;
19,58 EUR: vakantiegeld op feestdagenloon,
te vermeerderen met de wettelijke interesten op de voormelde bedragen vanaf de respectieve vervaldata tot heden en de gerechtelijke interesten vanaf heden tot op de dag van algehele betaling;

(…)

3. Feiten
De heer M. trad op 8 oktober 2003 als arbeider in dienst van L.M.A.A. NV met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.

Volgens de uiteenzetting van de NV verschijnt de heer M. op 11 juli 2013 niet op de werf. De NV houdt voor dat de ploegbaas de heer M. telefonisch trachtte te bereiken.

Op 11 juli 2013 omstreeks 14 uur brengt de heer M. een attest van werkonbekwaamheid binnen.

De heer M. is arbeidsongeschikt van 11 juli 2013 tot en met 19 juli 2013.

De NV houdt voor dat op dat ogenblik de ontslagbeslissing reeds was genomen. De NV houdt tevens in besluiten voor dat het ontslag genomen is om economische redenen. De heer M. is van mening dat het ontslag het gevolg is van de arbeidsongeschiktheid.

Met deurwaardersexploot van 11 juli 2013 beëindigde L.M.A.A. NV de arbeidsovereenkomst met de heer M. met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 28 kalenderdagen.

Op het formulier C4 werd als reden voor de werkloosheid vermeld:

“contractverbreking - economische redenen”.

Op 19 mei 2014 legt de raadsman van de heer M. het inleidende verzoekschrift neer op de griffie van deze arbeidsrechtbank.

Bij vonnis van 21 december 2015 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk, en beval, alvorens verder te oordelen over de gegrondheid van de vordering, een heropening der debatten.

De door de rechtbank bevolen heropening der debatten was er in essentie op gericht om het Openbaar Ministerie kennis te laten nemen en advies te verlenen in het licht van de door de heer M. gevorderde schadevergoeding uit hoofde van de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007.

4. Bespreking
4.1. Toelaatbaarheid
De toelaatbaarheid van de vordering van de heer M. wordt niet betwist. De rechtbank stelt geen middelen van niet-toelaatbaarheid vast die ambtshalve dienen te worden opgeworpen, zodat zijn eis toelaatbaar is. De vordering werd tijdig en regelmatig ingesteld.

4.2. Ten gronde
Willekeurig ontslag
Volgens de NV is het ontslag niet willekeurig daar het verband houdt met zowel de noodwendigheden als het gedrag van de heer M.

De heer M. van zijn kant is van oordeel dat de NV niet het bewijs levert van haar stelling dat hij werd ontslagen wegens economische redenen, dat zij tevens niet bewijst dat zijn werkattitude te wensen overliet en dat hij vaak niet gemotiveerd was.

Willekeurig ontslag bewijs
Met toepassing van artikel 63, eerste lid van de arbeidsovereenkomstenwet wordt onder willekeurig ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die aangeworven is voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, instelling of dienst.

Artikel 63, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat het bij betwisting aan de werkgever behoort het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen reden.

Wanneer de werkgever het bestaan aantoont van een wettige reden voor zijn beslissing tot ontslag is er geen willekeurig ontslag (vgl. Arbh. Luik 19 december 1984, TSR 1985, 466).

Wanneer de werkgever niet het bestaan aantoont van een wettige reden voor zijn beslissing tot ontslag is er wel willekeurig ontslag (vgl. Cass. 18 juni 2001, JTT 2001, 406).

De werkgever die moet bewijzen dat het ontslag niet willekeurig is, is niet gebonden door de reden tot ontslag opgegeven in het werkloosheidsbewijs C4. De werkelijke reden tot ontslag mag met alle wettelijke middelen worden bewezen (vgl. Arbh. Gent 5 maart 1997, JTT 1997, 433; Arbh. Luik 12 maart 1997, JTT 1997, 431).

De afwezigheid van een schriftelijke vermaning voorafgaand aan het ontslag volstaat op zich niet om te oordelen dat de werkgever geen enkele reden had om ontevreden te zijn over de werknemer (vgl. Arbh. Brussel 14 oktober 1991, Soc.Kron. 1993, 63, noot J.C.B.).

De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de voorgelegde feiten en kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen een onderzoeksmaatregel bevelen, (vgl. Cass. 4 maart 1985, Soc.Kron. 1985, 140).

In een arrest van 22 november 2010 heeft het Hof van Cassatie beslist dat een ontslag dat effectief berust op het gedrag van een werknemer toch willekeurig kan worden verklaard wanneer het kennelijk ongerechtvaardigd is. Het komt toe aan de bodemrechters om vast te stellen of de beslissing van de werkgever om de arbeider op basis van de ingeroepen grond te ontslaan, legitiem is.

De feitenrechter oordeelt niet enkel of het gedrag dat ingeroepen werd als reden voor het ontslag, ook de werkelijke reden was. Hij gaat bovendien ook na of het ontslag wel een legitiem gevolg is van het gedrag of de geschiktheid van de werknemer.

Het ontslag dat gegeven wordt gebaseerd op de geschiktheid of het gedrag van de arbeider is willekeurig wanneer het motief “kennelijk onredelijk” is. Er moet dus een legitieme reden bestaan om tot het ontslag over te gaan.

De NV voert aan dat de heer M. ontslagen werd daar de NV genoodzaakt was over te gaan tot ontslag wegens de economische terugval.

Bij de keuze van het ontslag viel de beslissing ten nadele van de heer M. die volgens de NV niet meer goed functioneerde, en door zijn negatieve houding de werksfeer aantastte.

Als bewijs hiervan brengt de NV een aantal stukken bij onder meer de resultatenrekeningen waaruit de omzetdalingen blijken.

In de mate dat de NV zich niet enkel beroept op de noodwendigheden van de onderneming doch ook op het gedrag van de heer M., moet dit als zelfstandig ontslagmotief worden onderzocht.

Tevens houdt de NV voor dat de heer M. niet meer gemotiveerd was.

Voor wat de negatieve houding van de heer M. betreft worden een aantal geschreven verklaringen overgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank moet met dergelijke verklaringen voorzichtig worden omgesprongen, doch is het de rechtbank die uiteindelijk oordeelt of aan deze verklaringen enige bewijskracht kan worden toegekend.

In voorliggende betwisting is dit het geval. De verklaringen zijn niet voorgeschreven of gedicteerd door de werkgever, doch opgesteld in de eigen bewoordingen van diegene die ze heeft geschreven. Zij zijn niet tegenstrijdig met elkaar en uit niets blijkt dat de werknemer er belang bij heeft een verklaring in de één of de andere zin af te leggen.

Bijgevolg mag worden aanvaard dat deze feiten die door de NV worden aangevoerd en die te maken hebben met het gedrag van de heer M. op afdoende wijze werden aangetoond.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze stukken op voldoende wijze het bewijs van de motivatie en houding van de heer M.

Het is bijgevolg niet nodig om in te gaan op het door de NV in ondergeschikte orde geformuleerde aanbod van het bewijs met getuigen.

De bewezen feiten dienen beoordeeld te worden op het ogenblik van het ontslag en de NV dient aan te tonen dat de bewezen feiten de determinerende reden waren voor het ontslag van de heer M.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de NV hiervan op voldoende wijze dit bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat de NV aan de hand van de door haar voorgebrachte verklaringen en stukken afdoende aantoont dat zij de heer M. niet op willekeurige wijze ontsloeg en dat het ontslag daarentegen te wijten was aan economische redenen en aan zijn gedrag en zijn werkinstelling.

Schadevergoeding wegens discriminatie
Artikel 28, § 1. Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie op grond van een van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest.

§ 2. Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op grond van een beschermd criterium kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen:

de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een welbepaald beschermd criterium; onder meer verschillende, los van elkaar staande bij het Centrum of een van de belangenverenigingen gedane meldingen; of
de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstigere behandeling, vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon.
§ 3. Onder feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op grond van een beschermd criterium kunnen doen vermoeden, wordt onder andere, doch niet uitsluitend, begrepen:

algemene statistieken over de situatie van de groep waartoe het slachtoffer van de discriminatie behoort of feiten van algemene bekendheid; of
het gebruik van een intrinsiek verdacht criterium van onderscheid; of
elementair statistisch materiaal waaruit een ongunstige behandeling blijkt.
De heer M. houdt voor dat er discriminatie is op basis van zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand alleen omdat hij op de dag van zijn ontslag een ziekteattest heeft neergelegd.

De heer M. heeft namelijk onvoldoende feiten aangevoerd die het bestaan van een discriminatie doen vermoeden.

Nu de wettelijke voorwaarden voor de omkering van de bewijslast ten nadele van de van discriminatie beschuldigde partij niet vervuld blijken te zijn, impliceert zulks dat de bewijslast van de inbreuk op de antidiscriminatiewet die de heer M. aan de NV verwijt, hier concreet bij toepassing van de gemeenrechtelijke regels inzake bewijslast en -levering (cf. art. 870 Ger.W. en 1315 BW) bij de heer M. berust.

Het simpelweg aanvoeren of poneren door de heer M. van een beweerde inbreuk door de NV op de bepalingen van de antidiscriminatiewet volstaat alsdan niet.

Men kan als werknemer de werkgever wel beschuldigen van een inbreuk op de antidiscriminatiewetgeving, maar op zich volstaat het simpelweg poneren van een dergelijke beschuldiging niet als bewijs van de realiteit ervan.

De heer M. slaagt er niet in het bewijs te leveren van enige discriminatie in hoofde van de NV.

De vordering in betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden loon is dan ook ongegrond.

Beschermingsvergoeding wegens ontslag verband houdende met het tijdskrediet
(…)

5. Uitspraak
De arbeidsrechtbank heeft over de zaak beraadslaagd en doet recht op tegenspraak.

Zij verklaart de vordering van de heer M. toelaatbaar en deels gegrond in de hiernavolgende mate.

Zij veroordeelt L.M.A.A. NV tot betaling aan de heer M. van een bedrag van 78,56 EUR als bijdrage maaltijdcheques, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen.

(…)

Noot: 

Lietaert, B., « Schriftelijke verklaringen van de 21ste eeuw », R.A.B.G., 2017/3, p. 217-221

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 19:35
Laatst aangepast op: di, 18/07/2017 - 19:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.