-A +A

Wijziging van persoonlijk onderhoudsgeld na EOT niet toepasselijkheid Beperking tot een derde van de inkomsten van de onderhoudsschuldenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 25/11/2016
A.R.: 
C.16.0077.N

De rechter die niettegenstaande de verbindende kracht van de aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaande overeenkomst die is gesloten vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, de in die overeenkomst vastgestelde onderhoudsuitkering op vordering van een van de partijen herziet, op grond dat de weigering van de andere partij om de onderhoudsuitkering te herzien rechtsmisbruik uitmaakt, is daarbij niet gebonden door de in artikel 301, § 4, (oud) Burgerlijk Wetboek bepaalde een-derde-regel

(Art. 301 BW zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, art. 7; zie ook Cass. 12 april 2010, AR C.09.0279.F, AC 2010, nr. 250 en Cass. 20 april 2006, AR C. 03.0084.N, AC 2006, nr. 226.)

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1050
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L.D. t/ M.V.D.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 13 oktober 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 301, § 4 (oud) BW dat bepaalt dat het bedrag van de uitkering in geen geval hoger mag zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot, is niet van toepassing op de vaststelling van de onderhoudsuitkering tussen ex-echtgenoten in de overeenkomst die aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaat zoals bedoeld in art. 1288, eerste lid, 4o Ger.W.

2. De rechter die, niettegenstaande de verbindende kracht van de aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaande overeenkomst die is gesloten vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, de in die overeenkomst vastgestelde onderhoudsuitkering op vordering van een van de partijen herziet, op grond dat de weigering van de andere partij om de onderhoudsuitkering te herzien rechtsmisbruik uitmaakt, is daarbij niet gebonden door de in art. 301, § 4 (oud) BW bepaalde een-derde-regel.

Het onderdeel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

...

VOORZIENING IN CASSATIE

 

VOOR: De heer L. G. D.,

Eiser tot cassatie, 

 

TEGEN: Mevrouw M. F. V. D. V.,

Verweerster in cassatie,

 

 

Aan de Heer Eerste Voorzitter, aan de Dames en Heren Voorzitters, aan de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Heren en Dames,

Eiser heeft de eer om het vonnis, dat op 13 oktober 2015 op tegenspraak tussen partijen werd gewezen door de MB1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, sectie burgerlijke rechtbank (A.R. 14/1194/A) aan Uw toezicht te onderwerpen.

DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Op 2 juni 1988 traden eiser en verweerster in het huwelijk voor de Ambte-naar van de Burgerlijke Stand te Nijlen. Bij gebreke aan huwelijkscontract, trouwden zij onder het wettelijk stelsel. Uit het huwelijk kwamen geen kinderen voort.

2. Bij aanvang van het huwelijk richtte eiser de naamloze vennootschap LOZE BAREEL op. Naderhand werd eiser werknemer bij de naamloze vennootschap ANTWERP COATING & INSULATION COMPANY tot diens vijftigste, alwaar hij indu-strieschilderwerken uitvoerde.

3. Op 4 februari 2003 werd tussen eiser en verweerster een regelingsakte echtscheiding in onderlinge toestemming verleden door de notaris Jacques VER-NIMMEN te Nijlen (hierna "EOT regelingsakte"). In de EOT regelingsakte voor-zagen de partijen, onder andere, het volgende:

D. ONROERENDE GOEDEREN

1. Eigen onroerend goed

Het onroerend goed te N., ... dat persoonlijk toebehoort aan dhr. D. blijft zijn persoonlijke eigendom.

Mevrouw V. D. V. M. behoudt het woonrecht ten persoonlijke titel, en dit levenslang en ten kosteloze titel, om het alleen ter uitsluiting van alle andere person en te bewonen.

De onroerende voorheffing en de kosten van het buitenonderhoud zullen gedragen worden door dhr. D..

De volledige verzekering voor de inboedel, de verzekering tegen derden met betrekking tot de burgerlijke aansprakelijkheid, en de verzekering van het huis zijn ten laste van mevrouw V. D. V. M.

(...)

B. ONDERHOUDSUITKERING DOOR DE ENE ECHTGENOOT AAN DE ANDERE TE BETALEN

Tijdens de proefperiode en na het definitief worden van de echtscheiding zal de Heer Leo D. aan Mevrouw M. V. D. V. een onderhoudsuitkering betalen van duizend honderdvijftien euro tweeënvijftig cent (1.115,52 EUR) per maand, waarvan de formule voor aanpassing aan de kosten van le-vensonderhoud, de omstandigheden waaronder dit bedrag na de echt-scheiding kan worden herzien en de nadere bepalingen terzake als volgt worden vastgelegd.

Deze uitkering vervalt bij het overlijden van de Heer L. D.

Het bedrag van de uitkering blijft ongewijzigd zolang mevrouw M. V.D. V. van geen bijkomende inkomsten kan genieten. Al hetgeen zij gaat bekomen uit hoofde van beroepsaktiviteiten, pensioen en andere inkomsten worden van dit bedrag afgetrokken en in mindering gebracht in het voordeel van de heer L. D.

De uitkering is niet meer verschuldigd indien de vrouw hertrouwt of met een andere man samenwoont derwijze dal ze een gemeenschappelijke huishouding voeren; de inschrijving in het bevolkingsregister op een ander adres dan dat van de brouw bewijst niet dat er geen samenwoning noch gemeenschappelijke huishouding bestaat.
(...)

C. HERZIENING, AANPASSING, INDEXERING ONDERHOUDS-GELDEN

(...)

2. Geen andere wijzigingen

Partijen verklaren volledig te zijn ingelicht over de omstandigheid dat de regeling inzake uitkering na echtscheiding tussen hen louter conventioneel is, en dus niet kan worden gewijzigd wegens andere oorzaken dan degene waarvan uitdrukkelijk sprake is in deze overeenkomst.

4. Diezelfde datum werd mede een overeenkomst tussen eiser en verweerster afgesloten dat de meubelen in de gezinswoning te N., ... aan hen beiden in onver-deeldheid toekomen doch dat verweerster er haar leven gratis het gebruik van heeft. Ten tijde van het overlijden van de eerststervende zullen deze meubelen volledig toekomen aan de langstlevende.

5. Eiser en verweerster scheidden in onderlinge toestemming uit het echt bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 26 juni 2003. Het von-nis werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 29 juli 2003.

6. Destijds beschikte eiser over een maandelijks bruto-inkomen van 3.200 EUR per maand. Sedert de echtscheiding, werd, op 1 september 2006, de NV ANTWERP COATING & INSULATION COMPANY door de rechtbank van koophandel te Mechelen failliet verklaard. Daarnaast werd eiser op 28 juli 2008 vader van een dochter, L. I. D., waarvoor hij thans alleen de zorg draagt.

7. Vanaf 2009 kampt eiser met gezondheidsproblemen. Nadat er nierkanker werd vastgesteld en een nier werd verwijderd, werd hij vanaf 15 juli 2009 voor 100% werkongeschikt verklaard voor onbepaalde tijd. In 2011 onderging eiser eveneens een aantal overbruggingen. Vanaf 15 juli 2010 tot en met 30 september 2013 was eiser voor +66% invalide.

8. In navolging van zijn ziekte, verkreeg eiser van diens verzekering een uit-kering wegens loonverlies. Deze stelde, in combinatie met de mutualiteitsuitke-ring, hem initieel in staat om te voldoen aan zijn verplichtingen onder de EOT re-gelingsakte. Echter werden deze verzekeringsuitkeringen belast, waardoor eiser voor inkomstenjaar 2011 een bedrag van 15.133,28 EUR diende te betalen, en voor inkomstenjaar 2012 een bedrag van 11.789,25 EUR.

9. Op 28 september 2013 bereikte eiser de pensioengerechtigde leeftijd en sinds oktober 2013 ontvangt hij een maandelijks bruto pensioen als werknemer, ter waarde van 1.010,49 EUR, naast een bruto rustpensioen als zelfstandige ter waarde van 344,58 EUR. Gevolglijk beschikt eiser over een nettobedrag van 1.271,97 EUR per maand.

Daarnaast oefent hij tevens een mandaat uit als afgevaardigd doch onbezoldigd bestuurder van de NV LOZE BAREEL, waarvan de resultatenrekening per 31 de-cember 2013 echter een over te dragen verlies van 115.180,69 euro aanduidt.

Voor het overige, heeft eiser geen andere inkomsten.

10. Conform de overeenkomst tussen partijen in de EOT regelingsakte, be-woont verweerster thans kosteloos het onroerend goed gelegen aan de ..., te N., dat eigendom is van eiser. Zij ontvangt maandelijks een pensioen van 607,49 EUR.

In navolging van de EOT regelingsakte zou zij thans een onderhoudsuitkering van eiser ontvangen gelijk aan (1.413,72 - 607,49=) 806,23 EUR per maand. Deze onderhoudsuitkering werd evenwel op 12 februari 2014 om billijkheidsredenen en met akkoord van verweerster herleid naar 540,11 EUR per maand.

11. Op 3 oktober 2013 werd eiser door het Openbaar Centrum Maatschappe-lijk Welzijn (OCMW) te Nijlen aangeschreven tot betaling van de onderhoudsbij-drage aan verweerster. Hij is de betaling van het onderhoudsgeld voor de maan-den december 2012, mei 2013 en september 2013 verschuldigd.

12. In de repliek aan het OCMW van de raadsman van eiser van november 2013 wijst deze laatste op de mensonwaardige omstandigheden waarin het onder-houdsgeld zou worden opgeëist.

13. Op 31 januari 2014 en 10 februari 2014 werd eiser in gebreke gesteld.

Eiser betwistte de ingebrekestellingen in diens schrijven van 5 februari 2014 en van 10 februari 2014.

14. Eiser legde op 26 februari 2014 ter griffie van het vredegerecht te Lier een verzoekschrift neer met het oog op de afschaffing van de onderhoudsbijdrage zo-als bepaald in de EOT regelingsakte wegens de substantiële wijziging van de in-komsten van de partijen sedert 1 januari 2011.

De vrederechter verklaarde de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

15. Op 26 september 2014 legde eiser een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen. De vorderingen van eiser waren de volgende:

- De vordering van eiser ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dien-volgens te zeggen voor recht dat de clausule in de notariële regelings-akte, voorafgaand echtscheiding door onderlinge toestemming, verle-den in datum van 4/02/2003 voor Notaris VERNIMMEN nietig te verkla-ren en te zeggen voor recht dat de onderhoudsbijdrage zoals bepaald in de EOT-akte dd. 4/02/2003 wordt afgeschaft in hoofde van eiser, en dit sedert de substantiële wijziging van hun inkomsten, zijnde voor eiser sedert 1/11/2011.

- In ondergeschikte orde, indien de rechtbank zou oordelen dat de pensi-oengegevens van verweerster niet zouden kunnen weerhouden worden, meent eiser dat - gelet op de gratis woonst van verweerster - slechts maximaal 1/3 van zijn pensioengegevens kan weerhouden worden, re-kening houdend met de pensioengegevens van verweerster die hiervan in mindering dienen gebracht te worden.
16. Verweerster verzocht de rechtbank de vorderingen van eiser ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

17. Kamer MB-1 van de sectie burgerlijke rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg beschikte in haar vonnis d.d. 13 oktober 2015, als volgt:

"Het hoger beroep van [eiser] is ontvankelijk en gegrond als volgt, doch ongegrond en afgewezen voor het overige;
Het bestreden vonnis wordt hervormd en de rechtbank doet opnieuw uit-spraak over de vordering van [eiser] als volgt:

Er wordt voor recht gezegd dat de onderhoudsuitkering te betalen door [eiser] aan [verweerster] wordt bepaald op vijfhonderd euro (500,00 euro) per maand vanaf 1 maart 2014;

Er wordt voor recht gezegd dat deze onderhoudsuitkering gekoppeld wordt aan de index van de consumptieprijzen, met als spilindex het 'indexcijfer van de maand februari 2014, met dien verstande dat deze uitkering jaarlijks op 1 januari aan het gewijzigd indexcijfer zal aangepast worden als volgt:

De basisonderhoudsuitkering wordt vermenigvuldigd met het indexcijfer van twee maand voor de aanpassing en gedeeld door het spilindexcijfer;
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen als ongegrond".

Tegen voormeld vonnis voert eiser volgende grieven aan:

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- Artikel 149 van de Grondwet;

- Artikel 301 (vóór de wijziging ervan door artikel 7 van de wet van 27 april 2007) van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het aangevochten vonnis verwerpt het middel van eiser, gesteund op rechtsmis-bruik, tot volledige afschaffing van de onderhoudsuitkering, daar waar eiser we-gens ingrijpende gewijzigde omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zijn vroeger verdienvermogen niet heeft kunnen handhaven, op grond van de volgende motieven:

"4.

Gelet op voorgaande gegevens in samenhang beschouwd is de rechtbank van oordeel dat de houding van [verweerster], door vast te houden aan de uitvoering van de regelingsakte en een herziening van de onderhoudsuitkering te weigeren, daar waar [eiser] wegens ingrijpende gewijzigde omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zijn vroeger verdienvermogen niet heeft kunnen handhaven, misbruik van recht uitmaakt.

Gelet op de daling van de inkomsten van [eiser] ingevolge omstandigheden onaf-hankelijk van zijn wil (in het bijzonder de hoger geschetste gezondheidsproblemen waardoor hij noodgedwongen vroeger dan voorzien terugviel op een pensioen) weegt de onderhoudsuitkering (806,23 euro) enorm zwaar door op zijn inkomsten (1.272,90 euro). Hierdoor houdt hij een inkomen over van 466,67 euro/maand, wat lager is dan het leefloon van een alleenstaande (in september 2015 bedroeg dit leefloon 833,71 euro/maand).

De onderhoudsbijdrage die conventioneel verschuldigd is, maakt thans 63,33% uit van het inkomen van [eiser]. Zelfs los van de kinderlast van [eiser] (waarmee de rechtbank voor de beoordeling van zijn situatie geen rekening houdt omdat dit aspect wel toerekenbaar is aan [eiser]) is het duidelijk dat een inkomen van 466,67 euro/maand onvoldoende is voor een alleenstaande man met gezondheids-problemen en deze inkomsten hem niet de mogelijkheid geven om een menswaar-dig bestaan te leiden zoals gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet.

Door de uitoefening van het recht door [verweerster] is het voordeel voor haar disproportioneel met het nadeel van [eiser], wiens recht op een menswaardig leven wordt miskend, en is er sprake van rechtsmisbruik. Dit geldt des te meer nu [verweerster] in het verleden wel akkoord bleek met een herleiding van het bedrag van de onderhoudsuitkering naar 540,11 euro/maand.

Op grond van rechtsmisbruik is er dan ook aanleiding om de onderhoudsuitkering - teneinde tot een normale uitoefening van het subjectieve recht te komen - niet af te schaffen, maar wel om deze te verminderen tot een (vast, d.w.z. ongeacht de omvang van de pensioeninkomsten van [verweerster]) maandelijks bedrag van 500,00 euro/maand, geïndexeerd volgens de formule zoals hierna bepaald.
Gelet op de datum van neerlegging van het gedinginleidend verzoekschrift gaat de vermindering in vanaf 1 maart 2014" (aangevochten vonnis, pp. 7-8).

Grieven

Eerste onderdeel

Eiser en verweerster scheidden in onderlinge toestemming uit het echt bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 26 juni 2003. Voorafgaande-lijk aan deze echtscheiding werd tussen eiser en verweerster een regelingsakte echtscheiding in onderlinge toestemming op 4 februari 2003 verleden door de no-taris Jacques VERNIMMEN.

Bijgevolg is oud artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wetswijziging door artikel 7 van de wet van 27 april 2007, in casu toepasselijk.

Toenmalig artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "het bedrag van de uitkering (...) in geen geval hoger (mag) zijn dan een derde van de inkom-sten van de tot uitkering gehouden echtgenoten".

De woorden "in geen geval" wijzen erop dat telkens wanneer de rechter dient over te gaan tot een aanpassing van een onderhoudsbijdrage, hij de beperking voortvloeiend uit artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek moet in acht nemen.

Niettegenstaande het appelgerecht eerder in zijn vonnis aangaf dat oud artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, stelt het aangevochten arrest desal-niettemin dat "op grond van rechtsmisbruik (...) er dan ook aanleiding (is) om de onderhoudsuitkering - teneinde tot een normale uitoefening van het subjectieve recht te komen - niet af te schaffen, maar wel om deze te verminderen tot een (vast, d.w.z. ongeacht de omvang van de pensioeninkomsten van [verweerster]) maandelijks bedrag van 500,00 euro/maand, geïndexeerd volgens de formule zoals hierna bepaald", zodat de onderhoudsbijdrage ter waarde van 500 EUR die het appelgerecht vast en geïndexeerd toekent aan verweerster, meer dan een derde van de maandelijkse netto-inkomsten van eiser bedraagt. Eiser heeft namelijk 1.272,90 EUR inkomsten per maand, hetgeen gedeeld door drie uitkomt op 424,30 EUR.

Door te stellen dat "op grond van rechtsmisbruik (...) er dan ook aanleiding (is) om de onderhoudsuitkering - teneinde tot een normale uitoefening van het subjec-tieve recht te komen - niet af te schaffen, maar wel om deze te verminderen tot een (vast, d.w.z. ongeacht de omvang van de pensioeninkomsten van [verweerster]) maandelijks bedrag van 500,00 euro/maand, geïndexeerd volgens de formule zoals hierna bepaald", terwijl toenmalig toepasselijk artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "het bedrag van de uitkering (...) in geen geval hoger (mag) zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoten" en terwijl voormeld bedrag van 500 EUR per maand hoger ligt dan een derde van de inkomsten van eiser, die maandelijks 1.272,90 EUR ontvangt, schendt het appelgerecht, mitsdien, voormeld artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Eiser had in aanvullende en synthesebesluiten in beroep ingeroepen dat de over-eengekomen onderhoudsbijdrage dermate doorweegt op zijn pensioeninkomsten, dat zijn overblijvende pensioen na aftrek van de onderhoudsbijdrage lager ligt dan een leefloon voor een alleenstaande, waardoor, ten gevolge van het misbruik van recht, zijn recht op een menswaardig leven in de zin van artikel 23 van de Grond-wet miskend wordt (aanvullende en synthesebesluiten in beroep van eiser, pp. 17-19).

Het aangevochten vonnis stelt, enerzijds, dat "gelet op de daling van de inkomsten van [eiser] ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (in het bijzonder de hoger geschetste gezondheidsproblemen waardoor hij noodgedwongen vroeger dan voorzien terugviel op een pensioen) (...) de onderhoudsuitkering (806,23 euro) enorm zwaar door(weegt) op zijn inkomsten (1.272,90 euro)" en dat hij "hierdoor (...) een inkomen over(houdt) van 466,67 euro/maand, wat lager is dan het leefloon van een alleenstaande (in september 2015 bedroeg dit leefloon 833,71 euro/maand)" (aangevochten vonnis, p. 7) doch kent, anderzijds, een onder-houdsuitkering toe voor een bedrag van 500 EUR per maand, waardoor eiser vooralsnog niet beschikt over een inkomen boven het leefloon van een alleen-staande dat, in september 2015, 833,71 EUR bedraagt, daar eiser na aftrek van de onderhoudsbijdrage amper beschikt over 772,90 EUR (1.272,90 EUR - 500 EUR).

Door, enerzijds, te stellen dat "gelet op de daling van de inkomsten van [eiser] in-gevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (in het bijzonder de hoger ge-schetste gezondheidsproblemen waardoor hij noodgedwongen vroeger dan voor-zien terugviel op een pensioen) (...) de onderhoudsuitkering (806,23 euro) enorm zwaar door(weegt) op zijn inkomsten (1.272,90 euro)" zodat hij "hierdoor (...) een inkomen over(houdt) van 466,67 euro/maand, wat lager is dan het leefloon van een alleenstaande (in september 2015 bedroeg dit leefloon 833,71euro/maand)" (aangevochten vonnis, p. 7) doch, anderzijds, een onderhoudsuitkering voor een bedrag van 500 EUR toe te kennen, waardoor eiser vooralsnog niet beschikt over een inkomen boven het leefloon van een alleenstaande van 833,71 EUR in september 2015, aangezien eiser, na aftrek van de onderhoudsbijdrage, amper beschikt over 772,90 EUR (1.272,90 EUR - 500 EUR), is het aangevochten arrest behept met tegenstrijdige motieven zodat het, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet schendt.

Toelichting

De voorziening is gesteund op één middel, onderverdeeld in twee onderdelen.

1. In het eerste onderdeel wordt de schending van het toenmalig toepasselijk artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek ingeroepen.

Eiser en verweerster scheidden in onderlinge toestemming uit het echt bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 26 juni 2003. Voorafgaande-lijk aan deze echtscheiding werd tussen eiser en verweerster een regelingsakte echtscheiding in onderlinge toestemming op 4 februari 2003 verleden door de no-taris Jacques VERNIMMEN.

Gelet het voorgaande is oud artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wetswijziging door artikel 7 van de wet van 27 april 2007, in casu van toepassing.

Toenmalig artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "het bedrag van de uitkering (...) in geen geval hoger (mag) zijn dan een derde van de inkom-sten van de tot uitkering gehouden echtgenoten".

Hoewel het appelgerecht eerder in zijn vonnis aangaf dat oud artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, geeft het hier geenszins gevolg aan naar aanleiding van de herberekening van de aangepaste onderhoudsbijdrage tussen de ex-echtgenoten, ten gevolge van het vastgestelde rechtsmisbruik in hoofde van verweerster.

Een persoon pleegt rechtsmisbruik indien hij zijn recht uitoefent op een manier die hem weliswaar voordeel oplevert, maar die de schuldenaar van dit recht dis-proportioneel veel nadeel berokkent (Cass. 19 november 1987, A.C. 1987-88, 354 en R.W. 1987-88, 1060; C. JONCKERS, "Onwijzigbaarheid van de uitkering tussen echtgenoten: vaststaand feit of verleden tijd?", A.J.T. 2001-02, 61; L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenissen, Antwerpen-Groningen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2000, p. 303; S. STIJNS, "Abus mais de quel droit(s)?", J.T. 1990, 40).

Indien de rechter tot rechtsmisbruik besluit, kan hij het recht dat op kennelijk on-redelijke wijze is uitgeoefend, herleiden tot een normale rechtsuitoefening (Gent 3 oktober, DAOR 2001, 339; P. WERY, "Les sanctions de l'inexécution des obligati-ons contractuelles", in C. AERTS, "De (on)wijzigbaarheid van onderhoudsuitke-ringen tussen ex-echtgenoten na EOT: een stand van zaken (noot onder Hof van Cassatie, 20 april 2006)", EJ 2006, 109; P. WERY (ed.), Le droit des obligations contractuelles et le bicentenaire du code civil, Brussel, die Keure, 2004, 289; K. VANDERSCHOT, "Rechtsverwerking en rechtsmisbruik: een stand van zaken, in het bijzonder met betrekking tot de opeising van verwijlinteresten" (noot onder Luik 17 juni 2002), TBBR 2003, 450-451; S. STIJNS, De gerechtelijke en de buitenge-rechtelijke ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Maklu, 1994, nr. 310; B. HUBEAU & W. RAUWS, "De toepassing van de leer van rechtsmisbruik in het huur-recht", TBBR 1987, 18 en TBBR 1988, 65; A. DE BERSAQUES, "L'abus de droit en matière contractuelle", R.C.J.B., 1953, nr. 23).

Uw Hof preciseerde herhaaldelijk dat de sanctie bij rechtsmisbruik niet het volle-dig verbeuren van het recht is (Cass. 21 januari 1999, A. C. 1999, 69), maar het herleiden van het recht tot zijn normaal gebruik. Er wordt beoogd de partijen zo-veel mogelijk in een toestand te plaatsen waarin zij zich bevonden zouden hebben indien het contractuele recht op rechtmatige wijze zou zijn uitgeoefend (K. VAN-DERSCHOT, "Rechtsverwerking en rechtsmisbruik: een stand van zaken, in het bij-zonder met betrekking tot de opeising van verwijlinteresten (noot onder Luik 17 juni 2002)", TBBR 2003, 450).

Dientengevolge beperkt de rechter de incorrecte rechtsuitoefening afhankelijk van de feiten van de voorliggende zaak (J. BACK, "Gevolgen tussen partijen" in E. DI-RIX en A. VAN OEVELEN (eds.), Bijzondere overeenkomsten: commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2007, 79). Dit kan eveneens de vorm aannemen van een cijfermatige herleiding, ondanks dat de rechtbank hiervoor niet op het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek mag steunen gezien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van dit artikel (Cass. 12 april 2010, J.L.M.B. 2010, afl. 24, 1143 en Pas. 2010, afl. 4, 1107).

De matigingsbevoegdheid van de rechter terzake rechtsmisbruik werd van oudsher erkend evenals zijn opdracht om een aangepaste sanctie op te leggen, aangepast aan de aard en de vorm van het rechtsmisbruik, en betreft geen ultra petita beoordeling (Proc.-gen. GANSHOF VAN DER MEERSCH, concl. bij Cass. 10 septem-ber 1971, A.C. 1972, 40-41; A. DE BERSAQUES, "L'abus de droit en matière con-tractuelle", R.C.J.B., 1953, nr. 23; B. HUBEAU & W. RAUWS, "De toepassing van de leer van rechtsmisbruik in het huurrecht", TBBR 1987, 18-21; P. VAN OM-MESLAGHE, "L'exécution de bonne foi, principe général de droit?", TBBR 1987, pp. 101 en volgende).

De onderhoudsbijdrage ter waarde van 500 EUR die het appelgerecht vast en ge-indexeerd toekent aan verweerster, maakt meer dan een derde van de maandelijk-se netto-inkomsten van eiser uit. Eiser heeft namelijk 1.272,90 EUR inkomsten per maand, hetgeen gedeeld door drie uitkomt op 424,30 EUR.

Zodoende komt het door het appelgerecht opgelegde bedrag aan onderhoudsuitkering op een bedrag uit hoger dan een derde van het inkomen van eiser, daar waar het opgelegde bedrag niet meer dan 424,30 EUR mocht bedragen en schendt het, mitsdien, het toenmalig toepasselijk artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek.

2. In het tweede onderdeel wordt een tegenstrijdigheid aangevoerd.

Eiser had in aanvullende en synthesebesluiten in beroep ingeroepen dat de over-eengekomen onderhoudsbijdrage dermate doorweegt op zijn pensioeninkomsten, dat zijn overblijvende pensioen na aftrek van de onderhoudsbijdrage lager ligt dan een leefloon voor een alleenstaande, waardoor, ten gevolge van het misbruik van recht, zijn recht op een menswaardig leven in de zin van artikel 23 van de Grond-wet miskend wordt (aanvullende en synthesebesluiten in beroep van eiser, pp. 17-19).

Door, enerzijds, te stellen dat "gelet op de daling van de inkomsten van [eiser] in-gevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (in het bijzonder de hoger ge-schetste gezondheidsproblemen waardoor hij noodgedwongen vroeger dan voor-zien terugviel op een pensioen) (...) de onderhoudsuitkering (806,23 euro) enorm zwaar door(weegt) op zijn inkomsten (1.272,90 euro)" zodat hij "hierdoor (...) een inkomen over(houdt) van 466,67 euro/maand, wat lager is dan het leefloon van een alleenstaande (in september 2015 bedroeg dit leefloon 833,71euro/maand)" (aangevochten vonnis, p. 7) doch, anderzijds, een onderhoudsuitkering voor een bedrag van 500 EUR toe te kennen, waardoor eiser vooralsnog niet beschikt over een inkomen boven het leefloon van een alleenstaande van 833,71 EUR in september 2015, aangezien eiser, na aftrek van de onderhoudsbijdrage, amper beschikt over 772,90 EUR (1.272,90 EUR - 500 EUR), is het aangevochten arrest behept met tegenstrijdige motieven zodat het, mitsdien, artikel 149 van de Grondwet schendt.

 

OM DEZE REDENEN,

Besluit ondergetekende, advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het u behage, hooggeachte Heren en Dames, het bestreden vonnis te vernietigen, te bevelen dat van de vernietiging melding gemaakt wordt in de kant van het aangevochten von-nis, de zaak naar een ander rechtbank van eerste aanleg te verwijzen en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

 

Brussel, 23 februari 2016

Voor eiser in cassatie,
zijn raadsman,

 

Bijgevoegde stukken :

1. Het origineel van het betekeningsexploot van huidige voorziening in cassatie zal bij het origineel van die voorziening gevoegd worden bij het neerleggen op de griffie van het Hof van Cassatie;

2. Pro-fisco verklaring.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.