-A +A

Werkgever die schade lijdt door een ongeval aan een zwakke weggebruiker is rechthebbende op schadevergoeding art 29 bis WAM

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 07/02/2011
A.R.: 
C.10.0332.N

Onder rechthebbenden in de zin van artikel 29bis, §1, eerste lid WAM 1989, dienen de personen te worden verstaan die zelf schade lijden ten gevolge van de letsels of het overlijden van het slachtoffer

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Referentie: 
241
Jaargang: 
2011
Pagina: 
301
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.10.0332.N
NATEUS nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 79,
eiseres,

tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, met kantoor te 1140 Evere, Everestraat 
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 8 januari 2010.
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 februari 2011 verwezen naar de derde kamer.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 13 april 1995 en voor de wijziging bij wet van 19 januari 2001, bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met uitzondering van de stoffelijke schade, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

2. Onder rechthebbenden, in de zin van deze wetsbepaling, dienen de personen te worden verstaan die zelf schade lijden ten gevolge van de letsels of het overlijden van het slachtoffer.

De werkgever die loon doorbetaalt aan zijn werknemer die het slachtoffer is van een ongeval en ingevolge de opgelopen letsels geen arbeidsprestaties verricht, lijdt schade en is hierdoor een rechthebbende in de voormelde zin.

3. Het middel dat ervan uitgaat dat met de rechthebbenden van het slachtoffer in deze wetsbepaling uitsluitend de nabestaanden van het slachtoffer zijn bedoeld, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten op de som van 494,90 euro jegens de eisende partij en op de som van 182,69 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

Noot: 

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE
_____
C.10.0332.N

Conclusie van advocaat-generaal Mortier:

Situering.

In de zaak die thans voorligt was een werknemer van verweerster als zwakke weggebruiker slachtoffer van een verkeersongeval. Partijen zijn het erover eens dat het geen arbeids(weg)ongeval betrof. Verweerster voerde aan dat haar werknemer een tijdlang werkonbekwaam is geweest, maar zij in die periode wel zijn wedde heeft doorbetaald zonder dat hiervoor prestaties werden verricht. Verweerster stelt hierdoor schade geleden te hebben.

De appelrechters stellen vast dat verweerster als werkgever op basis van artikel 29bis WAM vergoeding vordert voor eigen schade en oordelen dat zij als rechthebbende in de zin van artikel 29bis WAM moet beschouwd worden nu hiermee diegene bedoeld wordt die persoonlijk schade lijdt door weerkaatsing en een eigen recht heeft op vergoeding ingevolge het overlijden of de letsels die het slachtoffer direct lijdt.

Eiseres voert in het enig middel aan dat de appelrechters met deze beoordeling artikel 29bis WAM schenden.
Het begrip "rechthebbende" in artikel 29bis WAM.

2.1. Krachtens dit artikel, zoals te dezen van toepassing, dit is vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001 wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, WAM, 1989, de schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of overlijden, met uitzondering van de stoffelijke schade behoudens kledijschade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken voertuigen, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

De begrippen "slachtoffer" en "rechthebbenden" werden noch in dit artikel, noch in andere bepalingen van deze wet gedefinieerd, zodat zij moeten geïnterpreteerd worden overeenkomstig het gemeenrecht.

Slachtoffer is dan degene bij wie de schade onmiddellijk inslaat, terwijl "rechthebbende" degene is die persoonlijk schade lijdt door weerkaatsing en een eigen recht op vergoeding heeft ingevolge het overlijden of de lichamelijke letsels die het slachtoffer direct lijdt(1)-(2).

Schade bij weerkaatsing is geen onrechtstreekse schade maar persoonlijke en specifieke schade die rechtstreeks het vermogen of de gevoelens van een ander rechtssubject treft.

Het betreft dus niet enkel de morele schade en/of het inkomstenverlies van nabestaanden, maar ook bijvoorbeeld de schade die een vennootschap lijdt door het uitvallen van haar afgevaardigd-bestuurder(3).

Ook de publiekrechtelijke werkgever kan ingevolge een ongeval van één van haar ambtenaren schade door weerkaatsing lijden.

Uw Hof oordeelde(4)dat een publiekrechtelijke persoon die, ten gevolge van een fout van een derde, krachtens de op hem rustende contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen, aan een van zijn personeelsleden de wedde en de op die wedde rustende lasten moet doorbetalen zonder van dat personeelslid arbeidsprestaties te ontvangen, gerechtigd is op een vergoeding voor zover hij hierdoor schade lijdt;

Dat het bestaan van een dergelijke verplichting niet uitsluit dat er schade is, in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij uit de overeenkomst, de wet of het reglement volgt dat de betaling definitief voor rekening moet blijven van degene die ze op die grond moet verrichten;

In de nasleep van de loondoorbetalingsarresten van Uw Hof is de vraag gerezen of de publiekrechtelijke werkgever een eigen recht kan doen gelden tot vergoeding van zijn schade op grond van artikel 29bis WAM. Deze vraag moet immers onderscheiden worden van de vraag of de publiekrechtelijke werkgever als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer zijn uitgaven kan verhalen op de WAM-verzekeraar krachtens artikel 29bis WAM.

Een dergelijk verhaal bestaat voor de publiekrechtelijke werkgever enkel wanneer het verkeersongeval tegelijk een arbeids(weg)ongeval is. In dat geval laat artikel 14bis, §3 van de Arbeidsongevallen- en beroepsziektenwet overheidspersoneel de publiekrechtelijke werkgever uitdrukkelijk in de rechten treden die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis WAM(5).

In de zaak die thans voorligt wordt echter niet betwist dat het geen arbeids(weg)ongeval betrof. Bovendien werd geoordeeld dat het slachtoffer zelf aansprakelijk was voor het ongeval en kon de werkgever geen vordering op grond van artikel 1382-1383 BW uitoefenen(6).

Vanuit een ruime interpretatie van het begrip "rechthebbende" kan de publiekrechtelijke werkgever dus aanzien worden als een rechtssubject dat schade bij weerkaatsing lijdt door het ongeval dat zijn werknemer trof, en kan hij op grond van een eigen recht krachtens artikel 29bis WAM vergoeding verkrijgen voor de betalingen die hij als gevolg van de letsels van zijn personeelslid heeft moeten doen, wat kan aanzien worden als schade voortvloeiend uit de lichamelijke letsels.

2.2. Er zou kunnen betwijfeld worden of de ratio van de vergoedingsregeling van artikel 29bis WAM er wel toe strekt alle schadelijders bij weerkaatsing recht te geven op vergoeding. Deze regeling is immers ingegeven door de bekommernis het lot van bepaalde verkeersslachtoffers te verbeteren en in het bijzonder de vergoeding van de door hen geleden letselschade te vergemakkelijken.

Deze zienswijze kan nog versterkt worden na het arrest nr. 121/2010 van 28 oktober 2010 waarbij het Grondwettelijk Hof op een prejudiciële vraag van de politierechtbank te Antwerpen, oordeelde over de bestaanbaarheid van artikel 29bis WAM met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet "in de interpretatie dat enkel natuurlijke personen als "rechthebbende" in de zin van dit artikel kunnen aangemerkt worden en dat rechtspersonen daarvan worden uitgesloten."

Het Grondwettelijk Hof overwoog dat de bedoelde natuurlijke personen en de rechtspersonen vergelijkbare categorieën van personen zijn, vermits beiden de vergoeding nastreven van de schade bij weerkaatsing die veroorzaakt is door een verkeersongeval.

Het Hof oordeelde, in de interpretatie van de verwijzende rechter dat:

- het verschil in behandeling berust op een objectief criterium namelijk de vaststelling of de rechthebbende een natuurlijke of een rechtspersoon is,
- die maatregel ook relevant is omdat hij ertoe strekt de financiële belangen van het verkeersslachtoffer en van zijn familie te vrijwaren om te vermijden dat zij in een financieel hachelijke situatie zouden terechtkomen, terwijl de rechtspersonen-werkgevers meestal over grotere financiële middelen beschikken, waardoor het voor hen eenvoudiger zal zijn de schade bij weerkaatsing ten laste te nemen,
- die maatregel geen onevenredige gevolgen heeft omdat de uitsluiting van rechtspersonen-werkgevers uit dit begrip, niet betekent dat zij het door hen betaalde loon en de door hen betaalde vergoedingen niet zouden kunnen terugvorderen, aangezien volgens paragraaf 5 van dit artikel de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven op alles wat niet uitdrukkelijk wordt geregeld bij die wetsbepaling.

Uit dit arrest afleiden dat de discussie over de draagwijdte van het begrip "rechthebbende" in artikel 29bis beslecht is nu het Grondwettelijk Hof geoordeeld heeft dat de rechtspersonen hier niet onder vallen, is een te overhaaste conclusie(7).

Er dient immers op gewezen te worden dat:
- het Grondwettelijk Hof enkel uitspraak heeft gedaan over deze problematiek van artikel 29bis "in de interpretatie die de verwijzende rechter hieraan heeft gegeven". Het is niet de taak van het Grondwettelijk Hof te zeggen of een interpretatie correct is, maar wel om te onderzoeken of de norm in een bepaalde interpretatie bestaanbaar is met de normen waaraan het Hof mag toetsen. Het Grondwettelijk Hof is dus geen rechtsprekend orgaan dat het probleem oplost van de juridische interpretatie waarmee de verwijzende rechter wordt geconfronteerd. Wanneer het onderzoek in de door de rechter gegeven interpretatie leidt tot de conclusie dat de bepaling in die lezing conform de Grondwet is, is er geen aanleiding het onderzoek verder te zetten in een andere interpretatie. Zulks vindt zijn verklaring in het gegeven dat het niet de taak is van het Grondwettelijk Hof om erover te oordelen of deze of gene interpretatie van de in het geding zijnde wettelijke norm al dan niet correct is, maar wel om de grondwettigheid of de conformiteit met de bevoegdheidverdelende regels van die norm te onderzoeken(8).

- Bovendien heeft het Hof, zoals blijkt uit wat werd vermeld onder punt B.1.2. van het arrest, zijn beoordeling beperkt tot het geval waarin een publiekrechtelijke werkgever ingevolge de arbeidsongeschiktheid van de werknemer het loon en bijzondere vergoedingen heeft doorbetaald en deze door de werkgever worden teruggevorderd, en heeft het dus niet in algemene zin uitspraak gedaan over andere gevallen waarin een rechtspersoon schade bij weerkaatsing kan leiden, bij voorbeeld, zoals reeds vermeld, de situatie waarin een vennootschap schade lijdt door het uitvallen van haar afgevaardigd- bestuurder.

- Het Grondwettelijk Hof lijkt trouwens zijn beoordeling zelf restrictief op te vatten door onder andere onder punt B.6.2. erop te wijzen dat rechtspersonen- werkgevers meestal, in tegenstelling tot natuurlijke personen over grotere financiële middelen beschikken, waarmee het Hof lijkt aan te nemen dat dit niet altijd het geval is, en door onder punt B.6.3. erop te wijzen dat de rechtspersonen het door hen betaalde loon en vergoedingen kunnen terugvorderen aangezien de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven. Dit zal uiteraard slechts het geval zijn wanneer er een derde aansprakelijke is, maar niet wanneer bij voorbeeld het getroffen personeelslid zelf aansprakelijk is.

2.3. Met betrekking tot het bepalen van de draagwijdte van het begrip "rechthebbende" is het van belang vast te stellen dat de wetgever zelf, in de voorbereidende werken bij het totstandkomen van deze vergoedingsregeling, een ruime invulling heeft gegeven aan dit begrip.

Zo wordt in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van wet houdende Sociale bepalingen(9) waarbij artikel 29bis werd ingevoerd, erop gewezen dat de schade die op grond van dit beginsel moet worden vergoed zowel de schade is geleden door het slachtoffer zelf van lichamelijke letsels uit hoofde van deze letsels, zijn gebeurlijke morele schade alsook die door andere personen geleden schade door terugkaatsing tengevolge van de lichamelijke letsels of het overlijden van het slachtoffer, en er derhalve schadeloosstelling zal zijn voor alle schade ingevolge door het ongeval veroorzaakte lichamelijke letsels andere dan de letsels van de bestuurders zelf van de motorrijtuigen. De schade die het gevolg is van stoffelijke schade zal daarentegen op basis van de ontwerp wet niet worden vergoed.

In het verslag namens de commissie voor de Justitie van de Senaat(10) werd gewezen op de mogelijke begripsverwarring in §1, waar men het heeft over "schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels", maar werd door de Minister verduidelijkt dat dit alle schade betreft, met uitzondering van de stoffelijke schade waarmee de zaakschade wordt bedoeld.

Dit heeft voor gevolg dat ook de rechthebbenden van een slachtoffer recht hebben op vergoeding, ook al hebben zij geen lichamelijke letsels bij het ongeval opgelopen.

Niettegenstaande de Minister er bij zijn tussenkomst op wees dat deze rechthebbenden dan recht hebben op morele schadevergoeding, wordt nergens uitgesloten dat ook andere personen, die materiële schade leiden voortvloeiend uit de lichamelijke letsels, op grond van dit artikel vergoeding kunnen bekomen.

In dit verband kan trouwens opgemerkt worden dat de Ministerraad in het kader van de procedure die aanleiding gaf tot het hierboven vermeld arrest nr.121/2010 van 28 oktober 2010 van het Grondwettelijk Hof, het standpunt innam dat artikel 29bis WAM geen onderscheid maakt tussen natuurlijke en rechtspersonen.

Uw Hof oordeelde reeds herhaaldelijk dat de parlementaire voorbereiding van een wet niet kan worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan.(11)

Dus zelfs al zou op basis van de destijds gegeven toelichting door de Minister geargumenteerd worden dat enkel de rechtstreekse nabestaanden of familieleden als rechthebbende in de zin van artikel 29bis WAM bedoeld werden, toch blijft het een feit dat de tekst van artikel 29bis zelf dit onderscheid niet maakt.

2.4. Uw Hof oordeelde bij arrest van 26 oktober 2007(12) en nadien bij arrest van 24 april 2009(13) dat krachtens artikel 29bis WAM alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of overlijden wordt vergoed en de wetgever door het invoeren van dit artikel de verzekeraar heeft willen verplichten tot vergoeding van de andere slachtoffers dan de bestuurder van het in het ongeval betrokken motorrijtuig en zijn rechthebbenden.

3. Uit wat voorafgaat volgt dat de werkgever van het slachtoffer die vergoeding van eigen schade vordert ingevolge het ongeval van zijn werknemer, omdat hij het loon is moeten blijven doorbetalen niettegenstaande het slachtoffer ingevolge de letsels opgelopen bij het ongeval geen arbeidsprestaties heeft verricht, als rechthebbende in de zin van artikel 29bis WAM kan beschouwd worden.

Het enig middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
Conclusie: VERWERPING.
_____________
(1) C. Van Schoubroeck, Vergoeding van schade door verkeersongevallen ongeacht aansprakelijkheid, in Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, XXXIII° Postuniversitaire cyclus Delva, Gandaius, 530.
(2) L. Cornelis, De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen, R.W., 1998-1999, 527.
(3) L. Cornelis, De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen, R.W., 1998-1999, 527.
(4) Cass. 10 april 2003, AR C.01.0329.F, A.C. 2003, nr. 245.
(5) I. Boone, De eigen schade van de publiekrechtelijke werkgever, noot onder Cass. 10 april 2003, in R.A.B.G., 2005, 1095.
(6) Zie Cass. 21 september 2009, AR C.08.0245.N, Pas., 2009, nr. 511;ook gepubliceerd in N.J.W., 2009, 902 met noot I. Boone en V.A.V., 2010, 148 met noot J. Muyldermans.
(7) Zie ter zake ook de noot van I. Boone in N.J.W., 2010, 785-786.
(8) J. Smets, De verhouding van het Arbitragehof tot de verwijzende rechter in het prejudiciële contentieux, T.B.P., 2005/4-5, 234 en 237.
(9) Senaat, ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, memorie van Toelichting, 980-1 (1993-1994), 32.
(10) Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, verslag namens de commissie voor de justitie, Doc. 980-3 (1993-1994), 28-29.
(11) Cass. 21 februari 1967, A.C. 1966-67, 789; Cass. 22 december 1994, AR C.94.0035.F; A.C. 1994, nr. 573; Cass. 30 juni 2006, C.050117.F, A.C. 2006, nr. 371.
(12) Cass. 26 oktober 2007, AR C.06.0341.F; Pas., 2007, nr. 507.
(13) Cass. 24 april 2009, AR C.07.0120.N, A.C., 2009, nr. 275.

 

Zie ook: 

• Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen 6eB Kamer – 26 april 2011, RW 2012-2013, 710

Samenvatting

Wanneer een werkgever loon doorbetaalt aan zijn werknemer die het slachtoffer is van een ongeval en ingevolge de opgelopen letsels geen arbeidsprestaties verricht,schade lijdt is hij een rechthebbende in de zin van art. 29bis WAM-wet.

Wanneer aldus een werkgever het loon dient door te betalen krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen n zonderdat de werknemùer arbeidsprestaties lever, lijdt de werkgever schade in de zin van art. 29bis WAM-wet. Deze schade is gelijk aan het bedrag van de doorbetalingen die zij heeft uitgevoerd zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen.

Tekst van het vonnis:

NV M.V. t/ Vlaamse Gemeenschap

I. Antecedenten

Het geding tussen de partijen betreft een aanrijding van 30 november 2006 omstreeks 17 u 15 te Antwerpen op het kruispunt van de Kleine Doornstraat met de Laaglandweg. Daarbij waren betrokken:

– de fiets Batavus, bestuurd door A.S.;

– de personenwagen Toyota, bestuurd door W. De G. en verzekerd bij M.

A.S. reed in de Kleine Doornstraat en wilde aan het kruispunt met de rechts daarvan liggende Laaglandweg gewoon rechtdoor rijden.

W. De G. kwam van de Laaglandweg en is aan het kruispunt met de Kleine Doornstraat naar rechts afgeslagen.

Op het kruispunt zijn A.S. en W. De G. met elkaar in aanrijding gekomen, waarop A.S. is gevallen. Hierbij heeft zij vrij ernstige letsels opgelopen.

Voor A.S. was die aanrijding ook een arbeidswegongeval. Haar werkgever, de Vlaamse Gemeenschap, heeft destijds haar wedde verder doorbetaald. Nadien heeft zij zich wel tot M. gericht opdat deze daar een deel van zou terugbetalen. Het ging meer bepaald om de wedde die overeenstemde met de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid, lopende van 1 december 2006 tot en met 30 juni 2007. Nadien is het immers eerst vakantie geweest en daarna is A.S. beginnen werken.

M. is daar toen gedeeltelijk op ingegaan. Zij betwistte namelijk hoegenaamd niet dat de Vlaamse Gemeenschap in de rechten van A.S. was gesubrogeerd. Zij betwistte daarentegen wel (1) dat de Vlaamse Gemeenschap over een eigen recht zou beschikken en (2) dat de berekeningen die de Vlaamse Gemeenschap als gesubrogeerde had gemaakt, juist zouden zijn.

III. Grond van de zaak

...

3. Eigen recht van de Vlaamse Gemeenschap in het raam van art. 29bis, § 1, eerste lid WAM

Onder rechthebbenden, in de zin van deze wetsbepaling, dienen de personen te worden verstaan die zelf schade lijden ten gevolge van de letsels of het overlijden van het slachtoffer.

De werkgever die loon doorbetaalt aan zijn werknemer die het slachtoffer is van een ongeval en ingevolge de opgelopen letsels geen arbeidsprestaties verricht, lijdt schade en is hierdoor een rechthebbende in de voormelde zin (zie in die zin: Cass. 7 februari 2011, www.cass.be).

De overweging dat art. 29bis, § 1, eerste lid WAM, in die zin geïnterpreteerd dat rechtspersonen niet vallen onder het begrip rechthebbenden, art. 10 en 11 van de Grondwet niet schendt (zie in die zin: GwH 28 oktober 2010, www.grondwettelijkhof.be), ondermijnt het bovenstaande niet. Het Grondwettelijk Hof spreekt zich namelijk niet uit over de juistheid van de specifieke interpretatie die aan het hof wordt voorgelegd maar over de verenigbaarheid ervan met de Grondwet (zie in die zin: Cass. 7 februari 2011, www.cass.be, conclusie advocaat-generaal R. Mortier).

Bovendien blijkt uit die beslissing ook niet dat de omgekeerde interpretatie nu per definitie in strijd met de Grondwet zou zijn.

4. Omvang van de schade in het raam van art. 29bis, § 1, eerste lid WAM

De Vlaamse Gemeenschap die, ingevolge een verkeersongeval in de zin van art. 29bis, § 1 WAM, krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit immers niet uit dat schade in de zin van art. 29, § 1, eerste lid WAM ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

Welnu, uit de subrogatie bepaald in art. 14bis, § 3 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, blijkt dat de doorbetaling door de Vlaamse Gemeenschap van de wedde en de op die wedde rustende bijdragen aan A.S. niet definitief voor rekening van de Vlaamse Gemeenschap moet blijven. De omvang van deze subrogatie is te dezen van geen belang. De schade die de Vlaamse Gemeenschap ter zake heeft geleden, is integendeel gelijk aan het bedrag van de doorbetalingen die zij heeft uitgevoerd zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen.

Hierbij moet de Vlaamse Gemeenschap niet bijkomend bewijzen dat zij overige personeelsleden supplementair heeft moeten inzetten of dat zij een nieuw personeelslid heeft moeten aanwerven. Zij moet ook niet bijkomend aantonen dat zij haar dienstverlening heeft moeten vertragen of verminderen.

...

• Cassatie 06/11/2015, AR AR nr. C.14.0391.F, juridat

Eenieder die zelf schade lijdt ten gevolge van de letsels of het overlijden van een zwakke-weggebruiker is rechthebbende van het slachtoffer, in de zin van art.29bis, § 1, eerste lid WAM, is . Ook de werkgever die zelf schade lijdt doordat hij loon moet betalen aan een werknemer die het slachtoffer wordt van een verkeersongeval waardoor hij geen arbeidsprestaties meer kan verrichten, is bijgevolg een rechthebbende in de zin van art. 29bis, § 1, eerste lid WAM.

Tekst arrest

Nr. C.14.0391.F
FRANSE GEMEENSCHAP VAN BELGIË, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister van Leerplichtonderwijs,
tegen
ETHIAS nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 26 november 2013.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001;

- de artikelen 26 tot 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zoals ze van toepassing waren na de wijziging ervan door de bijzondere wet van 21 februari 2010 en vóór de wijziging ervan bij artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 2014.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep gegrond; wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de rechtsvordering niet-verjaard verklaart; zegt voor recht dat de [eiseres] te dezen slechts een subrogatoire rechtsvordering kan instellen krachtens artikel 14bis, § 3 in fine, van de wet van 3 juli 1967; verwerpt bijgevolg haar vordering en veroordeelt haar tot de kosten van eerste aanleg en van het hoger beroep van de [verweerster].

Het beroepen vonnis grondt die beslissingen hierop dat de eiseres in dit geval over geen enkel rechtstreeks rechtsmiddel tegen de verweerster zou beschikken krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, aangezien zij geen rechthebbende is in de zin van die bepaling, en dit om de volgende redenen:

"2.1. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 bepaalt:

‘§ 1. - Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.

[...] § 4. - De verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden.

[...] § 5. - De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld';

2.2. Het begrip ‘rechthebbende' wijst op elke persoon die recht heeft op de vergoeding wegens het overlijden of de letsels van het rechtstreekse slachtoffer van het ongeval;

Het gezin en de verwanten van de gewonde of overledene zijn dus rechthebbenden in de zin van voormeld artikel 29bis;

Die omschrijving kan echter niet worden uitgebreid tot de werkgever van het slachtoffer;

De bepaling van artikel 29bis voert immers een volstrekt uitzonderlijke vergoedingsregeling in ten behoeve van de zwakke weggebruikers, aangezien ze een zwakke weggebruiker die het slachtoffer is van een verkeersongeval of zijn rechthebbenden toelaat de vergoeding van hun schade te verkrijgen van de WAM-verzekeraar en dit, ongeacht elk begrip van fout;

Die regeling wijkt dus af van het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en moet beperkend worden uitgelegd;

De wetgever heeft de bepaling van artikel 29bis ingevoerd om de als zwak aangemerkte personen die ten gevolge van een wegverkeersongeval in een financieel hachelijke situatie terechtkomen, te helpen. Die precaire situatie is eigen aan natuurlijke personen maar niet aan een openbare werkgever, die over grotere financiële middelen beschikt om de schade ten laste te nemen die hij door het ver-keersongeval van zijn personeelslid lijdt.

Gelet op die gegevens, bestaat er geen grond om het begrip ‘rechthebbende' in de onderzochte bepaling in die zin uit te leggen dat die ook op de openbare werkgever betrekking heeft.

2.3. Het Hof van Cassatie heeft weliswaar tweemaal het tegenovergestelde beslist;

In zijn arrest van 7 februari 2011 heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat ‘onder rechthebbenden in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989 de personen dienen te worden verstaan die zelf schade lijden ten gevolge van de letsels of het overlijden van het slachtoffer' en dat ‘de werkgever die loon doorbetaalt aan zijn werknemer die het slachtoffer is van een ongeval en ingevolge de opgelopen letsels geen arbeidsprestaties verricht, schade lijdt en hierdoor in de voormelde zin een rechthebbende is';

In zijn arrest van 20 januari 2012 heeft het Hof van Cassatie niet uitdrukkelijk gezegd dat de openbare werkgever een rechthebbende was in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 maar dat ‘de beslissing die oordeelt dat enkel de verwanten van het slachtoffer rechthebbenden zijn in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 [...], die bepaling schendt', terwijl de persoon die zich op artikel 29bis beriep de NMBS-Holding was, een naamloze vennootschap naar publiek recht.

Nochtans is de rechtbank niet wettig verplicht om zich naar die arresten te voegen, aangezien de verplichte draagwijdte ervan beperkt is tot de rechter op verwijzing na een tweede cassatie om dezelfde redenen (artikel 1120 van het Gerechtelijk Wetboek).

2.4. De uitlegging van de rechtbank is daarentegen conform de arresten van het Grondwettelijk Hof van 28 oktober 2010 en 18 mei 2011;

In die twee arresten heeft het Grondwettelijk Hof, op een prejudiciële vraag, immers geoordeeld dat het verschil in behandeling, dat voortvloeit uit het feit dat de rechtspersonen-werkgevers niet vallen onder artikel 29bis van [de] wet van 21 november 1989, op een objectief criterium berustte en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond;

Om daartoe te besluiten, stelt het Grondwettelijk Hof vast dat, ‘rekening houdend met de bedoeling van de wetgever, de in het geding zijnde maatregel relevant is.

Hij strekt ertoe de financiële belangen van het verkeersslachtoffer en van zijn familie te vrijwaren, om te vermijden dat zij in een financieel hachelijke situatie zouden terechtkomen. Daarentegen beschikken rechtspersonen-werkgevers, in tegenstelling tot natuurlijke personen, meestal over grotere financiële middelen, waardoor het voor hen eenvoudiger zal zijn de schade bij weerkaatsing ingevolge een verkeersongeval ten laste te nemen. De in het geding zijnde maatregel heeft geen onevenredige gevolgen. De omstandigheid dat rechtspersonen-werkgevers niet onder artikel 29bis van de voormelde wet vallen, betekent immers niet dat zij het door hen betaalde loon en de door hen betaalde vergoedingen niet zouden kunnen terugvorderen, aangezien, volgens paragraaf 5 ervan, de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven op alles wat niet uitdrukkelijk wordt geregeld bij die wetsbepaling';

Door op de gestelde vraag te antwoorden dat artikel 29bis van de voormelde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, heeft het Grondwettelijk Hof die bepaling zodanig uitgelegd dat het de rechtspersonen-werkgevers uitsluit van de toepassing van die bepaling;

Die uitlegging van het Grondwettelijk Hof in zijn arresten van 28 oktober 2010 en 18 mei 2011 stemt overeen met het doel dat de wetgever met de invoering van artikel 29bis van de voormelde wet heeft willen bereiken;

Die uitlegging, waaraan de rechtbank de voorkeur geeft, verklaart ook waarom, na de inwerkingtreding van die bepaling, artikel 14bis van de wet van 3 juli 1967 werd gewijzigd. Immers, hoewel openbare werkgevers beschouwd konden worden als rechthebbenden in de zin van artikel 29bis, was er geen enkele reden om een subrogatoire rechtsvordering in hun voordeel in te voeren wanneer het slachtoffer, zoals in dit geval, een zwakke weggebruiker is.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat de [eiseres] in voorliggend geval over geen enkel rechtstreeks rechtsmiddel tegen de [verweerster] beschikt krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, aangezien zij geen rechthebbende is in de zin van die bepaling."

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens het in het middel bedoelde artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989, wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Onder rechthebbenden, in de zin van die wetsbepaling, moeten de personen worden verstaan die zelf schade hebben geleden ten gevolge van de letsels of het overlijden van het slachtoffer, aangezien het in het middel bedoelde artikel 29bis, § 1, eerste lid, geen enkel onderscheid maakt tussen de economische of morele schade van de naasten van het slachtoffer en de economische schade van zijn werkgever.

De werkgever die, zoals de eiseres, de betaling vordert van het loon van een werknemer die door een verkeersongeval is getroffen en die wegens zijn letsels geen arbeidsprestaties meer kan verrichten, is een rechthebbende in de voormelde zin.

Het bestreden vonnis, dat het tegendeel beslist, schendt artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de in het middel bedoelde wet van 21 november 1989.
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989 wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in arti-kel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Een rechthebbende van het slachtoffer, in de zin van die bepaling, is eenieder die zelf schade lijdt ten gevolge van de letsels of het overlijden van dat slachtoffer.
De werkgever die zelf schade lijdt doordat hij loon moet betalen aan een werkne-mer die het slachtoffer wordt van een verkeersongeval waardoor hij geen arbeids-prestaties meer kan verrichten, is bijgevolg een rechthebbende in de zin van voor-noemd artikel 29bis, § 1, eerste lid.

Het bestreden vonnis, dat het tegendeel beslist, schendt die wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel van het middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie,  en in openbare terechtzitting van 6 november 2015 uitgesproken

C.14.0391.F
Conclusions de M. l'avocat général J.F. LECLERCQ.

1. Le moyen unique proposé à l'appui du pourvoi soumet une fois de plus à votre Cour la question de connaître ce qu'il y a lieu d'entendre par ayant droit au sens de l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs.

Aux termes dudit article 29bis, § 1er, alinéa 1er, première phrase, en cas d'accident de la circulation impliquant un ou plusieurs véhicules automoteurs, aux endroits visés à l'article 2, § 1er, et à l'exception des dégâts matériels et des dommages subis par le conducteur de chaque véhicule automoteur impliqué, tous les dommages subis par les victimes et leurs ayants droit et résultant de lésions corporelles ou du décès, y compris les dégâts aux vêtements, sont réparés solidairement par les assureurs qui, conformément à la loi du 21 novembre 1989, couvrent la responsabilité du propriétaire, du conducteur ou du détenteur des véhicules automoteurs.

Le moyen fait spécialement grief au jugement attaqué du tribunal de première instance statuant en degré d'appel, de décider que la demanderesse "ne dispose, en l'espèce, d'aucun recours direct contre la (défenderesse) en vertu de l'article 29bis de la loi du 21 novembre 1989, n'étant pas un ayant droit au sens de cette disposition".

2. Le moyen, en sa première branche, soutient qu'il y a lieu d'entendre par ayant droit au sens de l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, précité, la personne qui, comme la demanderesse, est l'employeur de la victime et poursuit le payement de la rémunération de son travailleur qui a été victime d'un accident de la circulation et qui ne peut plus fournir les prestations de travail en raison de ses blessures.

Le jugement attaqué considère que "la famille et les proches de la personne blessée ou décédée sont (...) des ayants droit au sens de l'article 29bis précité (mais que) cette définition ne peut par contre être étendue à l'employeur de la victime".

A titre strictement personnel, je n'ai aucune raison de m'écarter des observations que j'ai émises dans mes conclusions avant l'arrêt de votre Cour du 20 janvier 2012 et, dès lors, de renoncer à mon opinion personnelle suivant laquelle par "ayant droit" au sens de la disposition précitée, il y a lieu d'entendre les proches des usagers faibles victimes d'un accident de la circulation (voir concl. MP avant Cass. 20 janvier 2012, RG C.09.0353.F, Pas. 2012, n° 59, spécialement p. 162, n° 5).

Cependant, par souci, une fois encore, de sécurité juridique (voir mes concl. précitées, p. 162, n° 6), je conclurai que le jugement attaqué viole l'article 29bis précité pour les raisons qu'il expose et qui ne sont pas conformes aux arrêts de votre Cour.

Mais je prendrai aussi la liberté d'ajouter qu'étant donné que la doctrine des arrêts de la Cour sur cette question est, on en conviendra, contestée par les juges du fond, l'interprétation plutôt littérale donnée par la Cour mériterait d'être reconsidérée, me semble-t-il.

3. Il y a lieu de casser le jugement attaqué en tant qu'il dit pour droit que la demanderesse ne peut exercer, en l'espèce, qu'un recours subrogatoire en vertu de l'article 14bis, § 3, in fine, de la loi du 3 juillet 1967, qu'il déboute la demanderesse de sa demande fondée sur l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 21 novembre 1989 et qu'il statue sur les dépens.

4. Il apparaît sans intérêt d'examiner le moyen, en sa seconde branche, qui ne pourrait entraîner une cassation plus étendue.

Conclusion: cassation partielle.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 15/07/2011 - 16:47
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 07:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.