-A +A

Wie beroep aantekent moet grieven formuleren, louter herhalen van conclusies voor de eerste rechter maakt het beroep nietig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 02/12/2009

Hoger beroep is geen terugmatch, od een recht het juridisch gevecht gewoon eens over te doen. Wie hoger beroep aantekent dient grieven aan te halen tegen het eerste vonnis. Maar om de nietigheid van een beroepsakte in te roepen die een loutere herhaling omvat van de conclusies genomen voor de eerste rechter dient de geïntimeerde belangenschade te bewijzen, bv. de beperking van zijn rechten van verdediging.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1477
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV I. t/ R.G.

...

De (on)toelaatbaarheid van het hoger beroep – Nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep

3.1. Geïntimeerde werpt de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep op. Hij voert daarbij aan dat appellante in strijd met art. 1057, 7o, Ger.W. heeft verzuimd de grieven te vermelden waarop haar rechtsmiddel is gebaseerd. Hij roept zijn daardoor veroorzaakte belangenschade in, meer bepaald door de vertraging die de definitieve regeling van de rechten tussen partijen daardoor oploopt. Appellante betwist het beweerde verzuim en de schade die daardoor aan de zijde van geïntimeerde zou zijn ontstaan. Volgens appellante voldoet haar verzoekschrift wel degelijk aan de vereisten van art. 1057, 7o, Ger.W. Zij besluit tot de regelmatigheid van haar verzoekschrift tot hoger beroep.

3.2. Het verzoekschrift tot hoger beroep moet krachtens art. 1057, 7o, Ger.W. op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven bevatten waarop het rechtsmiddel is gebaseerd.

Deze grieven moeten zodanig worden uitgedrukt dat geïntimeerde met zekerheid weet om welke reden(en) appellant de beroepen beslissing aanvecht, zodat hij zijn verweer hiertegen kan voorbereiden en voordragen. De grieven zullen tevens voor de appelrechter een aanduiding zijn waarop hij zijn onderzoek en zijn beslissing moet richten. Dit vereist dat de grieven voldoende specifiek, nauwkeurig en duidelijk zijn, zonder dat evenwel een gedetailleerde uiteenzetting nodig is.

3.3. Het verzoekschrift tot hoger beroep van appellante bevat een uitvoerige tekst van wel acht bladzijden. Bij nader onderzoek blijkt het motiverend deel van de tekst, waarin, volgens appellante, de grieven werden vermeld, te bestaan uit drie delen: «X.I. De feiten – X.II. Respectieve gerechtelijke uitspraken – X.III. In rechte».

De delen «X.I. De feiten» en «X.II. Respectieve gerechtelijke uitspraken» blijken geen grieven tegen het beroepen vonnis te bevatten en handelen enkel over de feiten en de vorige rechtsgedingen tussen de partijen met aanduiding van wat er tussen partijen reeds definitief is beslecht en wat er nog in betwisting is.

Deze tekst stemt letterlijk overeen met wat appellante reeds in haar conclusie in eerste aanleg van 4 oktober 2007 schreef.

Het deel «X.III. In rechte» bevat volgens appellante haar grieven tegen het beroepen vonnis.

Het hof stelt vast dat appellante in het onderdeel «X.III.1. Het arrest van het hof van beroep van 23 november 2005 heeft kracht van gewijsde» letterlijk de tekst heeft overgenomen van wat zij onder dezelfde titel schreef in haar conclusie in eerste aanleg van 4 oktober 2007. Zij sluit dit onderdeel af met de toevoeging: «Ten onrechte heeft de eerste rechter geen rekening gehouden met deze argumenten». Door deze bewoordingen heeft appellante niet duidelijk gemaakt op welke gronden zij zich door de aangevochten beslissing gegriefd acht. Zij heeft enkel een vage stijlformule toegevoegd die geïntimeerde niet in staat stelt te weten op welke grief hij zich moet verweren. Deze bewoordingen zijn des te onduidelijker omdat de eerste rechter zeer uitvoerig is ingegaan op de argumentatie van appellante en deze ook gedeeltelijk volgde wat de gevorderde veroordeling tot terugbetaling van de hoofdsom betreft. Die werd namelijk, zoals door appellante gevraagd, onontvankelijk verklaard. Appellante geeft in haar verzoekschrift tot hoger beroep nergens aan op welk punt of op welke wijze de eerste rechter zich zou hebben vergist.

Het hof stelt voorts vast dat appellante in het onderdeel «X.III.2. Geen titel tot uitvoering» opnieuw letterlijk de tekst heeft overgenomen van haar conclusie in eerste aanleg van 4 oktober 2007, aangevuld met de bewoordingen: «Ten onrechte heeft de eerste rechter geen rekening gehouden met deze argumenten». Dezelfde stijlformule, als voormeld, werd ook hierbij gehanteerd waardoor werd verzuimd de grieven tegen de beoordeling door de eerste rechter voldoende duidelijk en nauwkeurig uit te drukken. De eerste rechter heeft de argumentatie, die appellante voordroeg, nochtans uitvoerig beantwoord en weerlegd. Appellante heeft echter niet aangegeven op welke gronden zij zich door de beoordeling in eerste aanleg gegriefd acht.

Het hof stelt voorts vast dat appellante zich in het onderdeel «X.III.3. Geen schade geleden door verweerder op verzet» wederom heeft beperkt tot de (bijna) letterlijke overname van wat zij onder dezelfde titel schreef in haar conclusie in eerste aanleg van 4 oktober 2007. Zij voegde daar nog een loutere stijlformule aan toe: «De eerste rechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met deze argumentatie die zij onbesproken heeft gelaten». Deze vermelding is bovendien erg onduidelijk, omdat in het beroepen vonnis wel degelijk op de argumentatie van appellante geantwoord is in alinea‘s 6, 7 en 8 op bladzijde 9 van het vonnis. Op welke grond appellante zich door deze beoordeling gegriefd acht, blijft volstrekt onduidelijk.

Het hof stelt voorts vast dat appellante in het onderdeel «X.III.4. Dubbele verliespost en schadebeperkingsplicht» opnieuw dezelfde handelwijze heeft gehanteerd. Zij heeft haar conclusie in eerste aanleg van 4 oktober 2007 louter geciteerd en eraan toegevoegd: «Volkomen ten onrechte oordeelt de eerste rechter dat verzoekster de verantwoordelijkheid draagt van deze trage rechtsgang», wat ook slechts als een stijlformule geldt. Daaraan wordt niet afgedaan door de bijkomende toevoeging dat geïntimeerde de meest gerede partij was om de nodige procedurele inspanningen te leveren. De eerste rechter heeft immers dat argument beantwoord met verwijzing naar het tussen partijen door dit hof gewezen arrest van 23 november 2005, zodat de loutere herhaling van het argument geen grief uitdrukt waaruit zou kunnen blijken dat de eerste rechter zich heeft vergist en waardoor het voor geïntimeerde duidelijk wordt waartegen hij zich dient te verweren.

Uit het bovenstaande blijkt ook dat het normdoel van art. 1057, 7o, Ger.W. niet werd bereikt.

Het komt het hof voor dat appellante haar standpunten, zoals zij die heeft ingenomen in eerste aanleg, opnieuw aan de appelrechter wil voorleggen zonder aan te duiden door welke beoordeling in eerste aanleg ze concreet gegriefd is. Die handelwijze maakt het de geïntimeerde onmogelijk om van bij de aanvang van het hoger beroep zijn verweer voor te bereiden en voor te dragen en doet een verdubbeling van de procedure ontstaan i.p.v. een behandeling in hoger beroep.

3.4. De nietigheid vermeld in art. 1057 Ger.W. is evenwel een betrekkelijke nietigheid in de zin van art. 861 Ger.W. Het behoort geïntimeerde zijn belangenschade te bewijzen.

Geïntimeerde voert aan dat hij schade lijdt door het verzuim de grieven te vermelden in het verzoekschrift tot hoger beroep of door zich te beperken tot grieven in de vorm van stijlformules. Hij laat gelden dat hij daardoor de draagwijdte van de grieven niet heeft kunnen nagaan van bij de aanvang van het geding in hoger beroep en dat de rechtspleging werd vertraagd.

Het hof stelt vast dat partijen bij de inleiding van het hoger beroep ter terechtzitting van 17 september 2008 een schriftelijk akkoord over het in gereedheid brengen van de zaak neerlegden en dat er dienovereenkomstig een procedurekalender door het hof werd vastgesteld. De rechtspleging in hoger beroep kende een normaal verloop, conform het akkoord van partijen, zonder enige vertraging. Geïntimeerde bewijst dan ook niet dat het gebrekkig verzoekschrift tot hoger beroep van appellante zijn belangen heeft geschaad.

De exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep wordt afgewezen. Het hoger beroep van appellante is toelaatbaar.

 

Noot: 

Uittreksel uit Omzendbrief college procureurs-generaal na vernietigingsarrest van Potpourri II 148/2017 van het grondwettelijk hof

"2 Artikel 204 van het Wetboek van strafvordering (vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016)

2.1 Het begrip "grief' binnen het raam van het aantekenen van hoger beroep

Het Grondwettelijk Hof verwijst naar de veelvuldige cassatierechtspraak in verband met het begrip "grief' in de zin van artikel 204 Sv.In essentie wordt de nadruk erop gelegd dat een "grief' tegen een vonnis moet preciseren op welke tenlastelegging ze betrekking heeft en dat voldoende nauwkeurig moet doen zodat dit de appelrechters en de partijen toelaat om de beslissing of de beslissingen die de appellant wil laten hervormen met zekerheid te bepalen.

Het Hof van Cassatie verwees in zijn rechtspraak betreffende artikel 204 Sv. naar art. 6.1 EVRM. Uit die bepaling volgt dat de lidstaten het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk mogen maken van voorwaarden, maar dat bij de toepassing van die voorwaarden de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden24• Verder heeft het Hof van Cassatie herhaalde malen onderstreept dat artikel 204 Sv. niet voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier de redenen van zijn hoger beroep of de middelen die hij wil aanvoeren om de hervorming van de beslissing te verkrijgen zou opgeven25• Het begrip "grief' valt bijgevolg niet samen met het begrip "middel".

Het Grondwettelijk Hof besluit dat de bestreden bepaling voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift de onderdelen van het vonnis in eerste aanleg aanwijst die hij wil laten hervormen en niet de argumenten die hij daartoe wenst aan te voeren, en stelt (B.45.2):

"Bijgevolg belet de bestreden bepaling niet dat de appellant voor het eerst in hoger beroep en in de loop van de procedure, de middelen aanvoert die hij geschikt acht om de hervorming te verkrijgen van de in eerste aanleg gewezen beslissing met inbegrip, in voorkomend geval, van de overschrijding van de redelijke termijn, of nog, een omkering van de rechtspraak tussen eerste en tweede aanleg".

3 Waarde van een interpretatie van het Grondwettelijk Hof

Er wordt aan herinnerd dat wanneer het Grondwettelijk Hof een beroep tot nietigverklaring verwerpt, gelet op een bepaalde interpretatie van de bestreden wetsbepaling, die interpretatie een door het Hof beslecht rechtspunt is, waaraan de rechtscolleges op grond van artikel 9, § 2 van de bijzondere wet gebonden zijn. De rechtscolleges zijn derhalve ertoe gebonden die bepaling toe te passen in de interpretatie die met de Grondwet bestaanbaar is bevonden."

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/05/2011 - 14:41
Laatst aangepast op: vr, 06/04/2018 - 15:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.