-A +A

Wet continuiteit ondernemingen en feitelijke staat van faillissement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Tongeren
Datum van de uitspraak: 
maa, 25/05/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
331

samenvatting:

de feitelijke staat van faillissement verhindert niet het opstartenan een prcedure collectieve schuldenreling voorover de onderneming toch enige economische waarde heeft en een redelijke kans op overleven heeft in welke alternatieve vorm ook.

tekst van het vonnis

1.2. Feiten

De betrokken schuldenaar wordt sedert geruime tijd gevolgd door de kamer van handelsonderzoek. Op 12 maart 2009 werd reeds een voorlopige bewindvoerder in het raam van art. 8 Faill.W. aangesteld. Deze ging niet over tot dagvaarding in faillissement, omdat een lening van 100.000 euro werd verkregen bij de Vlaamse Participatiemaatschappij en eigen inbreng van 50.000 euro zou gebeuren om de ernstige liquiditeitsproblemen op te lossen. Op dat ogenblik werd ook beweerd dat er een akkoord werd bereikt met de pandeigenaar die reeds een vonnis van huurontbinding verkreeg.

De concrete aanleiding voor het neerleggen van het verzoekschrift was een verkoopdag gesteld op zaterdag 9 mei 2009 op verzoek van een van de schuldeisers.

De gedelegeerd rechter heeft in een kort tijdsbestek een uitvoerige analyse gemaakt van de onderneming. Voor de gedetailleerde analyse van de boekhouding kan hiernaar worden verwezen. Onder zijn impuls werden een aantal elementen toegelicht.

Belangrijk in functie van de beoordeling van de gerechtelijke reorganisatie zijn onder meer de volgende elementen:

– Er is geen personeel meer in dienst. Het personeel werd ontslagen en een technicus zou nu als zelfstandige op afroep herstellingen en onderhoud doen. Het onthaal wordt verzorgd door personeel in opleiding (I.B.O.).

– Het actief van de vennootschap is nagenoeg onbestaande. Het gebouw wordt gehuurd maar er is een vonnis tot ontbinding van de huurovereenkomst. Na dit vonnis werd een akkoord gesloten met de eigenaar, maar dit werd niet nageleefd. De eigenaar is tussengekomen in het geding. Hij is voornemens de ontbinding van de huurovereenkomst uit te voeren omdat er een achterstallige huur is van 29.183 euro tot en met maart 2009. Aangezien april gedeeltelijk betaald is en inmiddels mei is vervallen, is er in wezen een achterstand van 41.972 euro. De garage-uitrusting werd geleased. De toonzaalauto‘s zijn in consignatie. De post handelsvorderingen bestaat in hoofdzaak uit vorderingen in schadevergoeding wegens contractbreuk. Deze vorderingen zijn op zijn minst betwistbaar.

– De eerdere en nu ook weer vermelde bijkomende financieringen via het Participatiefonds en de vrijgave van een pandrekening vinden geen doorgang, omdat aan de voorwaarden niet wordt voldaan.

– Bij een realistische raming kunnen de eerstvolgende maanden de inkomsten niet volstaan om de lopende kosten te dekken.

2. Ten gronde

In de loop van de procedure heeft de betrokkene verduidelijkt dat zij de gerechtelijke reorganisatie vraagt gedurende een maand om in die periode een minnelijk akkoord met de schuldeisers te negotiëren.

De bedoeling van de Wet Continuïteit Ondernemingen is om aan de onderneming waarvan de continuïteit bedreigd wordt, een tijdelijke bescherming te beiden teneinde de continuïteit te verzekeren door een van de mogelijkheden die de wet biedt. Het is duidelijk dat verzoekster zich in casu in staat van faillissement bevindt. De procedure werd ingeleid als een bescherming tegen een uitvoerend roerend beslag. Dit is niet de bedoeling van de Wet Continuïteit Ondernemingen. De omstandigheid dat de faillissementsvoorwaarden voldaan zijn, belet niet dat de gerechtelijke reorganisatie wordt toegekend. Hierbij wordt echter niet meer uitgegaan van het individueel belang van de ondernemer/ eigenaar, maar van het maatschappelijk belang van de onderneming als sociaaleconomische entiteit. Enkel het algemeen belang van het voortbestaan van de onderneming kan verantwoorden dat de belangen van de individuele schuldeisers aan banden worden gelegd. De toekenning van de gerechtelijke reorganisatie houdt immers niet alleen in dat alle uitvoeringen worden opgeschort, maar bovendien dat de ondernemer/schuldenaar zijn bedrijf verder blijft leiden en vrij beheren zonder enige noemenswaardige controle.

Om een dergelijke ingreep te verantwoorden, moet duidelijk zijn dat de onderneming enerzijds een maatschappelijke waarde heeft en anderzijds een redelijke kans op overleven heeft, zij het eventueel in afgeslankte vorm of met een andere kapitaalstructuur.

In casu gaat het om een pas opgericht garagebedrijf zonder personeel dat reeds aan zijn vierde merk toe is. Met één merkhouder is er een ondertekende concessieovereenkomst en met de andere een intentieverklaring. Het enige waardevolle is dat verzoekster een leegstaand industrieel pand heeft omgebouwd tot een toonzaal met werkplaats.

Bovendien blijkt uit de analyse van de gedelegeerd rechter dat de overlevingskansen minimaal om niet te zeggen onbestaande zijn. Naast de formele opmerkingen over de kapitaalstructuur en de invulling van bepaalde balansposten, rijst het probleem van de rendabiliteit. Over de resultaten van de eerste maanden van 2009 zijn tot driemaal toe verschillende cijfers meegedeeld. De vaste kosten bedragen 26.240 euro per maand. Als inkomsten zijn er enkel de commissie op de nieuwe wagens, de verkoop van wisselstukken en de opbrengst van de werkplaats. De omzet (niet de winstmarge van wagens en wisselstukken) bedroeg nauwelijks 40.000 euro en de opbrengst van de werkplaats een kleine 10.000 euro. Er zijn geen directe aanwijzingen van verbetering. Zelfs de aangekondigde bijkomende inbrengen van middelen via leningen en eigen middelen zijn, zoals hiervoren aangeduid, onzeker. In die omstandigheden is er geen enkele realistische kans op overleven. Zelfs indien een minnelijk akkoord wordt bereikt, zullen de middelen ontbreken om alle schuldeisers over een termijn van achttien maanden vanaf heden te voldoen.

Uit het bovenstaande volgt dat de continuïteit van de onderneming niet alleen bedreigd is, maar in de huidige situatie onmogelijk is. Het voortbestaan heeft bovendien een beperkte maatschappelijke relevantie. Het is dan ook niet mogelijk een gerechtelijke reorganisatie toe te staan, wegens de grote risico‘s voor de schuldeisers op zowel aangroei van hun vordering als vermindering van zekerheden, zonder enig uitzicht op een continuïteit van de onderneming.

 

Noot: 

Wanneer aangifte gedaan wordt van staking van betaling of wanneer een zaak wordt ingeleid met oog op faillietverklaring, kan de rechtbank haar beslissing opschorten gedurende een termijn van 15 dagen. Tijdens die termijn kan de onderner een gerechtelijke organisatie aanvragen, dan wel kan de ondernemer binnen deze termijn een schuldeiser of een derde aanduiden met interesse een deel van het bedrijf overt te nemen zodat een gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk toezicht kan geschieden.

zie KB 19 december 2010.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 29/10/2009 - 00:17
Laatst aangepast op: di, 15/03/2011 - 19:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.