-A +A

Wie is bewaarder van de riolering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/01/2016
A.R.: 
C.15.0113.N

De bewaarder van een zaak in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen.

Degene die van een zaak gebruik maakt heeft niet noodzakelijk ook de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen, waardoor hij als bewaarder in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan worden gesteld.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0113.N
GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1640 Sint-Genesius-Rode, Dorpsstraat 46,
eiseres,
tegen
1. PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, vertegenwoordigd door de Deputa-tie, met kantoor te 3010 Kessel-Lo, Provincieplein 1,
verweerster,
2. J.P.V.B.,
3. C.D.,
verweerders,

in aanwezigheid van
VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7,
tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 juni 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De bewaarder van een zaak in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen.

2. Degene die van een zaak gebruik maakt heeft niet noodzakelijk ook de mo-gelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen, waardoor hij als be-waarder in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan worden gesteld.

3. De rechter beoordeelt in feite wie de bewaarder van de zaak is in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, voor zover hij het wettelijk begrip "bewaarder van de zaak" niet miskent.

4. De appelrechters oordelen dat:
- in principe de gemeente als verantwoordelijk moet worden beschouwd voor de rioleringen op haar grondgebied die tot het openbaar domein behoren;
- de eiseres geen afdoende bewijs levert dat de riolering langsheen de bewuste weg "eigendom" zou zijn van de eerste verweerster, of dat deze laatste de be-heerder van deze riolering zou zijn;
- het vermoeden dat de gemeente in principe als "eigenaar" of "beheerder" van de rioleringen moet worden beschouwd, niet weerlegd wordt door de eiseres zodat zij als verantwoordelijke voor de riolering moet worden beschouwd;
- uit het voorgaande duidelijk blijkt dat de eiseres moet beschouwd worden als "eigenaar" en "bewaarder" van de bewuste riolering;
- er dan ook moet worden afgeleid dat bij onduidelijkheid er een vermoeden bestaat dat de gemeente moet instaan voor de riolering en moet beschouwd worden als diegene die er toezicht, leiding en controle op uitoefent;
- het feit dat de riolering voornamelijk water van een provinciale weg opvangt, hier geen afbreuk aan doet;
- er geen voldoende aanwijzingen zijn dat de eerste verweerster als "bewaar-der", "beheerder" of "eigenaar" van de infrastructuur moet worden be-schouwd.

5. Op deze gronden verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de eiseres bewaarder is van de gebrekkige riolering.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. De appelrechters oordelen dat:

- de brief van de eerste verweerster van 25 juni 2002 (stuk 1 van de eiseres) en-kel weergeeft dat de provincie blijft instaan voor het onderhoud en het beheer van haar wegen, maar dat in deze brief niets wordt geschreven over de riolering in het bijzonder;
- de brief van 20 februari 2008 (stuk 2 van de eiseres) waarin een besluit van 14 februari 2008 van de deputatie van de eerste verweerster wordt meegedeeld waarin toelating wordt verleend voor het uitgraven van een rioolaansluiting evenmin overtuigt, omdat - zoals blijkt uit het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 mei 2011 - dit een toelating betreft om werken uit te voeren aan haar weg;
- de "strategische nota 2007-2012 dienst mobiliteit en wegen" van de eerste verweerster evenmin van aard is om hieruit af te leiden dat deze laatste eige-naar of beheerder van de rioleringen zou zijn.

Zij stellen verder vast en oordelen dat:

- bijzondere aandacht moet worden besteed aan stuk 3 van de eiseres waaruit blijkt dat de provincie kosten voor riolering op zich nam terwijl dit niet het ge-val was voor de eiseres;
- de eerste verweerster niet ontkent dat zij de kosten voor riolering naar aanlei-ding van dit project voor haar rekening heeft genomen, maar erop wijst dat het ging om slechts een beperkt aantal meter buizen die zouden bedoeld geweest zijn voor zeer plaatselijke herstellingen, om zo geen onnodige administratieve vertragingen op te lopen tijdens de uitvoering van de werken, en het om een gunst aan de gemeente zou gaan;
- de eiseres niet ontkent dat het om een gedeeltelijke vervanging van riolering over een lengte van 250 meter gaat;
- uit het feit dat de provincie de vervanging van 300 meter buis voor zijn reke-ning neemt, op zich niet kan worden afgeleid dat de ganse riolering langsheen deze weg ook "eigendom" van de eerste verweerster zou zijn.

7. De appelrechters die oordelen dat in principe de gemeente als verantwoordelijk moet worden beschouwd voor de rioleringen op haar grondgebied die tot het openbaar domein behoren en dat op grond van voormelde redenen de verschil-lende stukken van de eiseres die het tegendeel zouden moeten aantonen niet overtuigen, verwerpen en beantwoorden het verweer van de eiseres dat uit de door haar voorgelegde stukken blijkt dat de eerste verweerster het feitelijke meesterschap had over en dus de bewaarder was van de riolering.

In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert mist het derhalve feitelijke grondslag.

8. Het onderdeel voert niet aan dat het arrest heeft beslist dat de stukken twee en drie van de eiseres iets bevatten dat niet erin staat of iets niet bevatten dat wel erin staat. Het onderdeel voert in werkelijkheid aan dat de appelrechters uit deze stukken niet het gepaste rechtsgevolg hebben afgeleid. Dergelijke grief houdt geen miskenning van de bewijskracht van akten in.
In zoverre het onderdeel de schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek aanvoert, is het mitsdien niet ontvankelijk.

9. Het onder r.o. 7 weergegeven oordeel van de appelrechters dat voormelde door de eiseres overgelegde stukken niet overtuigen, is een beoordeling van de bewijswaarde van deze stukken die afwijkt van deze van de eiseres, maar leidt geen gevolgtrekkingen af uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Deze grief is vreemd aan de schending van het begrip feitelijk vermoeden en is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

10. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters dat artikel 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet zelf niet uitdrukkelijk bepaalt dat de gemeente moet instaan voor de rioleringen op haar grondgebied.

Zij oordelen verder dat in eerste instantie ervan uitgegaan moet worden dat de gemeente moet beschouwd worden als de verantwoordelijke voor de rioleringen en dit past in de plicht van de gemeente om in te staan voor de reinheid en zinde-lijkheid op haar grondgebied zoals bepaald in artikel 135, § 2, Nieuwe Gemeen-tewet, samen te lezen met andere bepalingen, met name :

- het beheer van de waterlopen met inbegrip van de afwatering was van oudsher een taak van de gemeente, onder toezicht van de provincie (artikel 90, 12°, Gemeentewet van 1836);
- de gemeente staat ook volgens de nieuwe gemeentewet in voor onder meer de zindelijkheid, gezondheid en veiligheid en reiniging;
- rioleringen kunnen ook beschouwd worden als inrichtingen in het bijzonder be-stemd voor de bewoners van de gemeente en dus inrichtingen waarover de ge-meenten het beheer hebben (artikel 135, § 1);
- bij de taken van Aquafin is geen sprake van provinciale riolen (wet 26 maart 1971);
- de brief in tempore non suspecto van de rechtsvoorganger van de eerste ver-weerster van 20 juni 1980 stelt dat de afwatering in de provinciale baan aan de gemeenten behoort en door hen moet onderhouden worden;
- aangenomen mag worden dat de gemeente bij het verlenen van stedenbouw-kundige vergunningen ook voorwaarden oplegt met betrekking tot aansluitin-gen op het rioleringsnetwerk;
- eenzelfde lijn waarbij de gemeente moet beschouwd worden als "eigenaar of beheerder" van de riolering op haar grondgebied die tot het openbaar domein behoort, zelfs wanneer deze voorzien in de afwatering van provinciewegen, werd ook gevolgd in het protocol dat in de loop van 2008 werd afgesloten tus-sen de provincie en het Vlaams Gewest;
- de stukken die het tegendeel zouden moeten aantonen, overtuigen niet.

11. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters beslissen dat de ver-antwoordelijkheid van de gemeente voor haar rioleringen past in de verplichting van de gemeente om in te staan voor de reinheid en zindelijkheid op haar grond-gebied en op die enkele grondslag oordelen dat de eiseres moet worden be-schouwd als bewaarder van de riolering, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.243,38 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2016 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, vertegenwoordigd door haar College Van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 1640 SINT-GENESIUS-RODE, Dorpsstraat 46,

eiseres tot cassatie,

TEGEN: 1. de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, vertegenwoor-digd door de Deputatie en gevestigd in het Provinciehuis te 3010 KESSEL-LO, Provincieplein 1, ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer 0253.973.219,

2. V.B.J.P.,

3. D.C.,

verweerders in cassatie,

EN IN AANWEZIGHEID VAN:

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II laan 20,

tot bindendverklaring van arrest opgeroepen partij,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren bij het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer een arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op tegenspraak tussen partijen werd uitgesproken door de achttiende Kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 juni 2014 (2011/AR/1811 en 2011/AR/2597).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Tweede en derde verweerders zijn eigenaars van een huis gelegen te Sint-Genesius-Rode, Steenweg naar Halle 29.

Op 3 december 2003 deden zij aangifte bij hun brandverzekeraar wegens schade aan hun woning ingevolge een verzakking veroorzaakt door de openbare riolering gelegen aan de Steenweg naar Halle. De schade bestond uit scheuren en barsten in hun woning.

De brandverzekeraar van het echtpaar heeft op 31 augustus 2004 eiseres aangeschreven in verband met dit schadegeval, en dit met verwijzing naar een eerdere brief van 17 juni 2004. Gelet op het feit dat de Steenweg naar Halle een provincieweg was, heeft de brandverzekeraar vervolgens op 3 september 2004 eerste verweerster aangeschreven.

Op 3 mei 2007 hebben tweede en derde verweerders zowel eerste verweer-ster als eiseres gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij tussenvonnis van 29 juni 2007 werd er een gerechtsdeskundige aange-steld.

De gerechtsdeskundige legde op 21 mei 2008 zijn eindverslag neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Ten gevolge van dit verslag vorderden tweede en derde verweerders een schadevergoeding van 101.839, 77 euro.

Ondertussen had eerste verweerster de Steenweg naar Halle op 1 januari 2009 overgedragen aan het Vlaamse Gewest.

De woning van tweede en derde verweerders werd op 26 mei 2010 bij au-thentieke akte verkocht voor het bedrag van 80.000 euro.

De eerste rechter heeft in zijn vonnis van 13 januari 2011 de gevorderde blijvende minwaarde en genotsderving verminderd tot een bedrag van 56.039,77. De vordering van tweede en derde verweerders werd voor dat bedrag gegrond verklaard tegen de Provincie Vlaams Brabant. In zoverre ingesteld tegen eiseres werd de vordering ongegrond verklaard.

Zowel tweede en derde verweerders als eerste verweerster hebben hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de eerste rechter omdat deze enkel de verantwoordelijkheid van eerste verweerster had vastgesteld.

Het hof van beroep te Brussel heeft beide hoger beroepen samengevoegd en beslist dat de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond zijn in de volgende ma-te. De vorderingen van tweede en derde verweerders tegen de Provincie Vlaams Brabant worden ongegrond verklaard, eiseres wordt veroordeeld tot het betalen van het bedrag van 53.839,77 euro, te vermeerderen met de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 3 december 2003 tot op het ogenblik van de dagvaarding, met de gerechtelijke vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 3 mei 2007, en met de gerechtelijke moratoire rente aan de wettelijke rentevoet vanaf de dag van de uitspraak tot de dag van de algehele betaling. Het arrest wordt tegenstelbaar en gemeen verklaard aan het Vlaamse Gewest.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- artikelen 1146 tot 1153, 1319, 1320, 1322, 1349, 1353 en 1384, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 135 § 2 Nieuwe Gemeentewet;
- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

De appelrechters stellen eiseres aansprakelijk op grond van artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek op grond van volgende redengeving en veroordelen haar vervolgens tot schadevergoeding aan tweede en derde verweerders:

"Op grond van het voorgaande moet besloten worden dat ofwel [eiseres], dan wel [eerste verweerster] als "eigenaar" van de bewuste riolering kun-nen worden beschouwd, en het is dan ook terecht dat [tweede en derde verweerders] beide voornoemde partijen hebben gedagvaard.

27. [Eerste verweerster] en [eiseres] zijn het onderling wel niet eens over wie van hen beiden als verantwoordelijke "eigenaar" zou kunnen aange-sproken worden voor deze gebrekkige riolering.

[Eerste verweerster] legt een brief voor van 20 juni 1980 waaruit zou moe-ten blijken dat de gemeenten zelf verantwoordelijk zouden zijn voor het rio-leringsstelsel onder de provinciewegen.

[Eiseres] daarentegen stelt dat zij deze brief niet kent en dat uit de voorge-legde brief trouwens niet af te leiden valt dat deze ook daadwerkelijk naar haar zou zijn verstuurd. Daarnaast legt [eiseres] verschillende documenten neer waaruit zou moeten blijken dat [eerste verweerster] "steeds het beheer van de riolering naar zich toegetrokken" heeft: zo zou het steeds de provincie zijn geweest die toelating gaf tot het aansluiten van woningen op de riolering aan deze Steenweg en zou bij de aanleg van fietspaden langs-heen deze weg, de riolering heraangelegd zijn door de provincie. Verder worden nog een aantal brieven voorgelegd waaruit dit beheer door de pro-vincie zou moeten blijken.

[Eerste verweerster] en het VLAAMSE GEWEST verwijzen naast de brief van 20 juni 1980 naar het arrest van dit hof van 17 mei 2011 in de zaak SWALENS-DE GREEF, en naar het protocol inzake de overdracht van de provinciewegen. Verder wordt verwezen naar artikel 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet waaruit zou moeten blijken dat de gemeente moet instaan voor onder meer de zindelijkheid, gezondheid, veiligheid en reiniging. Daarnaast wordt nog naar andere wettelijke bronnen verwezen waaruit dit zou moeten blijken.

28. In een arrest van 17 mei 2011 heeft dit hof zich inderdaad gebogen over een gelijkaardige vraag over het eigendomsstatuut van de riolering van de Steenweg naar Halle. Naast de overweging dat noch de eigendom van de weg noch het gebruik van deze riolering als nuttig criterium kan gelden om te bepalen wie eigenaar of beheerder is van de riolering, heeft het hof in die zaak het volgende overwogen:

'Van oudsher was het beheer van de waterlopen met inbegrip van de afwatering een taak van de gemeente, meer bepaald het college van burgemeester en schepenen, onder toezicht van de provincie [artikel 90,12° Gemeentewet van 30 maart 1836; J.B. BIVORT, Code com-munal de Belgique, Brussel 1857, Decq, 176]. Ook in de nieuwe gemeentewet staan de gemeenten in voor onder meer de zindelijk-heid, gezondheid en veiligheid, en reiniging [Artikel 135 §2 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988]. Overigens zouden de rioleringen ook beschouwd kunnen worden als inrichtingen in het bijzonder be-stemd voor de bewoners van de gemeente en dus inrichtingen waar-over de gemeenten het beheer hebben [Artikel 135 §1 Nieuwe Ge-meentewet van 24 juni 1988]. Ook uit artikel 20 tot 22 van het Al-gemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid van 11 fe-bruari 1946 werd een belangrijke rol afgeleid voor de burgemeester [W. LAMBRECHTS, "De milieuregelgeving en de gemeenten: toe-passing en risico's", in K. LEUS (ed.), Milieuaansprakelijkheid van gemeenten, Antwerpen, Kluwer, 1998, 23]. Zoals vermeld werd krachtens de wet van 26 maart 1971 Aquafin opgericht; één van de taken waarmee Aquafin wordt belast is "het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen'' (artikel 32 septies §1 4°); van provinciale riolen is daar geen sprake. De brief van de (unitaire) provincie Brabant van 20 juni 1980, die de gemeenten voorhoudt dat de afwatering in "de provinciale baan" aan de gemeente behoort en door hen moet onderhouden worden, sluit aan bij die klassieke rolverdeling. Het is uiteraard een stuk van (de rechtsvoorganger van) [eerste verweerster] zelf maar het is op-gesteld in tempore non suspecto.

[Eiseres] wijst op het besluit van de bestendige deputatie van [eerste verweerster] van 14 februari 2008, waarin als voorwaarden voor het mogen maken van een sleuf in de Steenweg naar Holle voor het aansluiten op de riolering, wordt opgelegd hoe de verbinding met de riolering moet gebeuren. [Eerste verweerster] wijst er terecht op dat zij daar toelating verleent tot het uitvoeren van werken aan haar weg; overigens mag aangenomen worden dat [eiseres] bij het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen ook voorwaarden oplegt met betrekking tot aansluitingen op het rioleringsnetwerk; zij legt geen voorbeelden voor van stedenbouwkundige vergunningen op dat deel van de Hallesteenweg.'

Uit geen enkel element blijkt dat tegen dit arrest cassatieberoep zou aange-tekend zijn. Er is geen reden om deze redenering niet bij te treden in het voorliggende geval.

Op basis van de hierboven geciteerde overwegingen kwam het hof op 17 mei 2011 tot het besluit dat het niet vaststond dat [eiseres] geen eigenaar of beheerder was van de riolering onder de Hallesteenweg ter hoogte van de eigendommen van de heer SWALENS, mevrouw DE GREEF en mevrouw PARVAIS. Het hof heeft in voormeld arrest geen eindbeslissing geveld over de vraag wie precies "eigenaar" of "beheerder" was van de bewuste riolering, maar uit de door het hof weergegeven redenering blijkt wel dat de gemeente moet beschouwd worden als "eigenaar of beheerder" van de rioleringen op haar grondgebied die tot het openbaar domein behoren, zelfs wanneer deze voorzien in de afwatering van "provincie"-wegen.

Dit uitgangspunt lijkt impliciet te worden bevestigd door het cassatie-arrest van 14 mei 1998 (Cass, 14 mei 1998, Arr. Cass. 1998, 552). Ook in het protocol dat in de loop van het jaar 2008 werd afgesloten tussen [eerste verweerster] en het VLAAMSE GEWEST met betrekking tot de overdracht van de provinciale wegen naar deze laatste, wordt een zelfde lijn aangehouden.

Uit al deze elementen volgt dat in principe de gemeente als verantwoordelijk moet worden beschouwd voor de rioleringen op haar grondgebied die tot het openbaar domein behoren.

29. [Eiseres] legt verschillende stukken voor die het tegendeel zouden moe-ten aantonen, maar deze stukken overtuigen niet:

- De brief van [eerste verweerster] van 25 juni 2002 (stuk 1 [eiseres]) geeft enkel weer dat de provincie blijft instaan voor het onderhoud en het beheer van haar wegen, maar in deze brief wordt niets geschreven over de riolering in het bijzonder;
- De brief van 20 februari 2008 (stuk 2 [eiseres]) waarin een besluit van 14 februari 2008 van de deputatie van [eerste verweerster] wordt meegedeeld waarin toelating wordt verleend voor het uitgraven van een rioolaansluiting overtuigt evenmin, omdat - zoals blijkt uit het arrest van dit hof van 17 mei 2011 - dit een toelating betreft om werken uit te voeren aan haar weg;
- De "strategische nota 2007-2012 dienst mobiliteit en wegen" van [eerste verweerster] is evenmin van aard om hieruit af te leiden dat deze laatste eigenaar of beheerder van de rioleringen zou zijn.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan stuk 3 van [eiseres]. Dit stuk betreft het bijzonder bestek van 1991 voor de "aanleg van fietspaden langsheen de provincieweg Halle-Alsemberg tussen de meetpunten 0,000 en 7.654 op het grondgebied van de gemeenten Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Beersel en Sint-Genesius-Rode".

Uit dit stuk blijkt dat de provincie kosten voor riolering op zich nam terwijl dit niet het geval was voor [eiseres].

[Eerste verweerster] ontkent niet dat zij de kosten voor riolering naar aan-leiding van dit project voor haar rekening heeft genomen, doch wijst erop dat het ging om slechts een beperkt aantal meter buizen: 250 meter buis van 400 millimeter diameter en 50 meter buis van 600 millimeter diameter. Deze buizen zouden bedoeld geweest zijn voor zeer plaatselijke herstellingen om zo geen onnodige administratieve vertragingen op te lopen tijdens de uitvoering van de werken. Het zou gaan om een gunst aan de gemeente.

[Eiseres] ontkent niet dat het ging om een gedeeltelijke vervanging van riolering, en evenmin dat het om een lengte van 250 meter gaat.

Uit het feit dat de provincie de vervanging van 300 meter buis voor zijn re-kening neemt, kan op zich niet worden afgeleid dat de ganse riolering langsheen deze weg ook "eigendom" zou zijn van [eerste verweerster].

30. Verder stelt [eiseres] dat [eerste verweerster] en het VLAAMSE GE-WEST een verkeerde lezing voorstaan van het artikel 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet. Volgens [eiseres] wordt in dit artikel enkel bedoeld dat de gemeente ertoe gehouden is om passende maatregelen te nemen om de openbare veiligheid te waarborgen, Uit artikel 135§2 van de Nieuwe Ge-meentewet zou bijgevolg geenszins de verplichting volgen voor de gemeente om alle kosten van de definitieve herstelling van alle ondergrondse con-structies op haar grondgebied te dragen.

Zowel [eerste verweerster] als het VLAAMSE GEWEST verwijzen naar het feit dat dit artikel voorschrijft dat de gemeente moet instaan voor de reinheid en de zindelijkheid op haar grondgebied,

Het hof is van oordeel dat artikel 135§2 van de Nieuwe Gemeentewet zelf niet uitdrukkelijk voorziet dat de gemeente moet instaan voor de rioleringen op haar grondgebied. Uit het voorgaande blijkt evenwel dat deze bepaling moet samen gelezen worden met andere bepalingen (zie het arrest van het hof van beroep van 17 mei 2011) waaruit blijkt dat de gemeente ook op het vlak van waterhuishouding en rioleringen een niet te onderschatten en primordiale rol speelt. Hiervoor werd reeds aangeduid dat op basis van al deze elementen er in eerste instantie van uitgegaan moet worden dat de gemeente moet beschouwd worden als de verantwoordelijke voor deze rioleringen en dit kan inderdaad passen in de plicht van de gemeente om in te staan voor de reinheid en zindelijkheid op haar grondgebied zoals voorzien in artikel 135§2 Nieuwe Gemeentewet.

31. Bij wijze van besluit moet dan ook vastgesteld worden dat [eiseres] geen afdoende bewijs levert dat de riolering langsheen deze bewuste weg "eigendom" zou zijn van [eerste verweerster], of dat deze laatste de be-heerder van deze riolering zou zijn.

Het vermoeden dat de gemeente in principe als "eigenaar" of "beheerder" van de rioleringen moet worden beschouwd, wordt bijgevolg niet weerlegd door [eiseres] zodat deze laatste als verantwoordelijke voor deze riolering moet worden beschouwd."
(bestreden arrest blz. 12-16)

Grieven

Krachtens artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek is men aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring heeft. Deze aansprakelijkheid rust op de bewaarder van de gebrekkige zaak wanneer deze zaak aan een derde schade heeft berokkend.

De bewaarder van de zaak is diegene die voor eigen rekening een zaak ge-bruikt, ervan geniet of ze behoudt, met het recht of de macht om er toezicht, lei-ding en controle op uit te oefenen. De doorslaggevende voorwaarde is de vereiste mogelijkheid of de macht tot leiding, toezicht en controle, wat het feitelijk mees-terschap over de zaak inhoudt. De eigenaar kan aldus de bewaring over een zaak aan een derde overdragen zodat de eigenaar niet noodzakelijkerwijze de bewaar-der van de zaak is. De bewaarder is voorts diegene die het gebruik, genot of be-houd van de zaak uitoefent. Dit veronderstelt het bestaan van een feitelijke band van gebruik, genot of behoud, dat doorgaans beschouwd wordt als een gevolg van het feitelijk meesterschap. Ten slotte moet de bewaarder de zaak aanwenden voor eigen rekening.

Eiseres voerde aan dat eerste verweerster de bewaarder is van de gebrek-kige riolering.

Ter zake beslissen de appelrechters dat de riolering in kwestie gebruikt werd voor de afwatering van de Steenweg naar Halle en dat er eigenlijk geen an-dere gebruiker was dan eerste verweerster. In die context moet volgens de appel-rechters worden besloten dat de rioolinfrastructuur deel uitmaakte van het open-baar domein. Daaruit besluiten de appelrechters dat ofwel eiseres ofwel eerste verweerster als "eigenaar" van de riolering moet worden beschouwd. Vervolgens beslissen de appelrechters dat eiseres als eigenaar van de riolering moet worden beschouwd.

Eerste onderdeel

De appelrechters stellen uitdrukkelijk vast dat eerste verweerster als enige het gebruik heeft van de riolering en dat de Steenweg naar Halle een provincieweg is. Het gebruik, genot of behoud van de zaak is één van de toepassingsvoorwaar-den om als bewaarder van een zaak te worden beschouwd in de zin van artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Aldus schenden de appelrechters deze bepaling door te beslissen dat de enige gebruiker van de riolering niet de bewaarder ervan is. Door vooraf vast te stellen dat eerste verweerster en dus niet eiseres als enige het gebruik heeft van de riolering en dat de Steenweg naar Halle een provincieweg is, doch vervolgens te oordelen dat noch de eigendom van de weg noch het ge-bruik van de riolering een nuttig criterium zijn, en dat niet eerste verweerster maar wel eiseres moet beschouwd worden als bewaarder van de riolering, schenden de appelrechters artikel 1384, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Voorts verwijzen de appelrechters naar het arrest dd. 17 mei 2011 in een andere zaak gewezen waarin de appelrechters zich reeds moesten uitspreken over het eigendomsstatuut van de riolering onder de Steenweg naar Halle en waarin be-slist werd dat noch de eigendom van de weg noch het gebruik van de riolering als nuttig criterium kan gelden. Er wordt in dit arrest verwezen naar de rol van de gemeenten die overeenkomstig artikel 135 § 2 Nieuwe Gemeentewet instaan voor de zindelijkheid, de gezondheid en veiligheid en reiniging van de rioleringen, met onder meer een belangrijke taak voor de burgemeester.

Eiseres heeft evenwel verschillende stukken voorgelegd waaruit werd afgeleid dat eerste verweerster de bewaarder is van de gebrekkige riolering. Zo heeft eiseres onder meer als stuk 1 voorgelegd de brief van 25 juni 2002 met betrekking tot de overdracht van de provinciewegen aan het Vlaams Gewest. Hierin staat uit-drukkelijk vermeld: "Ondertussen blijft de provincie instaan voor het onderhoud en beheer van haar wegen". De appelrechters beslissen evenwel dat hierin niets staat over de riolering.

Stuk 2 omvat de brief dd. 20 februari 2008 waarin een besluit van 14 februari 2008 van de deputatie van Vlaams Brabant wordt meegedeeld waarin toela-ting wordt verleend voor het uitgraven van een rioolaansluiting. De appelrechters beslissen evenwel dat dit een loutere toelating bevat voor werken aan haar weg.

Stuk 3 van eiseres betreft het bijzonder bestek van 1991 voor "de aanleg van fietspaden langsheen de provincieweg Halle-Alsemberg tussen de meetpunten 0.000 en 7.654 op het grondgebied van de gemeenten Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Beersel en Sint-Genesius-Rode".

Uit dit stuk blijkt dat de provincie de kosten voor de riolering op zich nam. Eerste verweerster heeft niet ontkend dat zij de kosten op zich nam maar voerde aan dat het slechts ging om een beperkt aantal buizen die bedoeld zouden geweest zijn voor zeer plaatselijke herstellingen om zo geen onnodige administratieve vertragingen op te lopen tijdens de uitvoering van de werken.

Aldus blijkt volgens de appelrechters uit het feit dat eerste verweerster de vervanging van 300 meter buizen voor haar rekening nam, niet dat de gehele riolering eigendom zou zijn van eerste verweerster.

Op grond van de door haar voorgelegde stukken betoogde eiseres dat eer-ste verweerster het feitelijke meesterschap had over en dus de bewaarder was van de riolering aangezien zij de toelating kan geven voor het uitvoeren van werken en bovendien de kosten ervan voor haar rekening nam, o.m. in de volgende bewoor-dingen:

"Daarnaast - en dit ten overvloede - blijkt uit de door concluante bijge-brachte stukken dat de provincie Vlaams-Brabant zich steeds als de be-waarder van het onder de provincieweg gelegen rioleringsstelsel heeft gedragen.

Zo liet de provincie Vlaams-Brabant op 25 juni 2002 aan concluante weten dat zij in het kader van haar ruimtelijk structuurplan voorstelde om de provincieweg als secundaire weg te selecteren en als dusdanig aan het Vlaams Gewest over te dragen. Concluante werd op geen enkele wijze betrokken bij deze overdracht.

Tevens is het besluit van de deputatie van 14 februari 2008 verhelderend. In dit besluit nam de deputatie de voorwaar-den op die een bewoner van de Steenweg naar Halle dient na te leven om zijn woning aan te kunnen sluiten op de riolering.

Zo wordt in detail voorgeschreven aan welke normen de te plaatsen rioolverbindingen moeten voldoen. In het bijzonder bestek 91/3 met betrekking tot de Steenweg naar Halle wordt daarnaast de gedeeltelijke vervanging van de rioleringsbuizen voorzien. Het bestek vermeldt uitdrukkelijk welke werken ten laste van de gemeente vallen ... en de riolering is hier duidelijk niet opgenomen." (Aanvullende syntheseconclusie van eiseres dd. 2 januari 2013, blz. 11-12)

Door enkel te oordelen dat uit de voorgelegde stukken niet blijkt dat de ge-hele riolering eigendom is van eerste verweerster en dat noch de eigendom van de weg noch het gebruik van de riolering als nuttig criterium kan gelden, beantwoor-den de appelrechters evenwel niet het middel van eiseres waarin werd aangevoerd dat uit de door haar voorgelegde stukken bleek dat eerste verweerster het feitelijke meesterschap had over en dus de bewaarder was van de riolering zodat het arrest niet voldoet aan het vormvereiste van artikel 149 van de Grondwet.

Op grond van stuk 2, zijnde de brief van 20 februari 2008 met het besluit van de deputatie Vlaams Brabant dat door eiseres werd aangewend werd door ei-seres betoogd dat daarin door de deputatie van eerste verweerster de voorwaarden werden bepaald die een bewoner van de Steenweg naar Halle dient na te leven om zijn woning aan te kunnen sluiten op de riolering en dat daarin in detail wordt voorgeschreven aan welke normen de te plaatsen rioolverbindingen moeten vol-doen en verder dat in het bestek 91/3 de vervanging van de rioolbuizen wordt voorzien, waaruit werd afgeleid dat eerste verweerster als bewaarder van de riole-ring dient te worden beschouwd.

In zoverre het arrest aldus dient te worden gelezen dat de appelrechters oor-delen dat hieruit niet kan worden afgeleid dat eerste verweerster de bewaarder was van de riolering geven zij een uitlegging van deze stukken die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schenden zij zodoende de bewijskracht ervan nu enerzijds uit stuk 2 blijkt dat eerste verweerster in detail voorschrijft aan welke normen de rioolverbindingen moeten voldoen waaruit noodzakelijkerwijze blijkt dat zij optreedt als beheerder-bewaarder van de rioleringen en anderzijds dat uit stuk 3 blijkt dat eerste verweerster ook de kosten op zich nam voor herstellingen aan de rioleringen, waaruit eens te meer bleek dat zij optrad als beheerder-bewaarder. De appelrechters schenden dan ook de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre zij oordelen dat hieruit niet kan worden afgeleid dat eerste ver-weerster de bewaarder is van de riolering schenden zij het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden" nu uit het bepalen van de voorwaarden waaraan een rioolverbinding moet voldoen en uit het ten laste nemen van herstelkosten van de riolering wel degelijk kan worden afgeleid dat eerste verweerster als bewaarder van de riolering moet worden beschouwd (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Bur-gerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

Krachtens artikel 135 § 2 , lid 1 Nieuwe Gemeentewet hebben de ge-meenten ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede po-litie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op de openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Aldus is de overheid op grond van deze bepaling verplicht om voor het openbaar verkeer alleen voldoende veilige wegen aan te leggen en open te stellen.

Meer bepaald moet de overheid, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, door aangepaste maatregelen ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of niet, voorkomen. Deze verplichting omvat een inspannings-verbintenis in hoofde van de gemeente.

Ter zake beslissen de appelrechters dat deze bepaling zelf niet uitdrukkelijk voorziet dat de gemeente moet instaan voor de rioleringen op haar grondgebied, maar deze bepaling moet volgens de appelrechters wel worden samen gelezen met andere bepalingen waaruit blijkt dat de gemeente een primordiale rol speelt op het vlak van de waterhuishouding en rioleringen.

Hierdoor moet de gemeente volgens de appelrechters worden beschouwd als de verantwoordelijke voor deze rioleringen en dit past volgens de appelrechters in de plicht van de gemeente om in te staan voor de reinheid en de zindelijkheid op haar grondgebied zoals voorzien in artikel 153 § 2 Nieuwe Gemeentewet.

Artikel 135 §2 houdt evenwel in dat de gemeente ertoe gehouden is pas-sende maatregelen te nemen om de openbare veiligheid te waarborgen zonder de verplichting voor de gemeente om definitief alle kosten te dragen van alle onder-grondse constructies op haar grondgebied. Meer bepaald moet de gemeente, ten-zij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, door aangepaste maatregelen ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of niet, voorkomen. Dit artikel bepaalt evenwel niet wie als be-heerder of bewaarder van de riolering onder een provinciale weg dient te worden beschouwd.

Door te beslissen dat de verantwoordelijkheid van de gemeente voor haar rioleringen past in de verplichting van de gemeente om in te staan voor de reinheid en zindelijkheid op haar grondgebied en door op die grondslag te oordelen dat eiseres moet worden beschouwd als bewaarder van de riolering geven de ap-pelrechters aan artikel 135 §2 Nieuwe Gemeentewet een draagwijdte die dit arti-kel niet heeft en schenden zodoende deze wetsbepaling alsook artikel 1384, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

 

TOELICHTING

Op grond van artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek is men aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring heeft. Deze aansprakelijkheid rust op de bewaarder van de gebrekkige zaak wan-neer deze zaak aan een derde schade heeft berokkend.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek rust op de bewaarder van de zaak, die wordt omschreven als diegene die voor ei-gen rekening een zaak gebruikt, ervan geniet of ze behoudt, met het recht of de macht om er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen. (Cass. 25 maart 1943, Arr.Cass. 943, 68; Cass. 24 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 562; Cass. 28 mei 2010, JT 2010, 438)

De aansprakelijkheid in de zin van artikel 1384, lid 1 Bur-gerlijk Wetboek zal vaak op de eigenaar van de gebrekkige zaak rusten, maar dat is niet noodzakelijk het geval. De doorslaggevende voorwaarde is de vereiste mogelijkheid of de macht tot leiding toezicht en controle, wat de feitelijke meesterschap over de zaak inhoudt. Uw Hof heeft trouwens al uitdrukkelijk bevestigd dat de eigenaar de bewaring over een zaak aan een derde kan overdragen. (Cass. 22 maart 2004, Arr.Cass. 2004, 507)

Ook zal de bewaarder aldus diegene zijn die het gebruik, genot of behoud van de zaak uitoefent. Dit veronderstelt het bestaan van een feitelijke band van gebruik, genot of behoud, dat doorgaans beschouwd wordt als een gevolg van het feitelijk meesterschap. (T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 479).

Ten slotte moet de bewaarder de zaak aanwenden voor eigen rekening. Deze voorwaarde heeft tot doel een onderscheid te maken met het toezicht en lei-ding over de zaak dat men voor andermans rekening uitoefent.

De toepassing van deze definitie van de bewaarder van een gebrekkige zaak leidt tot het besluit dat eerste verweerster de bewaarder was van de gebrekki-ge riolering. De appelrechters stellen immers uitdrukkelijk vast dat enkel eerste verweerster gebruiker was van de riolering en dat de Steenweg naar Halle een provincieweg is.

Ook blijkt uit de door eiseres voorgelegde stukken dat eerste verweerster het feitelijke meesterschap had over de riolering aangezien zij de toe-lating kon geven voor het uitvoeren van werken en bovendien de kosten ervan voor haar rekening nam, zodat ook de vereisten "feitelijke meesterschap" en "voor eigen rekening" vervuld zijn in hoofde van eerste verweerster. De appelrechters verantwoorden hun beslissing dan ook niet naar recht door te beslissen dat eiseres en niet eerste verweerster bewaarder was van de gebrekkige riolering.

Eiseres heeft verschillende stukken voorgelegd waaruit bleek dat eerste verweerster de bewaarder is van de riolering. Zo heeft eiseres stuk 1 voorgelegd, nl. de brief van 25 juni 2002 met betrekking tot de overdracht van de provincie-wegen aan het Vlaams Gewest. Hierin staat vermeld: "Ondertussen blijft de pro-vincie instaan voor het onderhoud en beheer van haar wegen". Stuk 2 omvat de brief dd. 20 februari 2008 waarin een besluit van 14 februari 2008 van de deputa-tie van Vlaams Brabant wordt meegedeeld waarin toelating wordt verleend voor het uitgraven van een rioolaansluiting.

Stuk 3 van eiseres betreft het bijzonder be-stek van 1991 voor "de aanleg van fietspaden langsheen de provincieweg Halle-Alsemberg tussen de meetpunten 0.000 en 7.654 op het grondgebied van de ge-meenten Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Beersel en Sint-Genesius-Rode". Uit dit stuk blijkt dat eerste verweerster de kosten voor de riolering op zich nam. Eerste ver-weerster heeft niet ontkend dat zij de kosten op zich nam maar voerde aan dat het slechts ging om een beperkt aantal buizen die bedoeld zouden geweest zijn voor zeer plaatselijke herstellingen om zo geen onnodige administratieve vertragingen op te lopen tijdens de uitvoering van de werken.

Overeenkomstig de rechtspraak uw Hof worden de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek geschonden wanneer de rechter aan een akte een betekenis geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

De bewijskracht van een akte wordt aldus geschonden wanneer de rechter aan de akte een betekenis geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Door uit de door eiseres voorgelegde stukken niet af te leiden dat eerste verweerster het beheer had over de riolering in kwestie, schenden de appelrechters de bewijskracht van deze aktes. Door te oordelen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat eerste verweerster de bewaarder was van de riolering schenden zij het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden".

Ten slotte hebben de appelrechters 135 § 2 Nieuwe Gemeentewet ge-schonden. Dit artikel houdt enkel in dat de gemeente ertoe gehouden is passende maatregelen te nemen om de openbare veiligheid te waarborgen zonder de ver-plichting voor de gemeente om definitief alle kosten te dragen van alle onder-grondse constructies op haar grondgebied.

Meer bepaald moet de overheid, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, door aangepaste maatregelen ieder abnormaal ge-vaar, zichtbaar of niet, voorkomen. (Cass. 25 mei 1994, Arr.Cass. 1994, 528)

Dit artikel bepaalt niet wie als bewaarder van een gebrekkige riolering kan worden beschouwd.

De appelrechters beslissen dat dit artikel niet als zodanig voorschrijft dat de gemeente moet instaan voor de rioleringen op haar grondgebied maar dat uit samenlezing van dit artikel met de andere aangehaalde elementen, evenwel blijkt dat de gemeente moet worden beschouwd als de verantwoordelijke voor de riole-ringen en dat dit past in de plicht van de gemeente om in te staan voor de reinheid en zindelijkheid op haar grondgebied. Op die grondslag besluiten de appelrechters dat eiseres als eigenaar of beheerder van de rioleringen moet worden beschouwd. Zij schenden zodoende deze wetsbepaling.

Op deze gronden en overwegingen, besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiseres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 9 maart 2015

 

Worden bij deze voorziening gevoegd bij de indiening ter griffie:

1. Eensluidend afschrift van de brief van de provincie Vlaams Brabant aan de Gemeente Sint-Genesius-Rode van 25 juni 2002;
2. Eensluidend afschrift van het besluit van de Bestendige Deputatie van Vlaams Brabant dd. 14 februari 2008;
3. Eensluidend afschrift van het Bijzonder Bestek provincie bij aanleg nieuwe fietspaden, aanpassing rioleringen,
welke als stukken 1, 2 en 3 door eiseres aan de appelrechters werden voorgelegd;

4. Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 8 januari 2015 tot instelling cassatieberoep en aanstelling Mr. Johan Verbist;
5. Exploot van betekening van deze voorziening.

Noot: 

Cass. 22 januari 2009, AR C.06.0418.F, AC 2009, nr. 55 en Cass. 18 oktober 2013, AR C.12.0457.F, AC 2013, nr. 536.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 29/06/2017 - 14:21
Laatst aangepast op: do, 29/06/2017 - 14:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.