-A +A

Werkstraf – Vervangende straf – Herhaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/10/2016

Hoewel de werkstraf in geval van wettelijke herhaling in de zin van art. 56 Sw. in geen geval 300 uren te boven mag gaan (art. 56, vierde lid Sw., zoals aangevuld door art. 14, 2o wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie»), kan de werkstrafvervangende straf waartoe de beklaagde in geval van wettelijke herhaling moet worden veroordeeld, immers het dubbele bedragen van het maximum van de straf die de wet op het wanbedrijf stelt.

Wanneer een werkstraf wordt opgelegd wegens het misdrijf van familieverlating dat werd gepleegd in staat van wettelijke herhaling, kan de werkstrafvervangende straf bestaan ofwel in een gevangenisstraf van acht dagen tot twaalf maanden, ofwel in een geldboete van vijftig euro tot duizend euro.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ B.A.

...

Door gedurende een geruime periode (namelijk van 1 februari 2013 tot en met 31 augustus 2015) meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke te zijn gebleven om de gerechtelijk bepaalde onderhoudsbijdragen voor zijn kinderen en zijn bijdrage in de uitzonderlijke en buitengewone kosten m.b.t. de opvoeding en het onderhoud van de kinderen te betalen en bijgevolg de desbetreffende rechterlijke beslissing moedwillig te hebben genegeerd, heeft de beklaagde zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van familieverlating, wat in beginsel strafbaar wordt gesteld met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen, waarbij tevens een verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig kan worden uitgesproken (art. 391bis Sw.).

Bij de straftoemeting houdt het hof rekening met het reeds beladen strafrechtelijke verleden van de beklaagde, die zich in staat van wettelijke herhaling bevindt (zie hierna). Met de hierna bepaalde bestraffing beoogt het hof voorts dat de beklaagde de ernst van de door hem gepleegde familieverlating zou beseffen en zich voortaan zou houden aan deze of gene rechterlijke beslissingen die hem tot het betalen van onderhoudsbijdragen voor zijn kinderen veroordelen.

Gelet op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 24 juni 2008 van de (toenmalige) Correctionele Rechtbank te Veurne, waarbij de beklaagde wegens diefstal met braak, loondiefstal en gewone diefstal werd veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van drie jaar met probatieuitstel gedurende vijf jaar, staat het vast dat deze beklaagde, die de thans bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd voordat er vijf jaar is verlopen sinds hij de voormelde straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard, zich in staat van wettelijke herhaling bevindt (art. 56 Sw.). Het voormelde probatieuitstel blijkt overigens te zijn herroepen bij arrest van dit hof van 28 oktober 2011.

Het hof is evenwel van oordeel dat kan worden ingegaan op het door de beklaagde subsidiair geformuleerde verzoek om hem een werkstraf op te leggen, eerder dan de door hem eveneens subsidiair gesuggereerde straf onder elektronisch toezicht. Een werkstraf ten belope van het hierna bepaalde aantal uren zal de beklaagde, meer dan een straf onder elektronisch toezicht, het besef bijbrengen dat hij zich voortaan normconform dient te gedragen en is ook de meest aangepaste straf om hem van verdere recidive te weerhouden.

De wetsbepalingen inzake de werkstraf, die aanvankelijk werden opgenomen in de artt. 37ter, 37quater en 37quinquies Sw., zijn met ingang van 1 mei 2016 opgenomen in de artt. 37quinquies, 37sexies en 37septies Sw. Deze vernummering, ingevoerd door art. 9 van de wet van 7 februari 2014 «tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf», zoals gewijzigd door art. 46 van de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie», is immers in werking getreden op de dag waarop de wet van 8 mei 2014 «tot wijziging van de artikelen 217, 223, 224 en 231 van het Gerechtelijk Wetboek» in werking is getreden (art. 16 van de aangehaalde wet van 7 februari 2014, zoals gewijzigd door art. 47 van de aangehaalde wet van 5 februari 2016), zijnde dus, bij gebreke van een andersluidend KB, op 1 mei 2016 (art. 6 van de aangehaalde wet van 8 mei 2014, zoals aanvankelijk gewijzigd door art. 2 van de wet van 26 november 2014 en laatst gewijzigd door art. 13 van de wet van 23 november 2015 «met betrekking tot de inwerkingtreding van diverse bepalingen betreffende justitie»).

De door de wet gestelde voorwaarden voor het opleggen van een werkstraf zijn vervuld (zie art. 37ter Sw., zoals van toepassing vóór de vernummering van deze bepaling bij wet van 7 februari 2014; zie thans, sinds 1 mei 2016, art. 37quinquies Sw). Door de voorzitter werd aan de raadsman van de beklaagde gevraagd of de beklaagde door hem werd ingelicht over de draagwijdte van een werkstraf. De raadsman van de beklaagde antwoordde daarop bevestigend en liet kennen dat de beklaagde zijn toestemming heeft gegeven voor een hem eventueel op te leggen werkstraf.

Voorts dient aan de hierna bepaalde werkstraf een werkstrafvervangende gevangenisstraf te worden gekoppeld zoals hierna bepaald, rekening houdend met de staat van wettelijke herhaling waarin de beklaagde zich bevindt. Hoewel de werkstraf in geval van wettelijke herhaling in de zin van art. 56 Sw. in geen geval 300 uren te boven mag gaan (art. 56, vierde lid Sw., zoals aangevuld door art. 14, 2o wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie»), kan de werkstrafvervangende straf waartoe de beklaagde in geval van wettelijke herhaling moet worden veroordeeld, immers het dubbele bedragen van het maximum van de straf die de wet op het wanbedrijf stelt. Wanneer, zoals te dezen, een werkstraf wordt opgelegd wegens het misdrijf van familieverlating dat werd gepleegd in staat van wettelijke herhaling, kan de werkstrafvervangende straf derhalve bestaan ofwel in een gevangenisstraf van acht dagen tot twaalf maanden, ofwel in een geldboete van vijftig euro tot duizend euro.

De hierna bepaalde werkstrafvervangende gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof absoluut noodzakelijk om de beklaagde de ernst van de door hem gepleegde feiten te doen inzien en om in een voldoende krachtdadige vervangende straf te voorzien wanneer de beklaagde de hem opgelegde werkstraf niet zou uitvoeren.

Het hof voegt hier nog aan toe dat, in weerwil van wat door de beklaagde wordt beweerd, diens financiële en sociale toestand niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking kan worden genomen, althans niet in de zin van art. 85 Sw. Het hof is echter wel van oordeel dat in het licht van de huidige financiële en sociale situatie van de beklaagde (die thans, na zijn faillissement, werkzoekend en alleenstaand blijkt te zijn) er geen reden toe is om hem als bijkomende straf ook een geldboete en/of een verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig op te leggen.

...

Volgt een veroordeling tot een werkstraf van honderd uur of een werkstrafvervangende gevangenisstraf van tien maanden.

Noot: 

zie ook Cass. 24/09/2008; AR P08.1234; juridat

Wanneer de beklaagde om een werkstraf verzoekt, moet de weigering om dergelijke straf op te leggen met redenen worden gemotiveerd die afzonderlijk staan van de redenen van de keuze van de straf en de strafmaat, als bepaald in artikel 195, tweede lid, Sv

Nr. P.08.1234.F
V. B. F.,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 4 juni 2008.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft een conclusie neergelegd.
Op de rechtszitting van 24 september 2008, heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de vrijspraak:

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordeling:

Over het ambtshalve middel: schending van artikel 37ter, §3, tweede lid, van het Strafwetboek:

Naar luid van deze bepaling, moet de rechter die weigert een werkstraf uit te spreken, zijn beslissing met redenen omkleden.

Met toepassing van de artikelen 195, tweede lid, en 211 van het Wetboek van Strafvordering, vermeldt het arrest de redenen van de keuze van de gevangenisstraffen en van de terbeschikkingstelling van de regering en rechtvaardigt het de strafmaat ervoor.

Met geen enkele afzonderlijke reden motiveert het evenwel de weigering om de werkstraf op te leggen waarom de eiser mondeling op de rechtszitting had verzocht.

Deze onwettigheid brengt de vernietiging met zich mee van de beslissingen over de straf en de bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Er is geen grond om de vernietiging uit te breiden tot de beslissing waarbij de appelrechters de misdrijven bewezen hebben verklaard, aangezien deze beslissing zelf niet nietig wordt verklaard.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, bij de uitspraak over de strafvordering betreffende de telastlegging A en B, de eiser tot gevangenisstraffen en terbeschikkingstelling van de regering veroordeelt, alsook tot betaling van een bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/11/2017 - 15:02
Laatst aangepast op: do, 23/11/2017 - 15:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.