-A +A

Wie van rechts komt uit een verboden richting heeft geen voorrang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 26/11/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Politierechters
Uitgever: 
die Keure
Jaargang: 
2010
Pagina: 
69
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Partijen zijn in betwisting betreffende een aanrijding, die gebeurde op 12 maart 2007, omstreeks 16u30, te Kontich, op het kruispunt van de Cornelius Marckxlaan en de Hondstraat, tussen een voertuig Toyota RAV4, eigendom van en bestuurd door eerste comparante I.B., en een personenwagen opel Astra, eigendom van tweede comparante A.m. en bestuurd door de vrijwillig tussenkomende partij W.C.
De politie kwam ter plaatse maar beperkte zich tot het assisteren bij het invullen van een gemeenschappelijk aanrijdingsformulier, zonder een proces-verbaal op te stellen.
Eerste comparante B. schreef “Ik reed in de hondstraat en werd ter hoogte van de Marckxlaan aangereden in de rechterflank door B. B reed in de verkeerde richting in de straat”.
De vrijwillig tussenkomende partij C. schreef “Ik reed door C. marckxlaan, zag bord D1 niet, reed door de verkeerde richting en reed voertuig A in de flank aan.”, en kruiste het vakje 15 (kwam op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer) aan. uit de schets blijkt dat er een min of meer driehoekige verkeersinrichting is (een verhoogd, met gras, boompjes en struiken begroeid pleintje).
De vrijwillig tussenkomende partij mocht niet rechtdoor rijden en deze inrichting links voorbijrijden, maar moest schuin rechts, rechts naast deze inrichting, de hondstraat oprijden. Beide partijen leggen foto’s voor, maar deze, voorgelegd door eerste comparante, blijken een nieuwe situatie weer te geven, waar het bord D1 anders geplaatst werd.
De stelling van tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij is dat er vóór het pleintje een boompje in de weg stond, waardoor het bord D1 slecht zichtbaar was. De vrijwillig tussenkomende partij beging volgens hen een verschoonbare vergissing. het tegendeel blijkt uit de foto’s, zeker uit de laatste door hen voorgelegde foto, waarop een kleefbriefje aangebracht is met “deze foto niet!”.
De rechtbank oordeelt op basis van de voorgelegde foto’s, ook deze die tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij wel willen voorleggen, dat het verkeersbord D1 meer dan voldoende zichtbaar was, en dat enkel de hoek, waaruit de foto’s genomen werden, de indruk kan wekken dat het bord bij het voorbijrijden van het boompje even niet volledig zichtbaar was. tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij stellen dat er ook opritten van woningen zijn (in feite is het er slechts één) die links van de verkeersinrichting gelegen zijn.
De eigenaar die deze oprit verlaat ziet geen bord D1 en zou volgens tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij langs de verkeerde kant de hondstraat mogen oprijden.
De weergegeven hypothese is totaal verschillend van de situatie van de vrijwillig tussenkomende partij en dient beoordeeld te worden wanneer dergelijke situatie in betwisting is.
Verder stellen tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij dat een gebodsbord geen verbod inhoudt. Dit is absurd. Een gebod houdt uiteraard in dat men niet iets anders mag doen dan hetgeen geboden wordt.
Zij stellen tevens dat het verkeer dat vanuit de Hondstraat de Marckxlaan wil inrijden de keuze heeft om vóór of voorbij de verkeersinrichting deMmarckxlaan in te rijden. Dit is onjuist. Ingevolge artikel 9.6 van de Wegcode diende eerste comparante ook langs rechts de Marckxlaan op te rijden. overigens is, vanuit haar richting, de Marckxlaan door de verkeersinrichting gesplitst in twee rijbanen, en diende ze uiteraard het rechterrijvak te kiezen.
Deze betwisting heeft overigens niets te maken met de verplichtingen van de vrijwillig tussenkomende partij. Aangezien er geen discussie over bestaat dat de vrijwillig tussenkomende partij de verkeersinrichting langs de verkeerde kant voorbijreed (inbreuken tegen art. 69.3 en 9.6 van de Wegcode, zoals door eerste comparante terecht opgeworpen) dient enkel nog beoordeeld te worden of eerste comparante desalniettemin toch voorrang van rechts had moeten verlenen, en welke andere inbreuken eventueel de aanrijding veroorzaakt hebben.
Desbetreffend stelt eerste comparante B. dat de inbreuken, door de vrijwillig tussenkomende partij C. begaan, voor haar onvoorzienbaar waren en dat zij, gezien de inbreuken, begaan door de vrijwillig tussenkomende partij, alleszins niet voorrangsplichtig was. tweede comparante m. en de vrijwillig tussenkomende partij C. zijn van mening dat eerste comparante voorrang diende te verlenen ingevolge artikel 12.3.1 van de Wegcode.
De vrijwillig tussenkomende partij kwam niet uit een verboden richting (tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij verwijzen hier naar de hoger reeds ver de inrit naast de verkeersinrichting en het onderscheid tussen gebods- en verbodsborden) en stellen dat het aan de vrijwillig tussenkomende partij, gezien de verwarrende situatie (argument hoger al verworpen) niet kwalijk kan genomen worden dat hij de verkeersinrichting langs de verkeerde kant voorbijreed. Aangezien de vrijwillig tussenkomende partij niet uit een verboden richting kwam genoot hij de voorrang van rechts.
Eerste comparante B. reed niet met dubbele voorzichtigheid het kruispunt op (art. 12.2 van de Wegcode), heeft haar snelheid niet aangepast aan de omstandigheden (art. 10.1.1° van de Wegcode) en reed een voorzienbare hindernis aan (art. 10.1.3° van de Wegcode).
Aangezien de vrijwillig tussenkomende partij C. in verboden richting het kruispunt opreed genoot hij ingevolge artikel 12.3.1 van de Wegcode de voorrang van rechts niet. Comparante B. kan dan ook dit artikel niet geschonden hebben. In hoofde van eerste comparante kan geen inbreuk tegen de artikelen 12.2, 10.1.1° of 10.1.3° van de Wegcode weerhouden worden.
Zij behoefde zich niet te verwachten aan een bestuurder, die langs de verkeerde kant van de verkeersinrichting de hondstraat zou oprijden. Bovendien verliezen tweede comparante en de vrijwillig tussenkomende partij in hun betoog volledig uit het oog dat eerste comparante niets of niemand aangereden heeft.
Het is integendeel de vrijwillig tussenkomende partij, die een voorrang nam die hij niet had, en de wagen van eerste comparante in de rechterflank aanreed. Hij schond zelf de bepalingen, die hij aan eerste comparante verwijt.
De vrijwillig tussenkomende partij is aansprakelijk voor het ongeval.
Opmerking dit vonnis maakte het voorwerp uit van hoger beroep. Het beroep werd afgewezen en het vonnis werd bevestigd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (6de B kamer) van 14 september 2009.
Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/09/2010 - 13:58
Laatst aangepast op: za, 06/01/2018 - 10:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.