-A +A

Weigering ambtenaar van de burgerlijke stand een schijnhuwelijk te voltrekken - Termijnen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 28/02/2017

Het fundamentele recht om te huwen zoals verwoord in artikel 12 EVRM is geen absoluut recht is en deze bepaling enkel beoogt het werkelijke huwelijk te beschermen, doch niet het geveinsde huwelijk dat louter wordt aangegaan om andere wetgeving te omzeilen .

De bewuste aanwending van een rechtsinstituut dat tot de openbare orde en de grondslagen van onze samenleving behoort, voor een heel ander doel dan waarvoor het is ingesteld, maakt een inbreuk vormt op de openbare orde

Voor het tot stand komen van een geldig huwelijk is vereist dat de toestemming van beide huwelijkskandidaten waarachtig is;

De rechtbank, respectievelijk het Hof dient de ware intentie van geïntimeerden na te gaan teneinde te bepalen of het voorgenomen huwelijk strekt tot het vormen van een ware en bestendige levensgemeenschap tussen de kandidaat huwenden, dan wel of het de facto van zijn normale doel wordt afgewend.

Gelet op de vrijheid van huwelijkssluiting, mag er in beginsel van mag worden uitgegaan dat een door twee personen voorgenomen huwelijk beantwoordt aan de normale intentie van het huwelijk, namelijk van het vormen van een bestendige levensgemeenschap met elkaar;

Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand beslist om de voltrekking van het huwelijk te weigeren, dient dit te gebeuren op grond van een geheel van omstandigheden die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangeven dat het huwelijk door minstens een van beide kandidaat-huwenden wordt afgewend van zijn normale doel;

Het is evenwel niet omdat bepaalde feiten en omstandigheden, afzonderlijk beschouwd, niet tot het bestaan van een schijnhuwelijk zouden kunnen doen besluiten, dat zij in hun geheel genomen in het licht van de concrete situatie niet zouden kunnen volstaan om aan te nemen dat het voorgenomen huwelijk in hoofde van één of zelfs van beide huwelijkskandidaten niet er op gericht is een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

De rechter oefent geen administratief toezicht uit op de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zijn beoordeling is niet beperkt tot een controle op de wettigheid van deze weigeringsbeslissing. De rechter oefent integendeel zijn rechtsmacht over die beslissing volledig volledig uit.

De rechter dient deze beslissing tot weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand niet uitsluitend te beoordelen in functie van de gegevens zoals die op het ogenblik van de weigering voor de ambtenaar van de burgerlijke stand werden voorgebracht. De rechter kan en moet integendeel ook rekening houden met de hem op regelmatige wijze voorgelegde gegevens die dateren van na deze weigeringsbeslissing of die pas na deze weigeringsbeslissing bekend werden of zijn komen vast te staan.

Dit betekent dat zowel de ambtenaar van de burgerlijke stand als de kandidaat-huwenden voor de rechter feitelijke elementen kunnen aanbrengen die dateren van na de datum waarop de weigeringsbeslissing genomen werd.

Overeenkomstig artikel 16 7, tweede lid B.W. kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk kan uitstellen gedurende twee maanden te rekenen vanaf de door de kandidaat-huwenden vooropgestelde huwelijksdatum.

De procureur des Konings deze termijn nogmaals kan verlengen met drie maanden, waardoor de totale maximale termijn van uitstel op vijf maanden komt, te rekenen vanaf de door de kandidaat-huwenden vooropgestelde huwelijksdatum.

Artikel 16 7, derde lid B. W. bepaalt dat indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen deze termijnen van uitstel nog geen definitieve beslissing heeft genomen, hij onverwijld het huwelijk dient te voltrekken, en dit ook al zou hij van oordeel zijn dat het om een schijnhuwelijk gaat; 

De verlengde termijn van 5 maanden dient berekend vanaf de voorgenomen huwelijksdatum  (de dies a quo wordt niet meegeteld).

Artikel 167, derde lid B.W. spreekt uitdrukkelijk over het nemen van een definitieve beslissing en niet over het ter kennis brengen van de definitieve beslissing;

Artikel 167, vierde lid B.W. bepaalt dat de weigeringsbeslissing door de ambtenaar van de burgerlijke stand "zonder verwijl", dat wil zeggen zonder uitstel, aan de kandidaat-huwenden ter kennis gebracht moet worden, en niet dat deze weigeringsbeslissing de dag zelf waarop zij genomen wordt, ter kennis gebracht zou moeten worden; 

Publicatie
tijdschrift: 
T.Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/2
Pagina: 
48
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep Brussel 28 februari 2017

( ... )

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis van 1 februari 2016 wordt de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt voor recht gezegd dat de ambtenaar van de burgerlijke stand te L. onverwijld het huwelijk tussen geïntimeerden dient te voltrekken.

De ambtenaar van de burgerlijke stand wordt tevens veroordeeld in de gerechtskosten, begroot op € 272,55 kosten van dagvaarding en rolstelling.

Voorwerp van het hoger beroep

Overeenkomstig zijn syntheseconclusie voor het hof vordert appellant, met de hervorming van het bestreden vonnis:

* zijn weigeringsbeslissing van 2 september 2015 tijdig en gegrond te verklaren.

Geïntimeerden vorderen overeenkomstig hun conclusie: * het hoger beroep ongegrond te verklaren;

* dienvolgens appellant te bevelen om onverwijld het huwelijk van geïntimeerden te voltrekken;

* met het oog daarop de wettelijke termijn bepaald in artikel 165, § 3 B.W. te verlengen.

Nieuwe vordering van geïntimeerden in graad van hoger beroep

Geïntimeerden stellen een nieuwe vordering in teneinde appellant te doen veroordelen tot een schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op € 500.

Appellant vordert de "tegenvordering" van geïntimeerden wegens tergend en roekeloos geding af te wijzen.

Beoordeling

1. Aangaande de tijdigheid van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand

1.1. Overwegende dat de eerste rechter van oordeel is dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn beslissing tot weigering om het huwelijk van geïntimeerden te voltrekken niet tijdig heeft genomen;

Dat hij op die grond voor recht zegt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld dient over te gaan tot voltrekking van het huwelijk;

Dat appellant dit betwist en meent dat zijn weigeringsbeslissing wel degelijk tijdig was;

Dat geïntimeerden in hoofdorde de bevestiging van het door de eerste rechter aangenomen standpunt vorderen.

1.2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 16 7, tweede lid B.W. de ambtenaar van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk kan uitstellen gedurende twee maanden te rekenen vanaf de door de kandidaat-huwenden vooropgestelde huwelijksdatum, en de procureur des Konings deze termijn nogmaals kan verlengen met drie maanden, waardoor de totale maximale termijn van uitstel op vijf maanden komt, te rekenen vanaf de door de kandidaat-huwenden vooropgestelde huwelijksdatum;

Overwegende dat in huidige zaak appellant het huwelijk eerst heeft uitgesteld gedurende twee maanden, en de procureur des Konings vervolgens het huwelijk heeft uitgesteld met een bijkomende termijn van drie maanden; Overwegende dat artikel 16 7, derde lid B. W. bepaalt dat indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen deze termijnen van uitstel nog geen definitieve beslissing heeft genomen, hij onverwijld het huwelijk dient te voltrekken, en dit ook al zou hij van oordeel zijn dat het om een schijnhuwelijk gaat; Overwegende dat in de akte van huwelijksaangifte van 19 maart 2015 als voorgenomen huwelijksdatum 3 april 2015 wordt opgegeven;

Dat de verlengde termijn van 5 maanden derhalve berekend dient te worden vanaf 3 april 2015, zodat de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn beslissing uiterlijk op 3 september 2015 diende te nemen (de dies a quo wordt niet meegeteld); Overwegende dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn weigeringsbeslissing genomen heeft op 2 september 2015, dus vooraleer de termijn van vijf maanden te rekenen vanaf de opgegeven datum van huwelijkssluiting verstreken was (dossier neergelegd door het O.M.);

Dat deze weigeringsbeslissing door de ambtenaar van de burgerlijke stand bij aangetekende brief, gedateerd op 2 september 2015, aan geïntimeerden ter kennis werd gebracht; Dat het juist is, zoals door de eerste rechter wordt opgemerkt, dat uit de zogenaamde E-tracker van bpost blijkt dat de door appellant verstuurde aangetekende brief slechts op 4 september 2015 door de postdiensten in ontvangst werd genomen, en dat de zending pas op 7 september 2015 aan geïntimeerden werd afgeleverd (stuk 9 geïntimeerden);

Dat in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelt, zulks nochtans niet tot de conclusie kan leiden dat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet binnen de wettelijke termijn een definitieve beslissing aangaande het voltrekken van het huwelijk zou hebben genomen;

Dat artikel 167, derde lid B.W. uitdrukkelijk spreekt over het nemen van een definitieve beslissing en niet over het ter kennis brengen van de definitieve beslissing;

Dat bovendien artikel 167, vierde lid B.W. bepaalt dat de weigeringsbeslissing door de ambtenaar van de burgerlijke stand "zonder verwijl", dat wil zeggen zonder uitstel, aan de kandidaat-huwenden ter kennis gebracht moet worden, en niet dat deze weigeringsbeslissing de dag zelf waarop zij genomen wordt, ter kennis gebracht zou moeten worden; Dat bezwaarlijk voorgehouden kan worden dat een weigeringsbeslissing die genomen werd op woensdag 2 september 2015 en die reeds op vrijdag 4 september 2015 aan de postdiensten werd aangeboden, niet zonder verwijl aan de betrokkenen ter kennis zou zijn gebracht;

Overwegende dat geïntimeerden nog stellen dat het niet betaamt dat een ambtenaar van de burgerlijke stand zijn briefwisseling antidateert, maar dat zij geenszins bewijzen en evenmin aanbieden te bewijzen dat de weigeringsbeslissing van appellant met datum 2 september 2015 niet op deze dag maar later genomen zou zijn;

Dat er ten overvloede op gewezen wordt dat zelfs indien de weigeringsbeslissing van appellant slechts op 3 september 2015 genomen zou zijn - quod non - zij ook dan nog vóór het verstrijken van de vervaltermijn genomen zou zijn;

Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat op dit punt het hoger beroep reeds gegrond verklaard dient te worden.

2. Aangaande de inhoud van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand

( ... )

2.2. Aangaande de grond van de zaak

2.2. 1. Wettelijk kader

2.2.1.1. Overwegende dat het fundamentele recht om te huwen zoals verwoord in artikel 12 EVRM geen absoluut recht is en deze bepaling enkel beoogt het werkelijke huwelijk te beschermen, doch niet het geveinsde huwelijk dat louter wordt aangegaan om andere wetgeving te omzeilen (vgl. o.m. Cass. 19 maart 1992, RW1992-93, 158);

Overwegende dat de bewuste aanwending van een rechtsinstituut dat tot de openbare orde en de grondslagen van onze samenleving behoort, voor een heel ander doel dan waarvoor het is ingesteld, een inbreuk vormt op de openbare orde (vgl. o.m. Cass. 5 mei 1881, Pas. 1881, I, 230; Brussel 7 juni 1994, TBBR 1995, 377, noot J. Roodhooft); Overwegende dat voor het tot stand komen van een geldig huwelijk vereist is dat de toestemming van beide huwelijkskandidaten waarachtig is;

Dat het hof dan ook de ware intentie van geïntimeerden dient na te gaan teneinde te bepalen of het voorgenomen huwelijk strekt tot het vormen van een ware en bestendige levensgemeenschap tussen de kandidaat huwenden, dan wel of het de facto van zijn normale doel wordt afgewend.

2.2.1.2. Overwegende dat, gelet op de vrijheid van huwelijkssluiting, er in beginsel van mag worden uitgegaan dat een door twee personen voorgenomen huwelijk beantwoordt aan de normale intentie van het huwelijk, namelijk van het vormen van een bestendige levensgemeenschap met elkaar; Dat indien de ambtenaar van de burgerlijke stand beslist om de voltrekking van het huwelijk te weigeren, dit dient te gebeuren op grond van een geheel van omstandigheden die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangeven dat het huwelijk door minstens een van beide kandidaat-huwenden wordt afgewend van zijn normale doel; Overwegende dat het evenwel niet is omdat bepaalde feiten en omstandigheden, afzonderlijk beschouwd, niet tot het bestaan van een schijnhuwelijk zouden kunnen doen besluiten, dat zij in hun geheel genomen in het licht van de concrete situatie niet zouden kunnen volstaan om aan te nemen dat het voorgenomen huwelijk in hoofde van één of zelfs van beide huwelijkskandidaten niet er op gericht is een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

2.2.1.3. Overwegende dat de rechter die dient te oordelen over het verhaal dat overeenkomstig artikel 167, laatste lid B.W. wordt aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken, geen administratief toezicht uitoefent op de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, en zijn beoordeling niet beperkt is tot een controle op de wettigheid van deze weigeringsbeslissing, maar dat hij integendeel zijn rechtsmacht over die beslissing volledig uitoefent (vgl. Cass. 13 april 2007, TFam. 2007, 172);

Dat bovendien deze rechter deze beslissing tot weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand niet uitsluitend dient te beoordelen in functie van de gegevens zoals die op het ogenblik van de weigering voor de ambtenaar van de burgerlijke stand werden voorgebracht (in casu 2 september 2015), maar dat hij integendeel ook rekening kan en moet houden met de hem op regelmatige wijze voorgelegde gegevens die dateren van na deze weigeringsbeslissing of die pas na deze weigeringsbeslissing bekend werden of zijn komen vast te staan (vgl. Cass. 13 april 2007, aangeh.);

Dat dit meebrengt dat zowel de ambtenaar van de burgerlijke stand als de kandidaat-huwenden voor de rechter feitelijke elementen kunnen aanbrengen die dateren van na de datum waarop de weigeringsbeslissing genomen werd, in casu van na 2 september 2015.

2.2.2. Analyse van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgeworpen bezwaren

2.2.2.1. Overwegende dat de procureur des Konings ter zake aan de ambtenaar van de burgerlijke stand negatief heeft geadviseerd en heeft besloten dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het gaat om een schijnhuwelijk in strijd met de Belgische rechtsorde;

Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand verwijst naar de feitelijke omstandigheden van de zaak op basis van het negatieve advies van de procureur des Konings.

2.2.2.2. Overwegende dat appellant in het bijzonder de navolgende elementen opwerpt:

- partijen spreken geen gemeenschappelijke taal;

- er is tussen partijen een zeer groot verschil in achtergrond en cultuur;

- partijen hebben wisselende verklaringen afgelegd over de aard van hun huwelijksceremonie d.d. 21 april 2014, eerst zou dit volgens de moslimtraditie gebeurd zijn waarbij geïntimeerde B. verklaarde moslim te zijn, nadien wordt gezegd dat dit volgens de sikh-religie die geïntimeerde S. aanhangt, verlopen zou zijn;

- er bestaan ernstige twijfels over hun daadwerkelijke samenwoonst op het adres van geïntimeerde B. te W., ( ... ); geïntimeerde S. zou in werkelijkheid bij zijn oom in de carwash te D. wonen;

- afwezigheid van werkelijke band tussen geïntimeerde S. en het kind van geïntimeerde B.;

- partijen geven geen echt antwoord op de hen gestelde vragen en draaien voortdurend rond de pot, hoewel de verhoren met behulp van een tolk verliepen;

Overwegende dat tijdens hun persoonlijke ondervraging door het hof op de zitting van 7 februari 2017 eveneens gebleken is dat de communicatie tussen partijen noch in het Nederlands (geïntimeerde S. spreekt geen Nederlands en geïntimeerde B. spreekt gebroken Nederlands) noch in het Frans (geïntimeerde B. spreekt geen Frans en geïntimeerde S. drukt zich uit in gebroken Frans), noch in het Engels (geïntimeerde B. spreekt geen Engels en geïntimeerde S. drukt zich uit in gebroken Engels) verloopt;

Dat beide partijen verklaarden met elkaar en met het kind Punjabi te spreken.

2.2.2.3. Overwegende dat partijen een kopie neerleggen van een uittreksel van de geboorteakte van het kind G., oorspronkelijk met familienaam B., geboren te L. op ( ... ) 2014, dat op ( ... ) 2014 door geïntimeerde S. erkend werd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Leuven en dat sindsdien op gemeenschappelijke verklaring van de ouders de familienaam S. draagt;

Overwegende dat het hebben van een gemeenschappelijke kind een aanduiding kan zijn voor het vormen van een waarachtige levensgemeenschap tussen de ouders, maar dat dit gegeven op zich niet determinerend kan zijn voor het doen besluiten dat het door geïntimeerden geplande huwelijk geen schijnhuwelijk is;

Dat het hof immers rekening dient te houden met alle hem regelmatig voorgelegde elementen.

2.2.2.4. Overwegende dat het juist is dat indien er geen bewijs voorligt noch van het feit dat niet voldaan wordt aan de hoedanigheden en voorwaarden om een huwelijk aan te gaan, noch van het feit dat de voltrekking van het huwelijk in strijd is met de beginselen van openbare orde omdat het om een schijnhuwelijk of om een gedwongen huwelijk gaat, de ambtenaar van de burgerlijke stand verplicht moet worden om het door de kandidaat-huwenden gewenste huwelijk te voltrekken (art. 167, eerste lid B.W.);

Dat evenwel het toetreden tot de instelling van het huwelijk tot de openbare orde behoort, zodat de hoven en rechtbanken bij het nagaan of aan alle terzake geldende regels voldaan wordt, een bijzondere onderzoeksplicht hebben;

Dat er in casu, gelet op de hierboven samengevatte omstandigheden, voldoende reden is om, vooraleer ten gronde te beslissen, het Openbaar Ministerie uit te nodigen om een bijkomend politioneel onderzoek te gelasten naar de werkelijke omstandigheden van de leefgemeenschap waarin elk van de geïntimeerden en het kind G. S. (0( ••• )2014) verkeren. ( ... )
 

Noot: 

Laura Deschuyteneer en Erinda Mehmeti, Nieuwe categorie van verlies van de Belgische nationaliteit op grond van fraus omnia corrumpit? noor onder de publicatie in het RW.

A. VAN THIENEN, "Het schijnhuwelijk en het jurisdictioneel beroep tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand - Bevoegdheid, motivering en termijnen", hoger in dit nummer gepubliceerd

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/03/2018 - 18:16
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.