-A +A

Wie een notariële akte niet begrijpt moet ze ook niet tekenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/01/2016

Gevolg geven aan de bewering van een ondertekenaar van een notariële akte dat deze de akte niet zou hebben begrepen, zou de rechtszekerheid fundamenteel ondergraven en de notariële akte reduceren tot een document zonder rechtskracht of met verwaarloosbaar belang.

Wie in voorkomend geval een akte niet begrijpt moet weigeren de akte te tekenen.

Ook een gezichtsstoornis belet geen wilsuiting in een notariële akte. Cataract en zelfs blindheid is geen wilsgebrek.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1054
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

J. t/ J.

[...]

1. Partijen zijn (...) definitief uit de echt gescheiden.

De vrouw verblijft momenteel alleen in de woning, krachtens de machtiging daartoe verleend door de rechter in kort geding tijdens het echtscheidingsgeding in het kader van de voorlopige maatregelen.

De man vraagt dat de vrouw deze woning thans zou verlaten, aangezien de echtscheiding definitief is en zij a.h.w. zonder recht noch titel de woning, die exclusieve eigendom zou zijn van de man, betrekt.

De vrouw verzet zich daartegen en werpt op dat zij betwist dat de woning eigenkom zou zijn van de man alleen, terwijl de man ook niet kan vooruitlopen op de bevolen vereffening-verdeling van de huwgemeenschap.

In dat verband voert de vrouw ook aan dat zij in de vereffening-verdeling de preferentiële toewijzing vordert van deze woning. Het hof zou «onbevoegd» zijn om uitspraak te doen over de eigendomsbetwisting van het onroerend goed, aangezien enkel de notaris-vereffenaar zich hierover zou kunnen uitspreken in het kader van de vereffening en verdeling.

2. Het hof kan het verweer van de vrouw niet bijvallen.

3. Geen enkele wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat de rechter, thans dit hof, zich uitspreekt over het eigendomsrecht van de woning. Dat de vereffening-verdeling werd bevolen, doet hieraan geen afbreuk.

Partijen zijn op dit ogenblik vermogensrechtelijke vreemden van elkaar, zodat een betwist eigendomsrecht kan worden uitgeklaard.

Bovendien mag de rechter zich niet aan rechtsweigering schuldig maken.

Er bestaat overigens ook geen exclusieve bevoegdheid van de notaris-vereffenaar en, bij uitbreiding, van de homologatie- of vereffeningsrechter om zich uit te spreken over het eigendomsrecht, indien deze kwestie zich reeds voordien op relevante wijze voordoet.

In dat verband kan per analogiam trouwens ook worden verwezen naar de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, rechtsprekend zoals in kort geding, die in het kader van de vennootschapsrechtelijke geschillenprocedure eveneens vaak noodgedwongen uitspraak moet doen over het eigendomsrecht van de aandelen, niettegenstaande de eventuele hangende vereffening en verdeling van de huwgemeenschap.

Dat de vrouw de preferentiële toewijzing van deze woning vordert bij de notaris-vereffenaar, doet hieraan geen afbreuk. De notaris is geen rechter in organieke zin, zodat het gegeven dat een dergelijke vordering gesteld zou zijn geen «aanhangigheid» oplevert in de zin als bedoeld in art. 29 Ger.W.

Het hof is bijgevolg wel degelijk bevoegd om het eigendomsstatuut van de voormalige gezinswoning uit te klaren.

4. De vrouw kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de voormalige gezinswoning tot de huwgemeenschap zou behoren en de man zijn exclusief eigendomsrecht niet bewijst. Alle stukken tonen het eigendomsrecht van de man aan. De man heeft het exclusief zakenrechtelijk statuut over de woning in kwestie. De man heeft het onroerend goed immers aangekocht bij wijze van wederbelegging.

Art. 1402 BW bepaalt: «Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een der echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het eigen karakter behoorlijk is aangetoond.»

Aankoop via wederbelegging schakelt het vermoeden van gemeenschap uit en geldt als afwijking op de regel dat aanwinsten tijdens het huwelijk verkregen gemeenschappelijk zijn.

Het hof erkent dat de aankoopakte van 6 november 1997 een sluitend bewijs van exclusieve eigendom is, aangezien de vrouw is tussengekomen in de akte (...) en de akte ook mee heeft ondertekend. De vrouw bevestigt overigens in deze aankoopakte dat de prijs en de beschrijfkosten werden betaald met gelden persoonlijk aan de man toebehorend, zoals hierboven vermeld in de akte.

De vraag buiten beschouwing latend of in dit geval toepassing kan worden gemaakt van art. 1341 BW (luidens welke bepaling geen bewijs kan worden geleverd tegen de inhoud van een akte), om reden dat de vrouw geen partij was bij de koop/verkoop, maar slechts heeft ondertekend als tussenkomende partij, zij opgemerkt dat deze tussenkomst precies tot doel heeft elke discussie uit te sluiten nopens de aankoop bij wijze van wederbelegging en bijgevolg nopens het eigen karakter van het onroerend goed aangekocht door de man.

Feit is alleszins dat deze akte door de vrouw niet beticht wordt van valsheid. Dat de vrouw de akte niet zou hebben getekend, is een stelling die dan ook feitelijke grondslag mist.

Feit is bovendien dat uit de notariële akte van kredietopening, bij de beschrijving van de oorsprong van eigendom, eveneens blijkt dat het onroerend goed eigendom is van de man alleen. De vrouw heeft deze akte eveneens mee ondertekend (in haar hoedanigheid van mede-kredietnemer). Dat in deze akte niet expliciet naar de «wederbelegging» als techniek wordt verwezen, is niet ter zake diendend, want alleen voor de akte van wederbelegging zelf gelden specifieke vormvereisten. Bij de akte van kredietopening was de vrouw ontegensprekelijk wél partij bij deze akte en kan zij geenszins als loutere derde worden gekwalificeerd.

Minstens en alleszins moet in deze zaak toepassing worden gemaakt van art. 1320 BW: ingevolge deze wetsbepaling levert de akte, zij het een authentieke of een onderhandse, tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking.

Zelfs aangenomen dat de bewuste vermeldingen zouden moeten worden beschouwd als vermeldingen die geen rechtstreeks verband houden met de beschikking, kunnen deze vermeldingen nog steeds dienen tot begin van bewijs, dat in casu dan voldoende wordt aangevuld door de tussenkomst van de vrouw in de akte van aankoop (met de hierboven vermelde specifieke bedingen van wederbelegging) en de verklaring van de verkoper dat hij volledige kwijting geeft aan de man (i.e. de koper).

Deze wetsbepalingen worden niet buiten werking gesteld tussen echtgenoten, ook niet door de door de vrouw aangevoerde bewijsrechtelijke voorschriften, geput uit art. 1399 BW of art. 1405 BW. Wederbelegging vormt overigens precies een uitzondering op het vermoeden van gemeenschap.

De verklaring van wederbelegging in de notariële aankoopakte wordt ten slotte ook niet tenietgedaan door het feit dat partijen een kredietopening zijn aangegaan op dezelfde dag van de aankoop. Door de vrouw wordt niet afdoende bewezen dat deze kredietopening (het betreft immers geen lening) diende ter financiering van de aankoop. De vrouw voert zelf aan dat zij de verbouwingen mee heeft afbetaald, zodat aan te nemen is dat deze kredietopening daarvoor was bestemd.

5. Dat de vrouw de lening mee heeft afbetaald (zie de akte van kredietopening, waar de vrouw mee als kredietnemer heeft getekend), verschaft haar geen eigendomsrecht, maar brengt slechts vorderingsrechten teweeg. Bijdrage in de afbetaling van de lening heeft als zodanig geen zakelijke werking. Hetzelfde geldt voor de bewering van de vrouw dat zij ook de verbouwingen mee zou hebben afbetaald.

Deze aanspraken van de vrouw (die eventueel ook kunnen resulteren in het opmaken van vergoedingsrekeningen) moeten hun beslag krijgen in de vereffening en verdeling.

6. De verwijzing naar art. 1278, vierde lid Ger.W. is niet ter zake dienend. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat tijdens de feitelijke scheiding van de echtgenoten hun animus societatis onbestaande is geworden en dat het derhalve billijk is dat de ene niet van het tijdens die periode van scheiding door de andere verwezenlijkte actief zou genieten, of omgekeerd, niet mede het door de andere opgestapelde passief zou moeten dragen. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op onderhavige betwisting: benevens het feit dat deze bepaling slechts toepassing vindt in de procedure van vereffening en verdeling, zij opgemerkt dat dit wetsartikel niet de roeping heeft om het eigendomsstatuut uit te klaren van goederen tussen (gewezen) echtgenoten, c.q. zou dienen ter kwalificatie van dit eigendomsrecht.

Bijgevolg kan de vrouw geen dienend argument putten uit het gegeven dat de woning jaren vóór de feitelijke scheiding van partijen werd aangekocht.

De mogelijkheid voor de rechter om, naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, te beslissen dat bij de vereffening van de huwgemeenschap geen rekening zal worden gehouden met bepaalde goederen, betreft enkel goederen verworven na de feitelijke scheiding die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel gemeenschappelijk zouden zijn. Bijgevolg kan de rechter die mogelijkheid niet toepassen op goederen van de partijen die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel tegen betaling van een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen (zie ook o.a.: Cass. 6 februari 2009, T.Not. 2010, 265).

7. De stelling van de vrouw dat zij niet begreep wat zij ondertekende en dat zij alsdan zelfs amper Nederlands verstond, kan niet worden aangenomen door het hof. De akte in kwestie vermeldt (...) dat de vrouw bevestigt «na lezing te hebben gehoord van hetgeen voorafgaat». Wie een document ondertekent, wordt verondersteld de taal van dit document te begrijpen.

Benevens de overweging dat van de instrumenterende notaris mag worden verwacht vooraf een toetsing te hebben doorgevoerd naar het feit of alle comparanten bij de akte de taal voldoende machtig waren, zij opgemerkt dat de vrouw volledig rechts- en handelingsbekwaam is en wordt geacht te weten waartoe zij zich verbindt, indien zij iets ondertekent. Uitgangspunt is dat eenieder voogd is van zijn eigen belangen: wie een document, a fortiori een notariële akte, ondertekent, moet beseffen wat de waarde en de draagwijdte van zijn handtekening is.

Gevolg geven aan de stelling van de vrouw zou de rechtszekerheid fundamenteel ondergraven en de notariële akte reduceren tot een document zonder rechtskracht of met verwaarloosbaar belang. De vrouw had in voorkomend geval (aangenomen dat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig zou zijn, wat zelfs niet afdoende bewezen voorkomt) moeten weigeren de akte te tekenen dan wel moeten aandringen op een schriftelijk vertaalde tekst, hetzij samen met de Nederlandstalige tekst van de akte, hetzij daarbuiten (in welk geval dan in de akte bevestiging kon worden gegeven dat deze vertaling voordien was ontvangen).

Minstens had de vrouw de bijstand kunnen vragen van een vertaler-tolk of in voorkomend geval zelfs kunnen vragen aan de notaris om een en ander mondeling te vertalen en te verduidelijken.

8. Er bestaat derhalve, gelet op bovenstaande overwegingen, geen rechtsgrond om de vrouw, na de ontbinding van het huwelijk, in het kader van de voorlopige maatregelen, toe te staan verder verblijf te houden in een onroerend goed dat een exclusief eigen goed is van de gewezen echtgenoot (zie ook in dat verband o.a.: P. Senaeve, «De geldingsduur van de voorlopige maatregelen tussen echtgenoten aangaande de goederen en de schulden na de wet op de familie- en jeugdrechtbank», T. Fam. 2015, (163) 165).

Ook de rechter, thans dit hof, moet de regels van het eigendomsrecht naleven, gelet op het feit dat partijen vermogensrechtelijke vreemden voor elkaar zijn geworden door het definitief worden van de echtscheiding. Met toepassing van art. 544 BW is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken.

De overige argumenten en middelen die de vrouw aanvoert, zijn niet ter zake dienend in onderhavige betwisting. Ook billijkheid of sociale overwegingen wegen niet op tegen eigendomsrecht.

De man kan, besluitend, niet verstoken blijven van het genot van zijn eigendom voor de duur van de vereffening en verdeling.

9. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, met de enkele wijziging dat de vrouw de tijd krijgt om de woning te ontruimen tot uiterlijk 30 april 2016.

...

Noot: 

De blinde of doofstomme en de notariële akte

De hierna vermelde regels geleden voor de blinden en niet voor personen met eenb gezichtsbeperking zoals cataract. 

Artikel 10 Wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt :

De notaris die alleen optreedt, moet worden bijgestaan door twee getuigen :

1° bij het verlijden van openbare testamenten en van akten die een herroeping van die testamenten inhouden;

2° wanneer één van de partijen niet in staat is te ondertekenen of niet kan ondertekenen, blind of doofstom is.

Het internationaal testament wordt altijd verleden voor een of meer notarissen, bijgestaan door twee getuigen.

De getuigen moeten de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en kunnen ondertekenen.

Mogen geen getuigen zijn, de notaris met wie de instrumenterende notaris geassocieerd is, noch de echtgenoot, de bloed- of aanverwanten in een bij artikel 8 verboden graad, de klerken en de personeelsleden, hetzij van de instrumenterende notaris, hetzij van een notaris met wie deze geassocieerd is, hetzij van één van de partijen. Echtgenoten mogen geen getuige zijn bij eenzelfde akte.

Daarenboven mogen de legatarissen, ten welken titel ook, hun echtgenoot, hun bloed- of aanverwanten in een bij artikel 8 verboden graad, noch hun personeelsleden, bij een openbaar testament of een akte die een herroeping van dergelijk testament inhoudt, als getuige optreden.

Het is ook mogelijk dergelijke akte voor twee notarissen te verlijden.

Elke akte opgemaakt in strijd met het bepaalde in de artikel 10 is nietig indien zij niet door alle partijen is ondertekend. Indien de akte door alle contracterende partijen is ondertekend, geldt zij slechts als onderhands geschrift, zulks onverminderd de schadevergoeding die in beide gevallen, zo daartoe aanleiding bestaat, moet worden betaald door de notaris die voornoemde voorschriften heeft overtreden.
(Bron artikel 114: Wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt)

Gezichtsstoornis belet geen wilsuiting in een notariële akte

• Hof van Beroep Gent 03/10/2016, RW 2017-2018, 951

Samenvatting

Een ernstige gezichtsstoornis zelfs in combinatie met een belangrijke gehoorstoornis, belet niet om een geldig notariële akte te laten verlijden of een testament te dicteren.

Wie kan horen, al dan niet met een een gehoorapparaat kan op geldige wijze een akte laten verlijden.

Een gezichtsstoornis (cataract bijvoorbeeld) is geen wilsgebrek.

Tekst arrest

M.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Medarus en Monique M. zijn de (enige twee) kinderen van Gerard M. en Maria D.

Na het overlijden van Gerard M. in 1982 wordt de ontbonden huwelijksgemeenschap M.-D. en de nalatenschap van Gerard M. vereffend en verdeeld bij notariële akte van 14 maart 1984.

Maria D. dicteert op 22 november 2004 haar notarieel testament voor notaris B als volgt:

«Ik herroep alle testamenten die ik vroeger gemaakt zou hebben.

«Ik wil dat na mijn overlijden alle goederen van mijn nalatenschap, onroerende en roerende, tegoeden, enz. worden verdeeld tussen mijn twee kinderen, elk voor de helft gelijk.

«Ik wil ook dat alle interesten en inkomsten, kapitalen, die ik sedert het overlijden van mijn man in negentienhonderd tweeëntachtig heb ontvangen en die tijdens mijn leven aan Medard zouden toegekend zijn of door hem ontvangen in zijn voordeel door schenking of anderszins, dat die gelden na mijn overlijden worden verrekend zodat elk een gelijk deel zal gehad hebben per kind.

«Medard zal dus de helft van die gelden terug in rekening brengen bij de verdeling in voordeel van zijn zuster Monique.

«Daarmee wil de beide kinderen volledig gelijk zetten.

«Aldus luidt mijn testament...»

Maria D. overlijdt op 13 november 2007 te Torhout.

2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24 augustus 2009 dagvaardt Monique M. haar broer tot (1) uitonverdeeldheidtreding en (2) aanwijzing van een notaris-vereffenaar met het oog op de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van Maria D.

Medard M. betwist de vordering tot vereffening-verdeling als zodanig niet. Hij dringt evenwel aan op voorafgaande overlegging van het origineel testament van Maria D. Hij maakt voorbehoud om ter zake strafklacht neer te leggen en/of de valsheidsprocedure te voeren.

3. Bij voorlopig uitvoerbaar tussenvonnis van 19 oktober 2010 beveelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge notaris B. het origineel testament van Maria D. op de burgerlijke griffie van de rechtbank te deponeren.

Voorts nodigt de rechtbank de partijen uit om aanvullende stukken over te leggen betreffende de voorlopige bewindvoering over Maria D. waartoe de vrederechter te Oostende heeft beslist bij vonnis van 27 juni 2005.

...

4. Na het tussenvonnis van 19 oktober 2010 en de overlegging op 2 februari 2012 van het origineel testament van Maria D. beoogt Medard M. (effectief) de valsheidsprocedure overeenkomstig art. 895 e.v. Ger.W.

II. Beroepen vonnis

Bij (eind)vonnis van 21 november 2013 (...) gaat de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in op de hoofdvordering van Monique M. De rechtbank beveelt zodoende de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van Maria D. met (ambtshalve) aanwijzing van notaris V. als notaris-vereffenaar in de zin van het nieuwe art. 1210, § 1 Ger.W.

De rechtbank wijst de bij wijze van tegenvordering van Medard M. beoogde valsheidsprocedure af als ongegrond.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 17 januari 2014 stelt Medard M. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 21 november 2013.

Met zijn hoger beroep beoogt Medard M., met hervorming van het beroepen vonnis, (1) nog steeds de valsheidsprocedure met betrekking tot het litigieuze testament; (2) vooralsnog de afwijzing van de hoofdvordering tot vereffening-verdeling als ongegrond en (...).

2. Monique M. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep. Zij beoogt zodoende bevestiging van het beroepen vonnis.

...

IV. Beoordeling

...

B. Ten gronde

B.1. Valsheidsprocedure

1. Zoals aangegeven, stelt Medard M. na neerlegging van het origineel notarieel testament van 22 november 2004 van Maria D. dienaangaande (effectief) de valsheidsprocedure in overeenkomstig art. 895 e.v. Ger.W. De eerste rechter wijst deze tegenvordering af als ongegrond.

In hoger beroep houdt Medard M. deze valsheidsvordering aan, wat hij ter terechtzitting van 25 februari 2016 uitdrukkelijk beaamt.

2. Het bewijs van valsheid van een vaststelling gedekt door de authenticiteit in een notariële akte kan slechts worden geleverd door een (hoofd)vordering wegens valsheid of een valsheidsprocedure (M. Puelinckx-Coene e.a., «Overzicht van rechtspraak (1999-2011): Giften», TPR 2013, p. 721-722, nrs. 697-698).

Deze regel lijdt slechts uitzondering wanneer de vaststelling wordt tegengesproken door een andere vaststelling van dezelfde akte of door een andere authentieke akte of wanneer de valsheid blijkt uit de akte zelf, zonder dat het noodzakelijk is een beroep te doen op een onderzoeksmaatregel.

Krachtens art. 895 Ger.W. kan tegen valsheid worden opgekomen bij een hoofdvordering of een tussenvordering. Art. 896, eerste lid Ger.W. bepaalt dat de valsheidsvordering de middelen inzake valsheid nauwkeurig moet opgeven.

3. Medard M. brengt ter zake aan dat:

– Maria D. niet of niet rechtsgeldig het litigieuze testament heeft gehandtekend nu op het testament in fine als het ware twee (beweerde) handtekeningen voorkomen, waarbij de tweede handtekening de eerste gedeeltelijk overschrijft;

– Monique M. hierbij de hand van Maria D. heeft vastgehouden en haar alzo heeft gedwongen het testament te handtekenen;

– Maria D. al tientallen jaren in onmin leefde met Monique M., terwijl Maria D. voorafgaandelijk aan dit testament herhaaldelijk haar wil heeft bevestigd om het grootste beschikbare deel van haar nalatenschap aan Medard M. te vermaken;

– het onlogisch is dat nagenoeg onmiddellijk na de opmaak van het testament op 22 november 2004, en meer precies op 18 mei 2005, Monique M. de aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder over Maria D. benaarstigt;

– Monique M. Maria D. nooit bezocht in het rusthuis, terwijl Maria D. op 22 november 2004 praktisch werd gedwongen om in de auto van Monique M. te stappen om naar de notaris te gaan;

– het medisch attest van 21 juni 2005 aangeeft dat Maria D. lijdt aan een ernstige gezichtsstoornis en een belangrijke gehoorstoornis;

– de door Medard M. overgelegde aanvullende stukken (poetsdienst en aanvraag domiciliëring) de discrepantie met de handtekening op het litigieuze testament aantonen.

4. Tot beoordeling van het tussen de partijen hangende geschil kan bezwaarlijk uitspraak worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid betichte testament.

5. Valsheid bestaat wanneer iemand een (bewijs)stuk doet liegen. Zij onderstelt een vervalsing, een kunstgreep waarbij iemand een bepaald bewijselement manipuleert teneinde de betekenis die eraan wordt gegeven te verdraaien.

De materiële valsheid bestaat in de wijziging van een geschrift in de zin van een kunstgreep die het bewijs zelf verandert. De intellectuele valsheid onderstelt een materieel onaangeroerd instrumentum met een gemanipuleerde inhoud, in die zin dat er zaken in worden vastgesteld in strijd met de waarheid (B. Allemeersch, «Valsheid en andere leugens in burgerlijk proces en bewijs» in Liber Amicorum Tijdschrift voor Privaatrecht en Marcel Storme, TPR 2004, p. 54-56, nr. 29).

Met de eerste rechter oordeelt ook het hof, na toetsing van de door Medard M. aangebrachte middelen aan het concept van valsheid, dat Medard M. eigenlijk niet aanvoert dat het testament van Maria D. vals is.

De aangegeven verplichting in art. 896, eerste lid Ger.W. wil lichtzinnige valsheidsprocedures vermijden (Ch. Van Reepinghen, Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad 1964, 367). De rechter apprecieert op een (in cassatie) onaantastbare wijze in feite het nut van een gevraagde onderzoeksmaatregel (Cass. 9 mei 2005, Pas. 2005, I, 1008). Bij gebrek aan nauwkeurige opgave van de redenen voor de valsheidsvordering kan de rechter oordelen om de tijdrovende valsheidsprocedure niet aan te vatten (zie ook art. 875bis Ger.W.).

Nog los van het antwoord op de vraag of hier strikt gezien wel aan het vereiste van art. 896, eerste lid Ger.W. is voldaan, impliceert zelfs voldoende (nauwkeurige) opgave van middelen inzake (de beweerde) valsheid als zodanig nog niet dat de valsheidsvordering slaagt.

Medard M. beweert niet dat niet Maria D. (en wel iemand anders) het litigieuze testament heeft gehandtekend. Hij voert hoogstens aan dat zij dit niet uit vrije wil heeft gedaan nu beweerd wordt dat Monique M. haar hand zou hebben vastgehouden. Hij maakt deze bewering evenwel op geen enkele wijze aannemelijk. Elk concreet element dienaangaande ontbreekt. Een louter vermoeden van Medard M. kan uiteraard niet volstaan.

Bovendien verduidelijkt de optredende notaris Jan B. ter zake in zijn brief van 8 december 2009: «Het openbaar testament van mijn ambt van 22 november 2004 werd op mijn kantoor origineel en eigenhandig ondertekend door mevrouw Maria D., in mijn aanwezigheid op voormelde datum. Dat zij moeizaam haar naam kon schrijven, doet geen afbreuk aan het feit dat zij haar wil heeft bevestigd met een naamtekening.»

Het gegeven op zich (zelfs in combinatie met de andere aangevoerde middelen) dat Maria D. in voorgaande testamenten (in het voordeel van Medard M.) anders zou hebben beschikt, kan hier niet dienen.

Ook de overige, overigens niet (afdoende) gestoffeerde beweringen zijn op zich, afzonderlijk of samen, niet pertinent tot beoordeling van de beweerde valsheid van het testament. Meer nog, de door Medard M. overgelegde aanvullende stukken (poetsdienst en aanvraag domiciliëring) tonen, zelfs prima facie voor een niet-schriftdeskundige, geen discrepantie maar wel gelijkenis met de (enigszins onvaste) handtekening op het litigieuze testament. Zo bevat het testament geen twee, maar eigenlijk maar één handtekening, weliswaar onvast en moeizaam geschreven. Hoe dan ook zijn deze handtekeningen/is de handtekening op het testament ontegensprekelijk van een en dezelfde persoon.

De onvaste handtekening kan mede worden verklaard door de ernstige gezichtsstoornis waaraan Maria D. leed. Anders dan Medard M. aangeeft, belette deze ernstige gezichtsstoornis zelfs in combinatie met een belangrijke gehoorstoornis, zoals blijkt uit het medisch attest van 21 juni 2005, Maria D. evenwel niet om in november 2004 een geldig notarieel testament te dicteren. Nog los van het gegeven dat het medisch attest dateert van zeven maanden later, is daarin hoe dan ook meegegeven dat Maria D. een gehoorapparaat droeg en dat zij alles begreep indien voldoende luid tegen haar werd gesproken.

6. Om die redenen oordeelt ook het hof, met de eerste rechter, dat de incidenteel ingestelde valsheidsvordering ontvankelijk maar manifest ongegrond is. In dat geval mag de (appel)rechter de valsheidsvordering onmiddellijk afwijzen (zie: J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 567, nr. 1385; Bergen 3 november 1981, JT 1982, 378).

7. De valsheidsvordering moet worden afgewezen. Het beroepen vonnis verdient bevestiging. Het hoger beroep faalt op dit onderdeel.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 16:48
Laatst aangepast op: za, 24/02/2018 - 16:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.