-A +A

Weigering ambtenaar van de burgerlijke stand een schijnhuwelijk te voltrekken - Motivering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 17/01/2017

De weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt niet dat de huwelijkskandidaten de mogelijkheid hebben om zijn beslissing aan te vechten voor de rechtbank. Hij vermeldt evenmin de termijn daartoe.

De rechten van verdediging van appellanten zijn daardoor niet geschonden wanneer de kandidaat-huwelijkspartners binnen de wettelijke termijn rechtsgeldig beroep hebben ingesteld voor de eerste rechter. Het verzuim van de ambtenaar heeft alsdan geen rechtsgevolgen.
Artikel 167 B.W. bepaalt onder lid 4 dat in geval van weigering zoals bedoeld in het eerste lid, de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis brengt van de belanghebbende partijen, met afschrift van die weigeringsbeslissing aan de procureur des Konings.
Deze bepaling legt de ambtenaar van de burgerlijke stand aldus een specifieke motiveringsverplichting op.

De loutere verwijzing naar het advies van de procureur ia als motivering niet afdoende. Evenmin volstaat het zonder enig element in concreto te stellen dat  de intentie van minstens één van de echtgenoten niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde, wat in strijd is met de Belgische openbare orde. is.

Dit geldt des te meer doordat de ambtenaar het negatief advies van de procureur des Konings niet bij zijn beslissing heeft gevoegd.

Deze door de ambtenaar gehanteerde standaardformulering voldoet niet aan artikel 167, 4° lid B.W., laat staan aan het formele motiveringsvereiste van de Wet motivering bestuurshandelingen.

De miskenning van de motiveringsverplichting is zonder belang en heeft geen rechtsgevolgen voor dit geding. Het hof dient zich immers niettemin uit te spreken over het recht van appellanten om in het huwelijk te treden.

Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter. De beoordelingsbevoegdheid reikt dan ook verder dan een eenvoudige wettigheidscontrole op de beslissing van die ambtenaar.

Deze beslissing is overigens een louter administratieve beslissing, waaraan geen gewijsde toekomt. Voorts moet de rechter ook rekening houden met de situatie zoals die is op het ogenblik dat de zaak door hem wordt behandeld, en dus ook met nieuwe elementen, c.q. gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing van de ambtenaar of die pas nadien bekend zijn geworden.

Waar de nationale wet van ieder van de echtgenoten distributief dient te worden toegepast, steeds onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde, zal het internationale huwelijk van de man en de vrouw geldig gesloten zijn wanneer, voor wat betreft de grondvoorwaarden, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet. In de respectieve toepasselijke wet moet normaliter worden nagegaan wat onder toestemmingsvereiste wordt verstaan.

Aangezien één en ander de openbare orde raakt, zal de toetsing aan het vreemde recht niet tot een ander(e) besluit en sanctie kunnen leiden, voor zover het hof het bestaan van een schijnhuwelijk in de zin van artikel 146bis BW zou vaststellen.

Wie een schijnhuwelijk sluit, treedt toe tot het instituut huwelijk met een ander doel voor ogen dan datgene waarvoor de wetgever het instituut bedoelde, namelijk het regelen van een duurzame levensgemeenschap tussen twee personen. De inwilliging van een geveinsd huwelijk spoort niet met de Belgische nationale en internationale openbare orde en dient te worden geweigerd.

Het bewijs van die veinzing wordt geleverd overeenkomstig de Belgische wet, die de procedure regelt, hetzij door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

Artikel 146 bis BW bepaalt dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Die wetsbepaling houdt een materiële IPR-norm in ten aanzien van huwelijken waarbij vreemdelingen zijn betrokken en wordt als zo wezenlijk beschouwd voor 's lands morele, politieke of economische ordening dat er geen plaats is voor daarvan afwijkende buitenlandse opvattingen; deze wetsbepaling betreft de Belgische Internationale Openbare Orde en raakt de regels die de toegang en het verblijf van vreemdelingen in het Rijk regelen.

Voor het huwelijk vereist de Belgische internationale openbare orde, ongeacht eventuele afwijkende buitenlandse opvattingen, dat de beide partners de intentie hebben om door hun toestemming tot het huwelijk tussen hen een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

De Belgische Internationale Openbare Orde verzet zich tegen de erkenning van een buitenlands huwelijk wanneer dat huwelijk werd aangegaan niet met het oogmerk om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen maar louter om aan een van de betrokkenen een verblijfsrechtelijk voordeel te bezorgen.

Het recht om te huwen en een gezin te stichten is erkend bij artikel 12 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 16 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en bij art. 23 BUPO, en het recht op respect voor het familie- en gezinsleven is erkend bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Principieel heeft ieder persoon het recht om te huwen overeenkomstig de nationale wetten die de uitoefening van dat recht beheersen (artikel 12 EVRM). Dit recht om te huwen is niet absoluut.

De verdragsrechtelijke bepalingen, waaronder artikel 12 lid 2 EVRM, laten de nationale wetgever toe om de uitoefening van dit recht te regelen, zonder het in substantie aan te tasten.

Alleen het werkelijke huwelijk moet beschermd worden en niet het schijnhuwelijk dat louter wordt aangegaan om een andere wetgeving te omzeilen, vooral het huwelijk dat werd aangegaan met als enig doel de regels betreffende de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen te misbruiken en voor de onderdaan van het derde land een vergunning tot vestiging of tot verblijf in het Rijk te verkrijgen.

Aan de aanstaande echtgenoten, die een principieel (subjectief) recht op een huwelijk genieten, kan geen negatieve bewijslast worden opgedrongen: de bewijslast rust bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Aangezien de intentie van de huwelijkskandidaten nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de (door de ambtenaar) aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben (cfr. de notie kennelijk, zoals gehanteerd in artikel 146bis BW), namelijk een eenduidig en niet tegen te spreken vermoeden van (voorgenomen) schijnhuwelijk.

Die wetsbepaling houdt een materiële IPR-norm in ten aanzien van huwelijken waarbij vreemdelingen zijn betrokken en wordt als zo wezenlijk beschouwd voor 's lands morele, politieke of economische ordening dat er geen plaats is voor daarvan afwijkende buitenlandse opvattingen; deze wetsbepaling betreft de Belgische Internationale Openbare Orde en raakt de regels die de toegang en het verblijf van vreemdelingen in het Rijk regelen.

Als de situatie die wordt voorgesteld als (afdoende om te beantwoorden aan de vereisten van) huwelijk evenwel artificieel wordt gecreëerd of als het instituut huwelijk enkel wordt gezien als middel om verblijfsrechten te scheppen wordt het instituut huwelijk misbruikt en afgewend van zijn eigenlijke bedoeling, met name het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap.

 

Publicatie
tijdschrift: 
T.Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/2
Pagina: 
50
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep Antwerpen 17 januari 2017

3e kamer (familiekamer)

Procedure

1. De door de wet voorgeschreven processtukken werden in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis d.d. 10 maart 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt en het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit hof op 15 september 2015.

Voorwerp van de vorderingen

2. Appellanten zijn:

- mevrouw L.W., geboren te L. op ( ... ) 1960, van Belgische nationaliteit, wonende te N( ... ),

en

- de heer M.O., geboren te O.R. (Algerije) op( ... ) 1982, van Algerijnse nationaliteit, wonende te N( ... )

Zij vorderen het hof de beslissing d.d. 25 september 2014 van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente N. tot weigering van de voltrekking van hun huwelijk teniet te doen, hun verlenging van de termijn van artikel 165 § 3 laatste lid B.W. te verlenen, de ambtenaar te veroordelen tot voltrekking van hun huwelijk, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag vertraging vanaf de betekening van het arrest en hem te verwijzen in de kosten van beide instanties.

3. Geïntimeerde, de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente N. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de verwijzing van appellanten in de kosten van beide instanties.

Relevante feiten en retroacten

4. Appellanten beweren met elkaar kennis te hebben gemaakt in november 2013, volgens de man via een datingsite, volgens de vrouw via Skype en zij hadden hun eerste ontmoeting in S. einde november/begin december 2013.

Zij begonnen een relatie en wonen samen sinds maart 2014. Op 1 april 2014 zou mevrouw L.W. de heer M.O. gevraagd hebben om te huwen. Zij was op dat ogenblik nog getrouwd met W.P., met wie zij in echtscheiding was. Het vonnis d.d. 8 april 2014 van hun echtscheiding verkreeg op 20 juni 2014 kracht van gewijsde en werd op 10 juli 2014 overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de stad L.

Op 30 juli 2014 hebben appellanten aangifte gedaan van hun voornemen om te huwen op 16 oktober 2014.

5. Op 24 september 2014 heeft de procureur des Konings te Hasselt negatief advies verstrekt in overeenstemming met artikel 167 B.W. De ambtenaar heeft op 25 september 2014 de huwelijksvoltrekking geweigerd wegens schijnhuwelijk en appellanten werden daarvan in kennis gesteld bij aangetekende brief van 30 september 2014.

Bij exploot d.d. 28 oktober 2014 hebben appellanten geïntimeerde gedagvaard teneinde de weigeringsbeslissing te horen teniet doen, hen verlenging te horen toestaan dan de termijn van artikel 165 § 3, laatste lid B.W., de ambtenaar van de burgerlijke stand te horen veroordelen tot de huwelijksvoltrekking onder sanctie van verbeurte van een dwangsom van€ 500,00 per dag vertraging en geïntimeerde te horen verwijzen in de kosten van het geding.

Bij de bestreden beslissing d.d. 10 maart 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie familie- en jeugd werd de vordering van appellanten ongegrond verklaard en werden zij verwezen in de kosten van het geding (rpv: € 1.320,00).

6. De eerste rechter heeft de weigeringsbeslissing formeel regelmatig bevonden. Dat daarin niet werd vermeld over welke beroepsmogelijkheden appellanten beschikten doet daar niets aan af vermits zij tijdig een regelmatig verhaal hebben ingesteld. De weigeringsbeslissing vermeldt volgens de eerste rechter waarom de huwelijksvoltrekking wordt geweigerd, hij stelt vast dat de wet geen bijkomende motiveringsvereisten stelt en dat de rechten van verdediging van appellanten niet werden geschonden.

De eerste rechter beslist tot het schijnhuwelijk in essentie op grond dat:

- de man illegaal is, zijn familie in Algerije woont en hij in België geen familieleden heeft.

- de man geen legaal verblijf heeft aangevraagd en daartoe ook geen pogingen heeft ondernomen, zodat enkel het huwelijk hem een wettig verblijfsstatuut kan geven.

- er is een snelle gang van zaken (kennis via internet begin november 2013, ontmoeting einde november/begin december 2013, samenwoonst in maart 2014, voornemen om te huwen geuit op 1 april 2014, nog voor de ontbinding van het vorig huwelijk van de vrouw en de aanvraag tot huwelijk op 30 juli 2014.

- tegenstrijdige verklaringen over de wijze waarop zij met elkaar in contact kwamen en een gebrekkige kennis van elkaars personalia. De man weet niets over het voorgaand professioneel leven van de vrouw, die dan weer niets weet over het studieverleden van de man.

- de vrouw is een gemakkelijk slachtoffer gelet op haar financieel precaire situatie (schuldbemiddeling) en de naweeën van de mislukking van haar vorige huwelijk.

- er is een groot leeftijdsverschil (de vrouw is 22 jaar ouder dan de man).

- al die omstandigheden tonen in hun geheel genomen aan dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is.

( ... )

Standpunten van partijen

8. Appellanten hebben elkaar leren kennen via de datingwebsite Woo in de herfst van 2013 en hebben nadien via skype geregeld met elkaar gesproken. Zij hebben elkaar lijfelijk ontmoet in S. aan het station en zijn nadien verliefd geworden op elkaar en een relatie begonnen. Vanaf maart 2014 wonen zij samen en op 1 april 2014 heeft mevrouw gevraagd om te huwen. De verklaringen die appellanten daarover hebben afgelegd zijn niet in tegenspraak met elkaar.

De weigeringsbeslissing van de ambtenaar is niet rechtsgeldig:

- er wordt geen melding gedaan van de beroepsmogelijkheid.

- ze is niet met redenen omkleed, nu enkel de wettelijke definitie van het schijnhuwelijk wordt weergegeven maar niet de concrete elementen op grond waarvan werd beslist dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is. Het advies van de procureur des Konings werd niet samen met de beslissing ter kennis gebracht. Ten onrechte werd beweerd dat de ambtenaar verplicht is dat advies te volgen.

- het illegaal verblijf van de man is op zich geen grond tot weigering van de huwelijksvoltrekking. Ook een illegaal heeft het recht om te huwen (art. 12 EVRM en 23 BUPO).

- appellanten voldoen niet aan de voorwaarden tot gezinshereniging omdat hun relevante inkomsten niet voldoende stabiel en toereikend zijn. De vrouw heeft een precaire financiële situatie, is in schuldbemiddeling en de man heeft geen inkomsten. Het blijkt niet uit een behoefteanalyse dat appellanten afdoende bestaansmiddelen hebben om in de behoeften van het gezin te kunnen voorzien zonder ten laste te vallen van de overheid. Mocht de man enkel een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven dan zou hij wel een huwelijkspartner hebben gezocht die stabiele en afdoende relevante inkomsten heeft.

- De man heeft nooit een aanvraag of poging tot aanvraag van een verblijfsvergunning gedaan en is helemaal geen uitgeprocedeerde asielzoeker die enkel via het huwelijk een uitweg zoekt voor wettig verblijf (art. 9 bis en 9 ter Vreemdelingenwet, asiel ed. staan voor hem nog open). De procureur des Konings overtuigt niet omdat hij in zijn advies doet gelden dat het huwelijk van de man met een Belgische voor hem wellicht de enige mogelijkheid is om legaal verblijf in België te verkrijgen.

- De snelle gang van zaken moet genuanceerd worden. De vrouw leefde al acht jaar feitelijk gescheiden van haar voormalige echtgenoot, had een duurzame en openlijk beleefde liefdesrelatie en wilde die bestendigen in een huwelijk.

- Het leeftijdsverschil is niet relevant omdat blijkt dat dit hun liefdesrelatie en hun onafgebroken samenwonen sinds maart 2014, bevestigd door foto's en ooggetuigen, niet in de weg staat.

- De vrouw wist dat de man in Algerije juwelier was, zoals zijn vader en broer. Dat zij niets kon toevoegen over zijn studies in Algerije is geen bewijs van een gebrekkige kennis van zijn personalia. Er zijn ook geen andere studies in hoofde van de man, die wel correct verklaarde dat de vrouw een opleiding schoonheidsspecialiste had gevolgd.

- Geïntimeerde faalt in de vervulling van zijn bewijslast. Hij toont niet aan dat appellanten met hun huwelijk manifest enkel een verblijfsrechtelijk voordeel voor de man nastreven en niet hun duurzame levensgemeenschap.

- Appellanten kunnen slechts gehouden zijn tot de minimumrechtsplegingsvergoeding omdat de vrouw juridische tweedelijnsrechtsbijstand heeft verkregen.

9. De Ambtenaar van de Burgerlijke Stand, geïntimeerde, doet in essentie gelden:

- In het verzoekschrift tot hoger beroep wordt niet als grief aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte de weigeringsbeslissing van de ambtenaar formeel rechtsgeldig heeft bevonden, zodat het hof dit enkel kan bijtreden.

- De weigeringsbeslissing is afdoende gemotiveerd door de vermelding: "Het ambt van de procureur des Konings meent negatief te moeten adviseren. Zij zijn van mening dat uit de omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde. Wij zijn genoodzaakt dit advies te volgen en zullen het huwelijk dus niet voltrekken." De noodzaak het advies te volgen vloeit voort uit de eigen vaststelling door de ambtenaar dat een schijnhuwelijk wordt beoogd. De omstandigheden waarnaar de beslissing verwijst waren appellanten genoegzaam gekend vermits die slaan op hun persoonlijke situatie en zij een kopie hadden van hun verhoren tijdens het politioneel onderzoek.

- de man is illegaal en het huwelijk is in de gegeven omstandigheden de enige weg voor hem om een legaal verblijf te krijgen in België, waarnaar hij ook streeft.

- de door de procureur des Konings in zijn advies gebruikte bewoordingen laten niet toe uit te sluiten dat het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk zou zijn. Bovendien geeft hij slechts advies en zijn woordgebruik is beslissend voor de ambtenaar noch voor de rechter.

- de verklaringen van betrokkenen over hun eerste contact stemmen niet overeen qua datum (oktober 2013 dan wel november 2013) en qua internetgebruik (datingsite Twoo dan wel skype). Eveneens zijn ze niet gelijkluidend wat de kennisgeving van het voornemen om te huwen betreft (de ouders van de man en de moeder van de vrouw dan wel enkel de familieleden van de vrouw).

- betrokkenen zijn in november 2013, onmiddellijk na de eerste persoonlijke kennismaking, een relatie aangegaan, wonen samen sinds maart 2014 en het huwelijksaanzoek van de vrouw is van 1 april 2014 en de aangifte van 30 juli 2014, wat wijst op een snelle gang van zaken.

- betrokkenen kennen elkaars studieachtergrond niet, waaruit de oppervlakkigheid van hun relatie blijkt.

- de vrouw verkeerde in een emotioneel zwakke positie en precaire financiële situatie waardoor zij dreigt een gemakkelijk slachtoffer te worden van een schijnhuwelijk.

- de vrouw is 22 jaar ouder dan de man, zodat er manifest een aanzienlijk leeftijdsverschil is, dat in de Algerijnse en zeker de moslimcultuur hoogst ongebruikelijk is.

- de artikelen 12 E.V.R.M. en 23 B.U.P.O. beschermen het werkelijk huwelijk maar niet het schijnhuwelijk.

- de verklaringen waarnaar appellanten verwijzen zijn niet geloofwaardig en missen objectiviteit. De verklaring van de huisarts Baert dat zij reeds van oktober 2013 een koppel zouden vormen is onjuist en onmogelijk, zodat die verklaring uit de debatten moet worden geweerd.

- er is geen grondslag om de ambtenaar te veroordelen tot betaling van een dwangsom.

- het geding betreft een geschil over de formaliteiten tot huwelijksvoltrekking zodat de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard (art. 1398/2 Ger.W. oud; art. 1399, 2° Ger.W.).

- de vrouw heeft geen tweedelijnsrechtsbijstand en de man toont niet aan dat hij nog steeds in de voorwaarden verkeert voor die bijstand. Bovendien is de situatie kennelijk onredelijk, wat de toekenning van een basisrechtsplegingsvergoeding rechtvaardigt.

Beoordeling

10. De weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt niet dat de huwelijkskandidaten de mogelijkheid hebben om zijn beslissing aan te vechten voor de rechtbank. Hij vermeldt evenmin de termijn daartoe.

De rechten van verdediging van appellanten zijn daardoor niet geschonden aangezien zij binnen de wettelijke termijn rechtsgeldig beroep hebben ingesteld voor de eerste rechter. Het verzuim van de ambtenaar heeft geen rechtsgevolgen.

11. Appellanten vorderen in hun verzoekschrift in hoger beroep hun oorspronkelijke vorderingen gegrond te verklaren en de weigeringsbeslissing van de ambtenaar te niet te doen. Die vordering was ondermeer gesteund op de schending van zijn motiveringsplicht. Het hof is van die kwestie gevat door het hoger beroep. Appellanten hebben hun argumentatie daarover verder ontwikkeld in hun beroepsconclusie. Artikel 167 B.W. bepaalt onder lid 4 dat in geval van weigering zoals bedoeld in het eerste lid, de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis brengt van de belanghebbende partijen, met afschrift van die weigeringsbeslissing aan de procureur des Konings.

Deze bepaling legt de ambtenaar van de burgerlijke stand aldus een specifieke motiveringsverplichting op.

De ambtenaar heeft zijn weigeringsbeslissing gemotiveerd met de redengeving dat hij genoodzaakt is het negatief advies van de procureur des Konings te volgen, die oordeelde dat uit de omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde, wat in strijd is met de Belgische openbare orde.

Appellanten doen terecht gelden dat die motivering niet afdoende is. Dit geldt des te meer doordat de ambtenaar het negatief advies van de procureur des Konings niet bij zijn beslissing heeft gevoegd.

Die beslissing is geen met afdoende redenen omklede beslissing. De door de ambtenaar gehanteerde standaardformulering voldoet niet aan artikel 167, 4° lid B.W., laat staan aan het formele motiveringsvereiste van de Wet motivering bestuurshandelingen.

De miskenning van de motiveringsverplichting is zonder belang en heeft geen rechtsgevolgen voor dit geding. Het hof dient zich immers niettemin uit te spreken over het recht van appellanten om in het huwelijk te treden.

De rechter die moet oordelen over het beroep van de kandidaat-echtgenoten tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering van hun huwelijksvoltrekking, heeft volle rechtsmacht en moet zich zodoende volledig in de plaats van die ambtenaar stellen.

Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter. De beoordelingsbevoegdheid reikt dan ook verder dan een eenvoudige wettigheidscontrole op de beslissing van die ambtenaar. Deze beslissing is overigens een louter administratieve beslissing, waaraan geen gewijsde toekomt. Voorts moet de rechter ook rekening houden met de situatie zoals die is op het ogenblik dat de zaak door hem wordt behandeld, en dus ook met nieuwe elementen, c.q. gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing van de ambtenaar of die pas nadien bekend zijn geworden (Cass. 13 april 2007, RW 2008-09, 407, noot J. Dujardin).

12. De rechtsvraag naar het toepasselijk recht dient vooraf te worden gesteld, aangezien het bestreden huwelijk tot de staat van de personen behoort en de desbetreffende wetsbepalingen de openbare orde raken.

Op het ogenblik van het huwelijk had de man de Algerijnse nationaliteit en de vrouw de Belgische.

Waar de nationale wet van ieder van de echtgenoten distributief dient te worden toegepast, steeds onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde, zal het internationale huwelijk van de man en de vrouw geldig gesloten zijn wanneer, voor wat betreft de grondvoorwaarden, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet. In de respectieve toepasselijke wet moet normaliter worden nagegaan wat onder toestemmingsvereiste wordt verstaan.

Aangezien één en ander de openbare orde raakt, zal de toetsing aan het vreemde recht niet tot een ander(e) besluit en sanctie kunnen leiden, voor zover het hof het bestaan van een schijnhuwelijk in de zin van artikel 146bis BW zou vaststellen.

Het Algerijns recht kan bijgevolg geen toepassing vinden wanneer het niet spoort met de vereisten van de Belgische nationale en internationale openbare orde en met de wetten die de toegang en het verblijf van vreemdelingen in het Rijk regelen.

Bijgevolg dient aangetoond te worden, om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk, dat minstens één van de echtgenoten manifest tot het huwelijk is toegetreden uitsluitend om een andere reden dan om een duurzame levensgemeenschap te stichten.

Wie een schijnhuwelijk sluit, treedt toe tot het instituut huwelijk met een ander doel voor ogen dan datgene waarvoor de wetgever het instituut bedoelde, namelijk het regelen van een duurzame levensgemeenschap tussen twee personen. De inwilliging van een geveinsd huwelijk spoort niet met de Belgische nationale en internationale openbare orde en dient te worden geweigerd.

Het bewijs van die veinzing wordt geleverd overeenkomstig de Belgische wet, die de procedure regelt, hetzij door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.

Artikel 146 bis BW bepaalt dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Die wetsbepaling houdt een materiële IPR-norm in ten aanzien van huwelijken waarbij vreemdelingen zijn betrokken en wordt als zo wezenlijk beschouwd voor 's lands morele, politieke of economische ordening dat er geen plaats is voor daarvan afwijkende buitenlandse opvattingen; deze wetsbepaling betreft de Belgische Internationale Openbare Orde en raakt de regels die de toegang en het verblijf van vreemdelingen in het Rijk regelen.

Voor het huwelijk vereist de Belgische internationale openbare orde, ongeacht eventuele afwijkende buitenlandse opvattingen, dat de beide partners de intentie hebben om door hun toestemming tot het huwelijk tussen hen een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

De Belgische Internationale Openbare Orde verzet zich tegen de erkenning van een buitenlands huwelijk wanneer dat huwelijk werd aangegaan niet met het oogmerk om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen maar louter om aan een van de betrokkenen een verblijfsrechtelijk voordeel te bezorgen.

Het recht om te huwen en een gezin te stichten is erkend bij artikel 12 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 16 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en bij art. 23 BUPO, en het recht op respect voor het familie- en gezinsleven is erkend bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Principieel heeft ieder persoon het recht om te huwen overeenkomstig de nationale wetten die de uitoefening van dat recht beheersen (artikel 12 EVRM). Dit recht om te huwen is niet absoluut.

De verdragsrechtelijke bepalingen, waaronder artikel 12 lid 2 EVRM, laten de nationale wetgever toe om de uitoefening van dit recht te regelen, zonder het in substantie aan te tasten. Alleen het werkelijke huwelijk moet beschermd worden en niet het schijnhuwelijk dat louter wordt aangegaan om een andere wetgeving te omzeilen, vooral het huwelijk dat werd aangegaan met als enig doel de regels betreffende de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen te misbruiken en voor de onderdaan van het derde land een vergunning tot vestiging of tot verblijf in het Rijk te verkrijgen.

Aan de aanstaande echtgenoten, die een principieel (subjectief) recht op een huwelijk genieten, kan geen negatieve bewijslast worden opgedrongen: de bewijslast rust bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Aangezien de intentie van de huwelijkskandidaten nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de (door de ambtenaar) aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben (cfr. de notie kennelijk, zoals gehanteerd in artikel 146bis BW), namelijk een eenduidig en niet tegen te spreken vermoeden van (voorgenomen) schijnhuwelijk.

15. Het hof ziet geen afdoende redenen om het hoger beroep in te willigen.

In de bestreden beschikking heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, door het hof wordt bijgetreden en overgenomen, terecht geoordeeld dat het voorgenomen huwelijk tussen appellanten een schijnhuwelijk is.

In feite is de enige relevante vraag of het voorgenomen huwelijk oprecht is en niet oneigenlijk wordt misbruikt voor verblijfsdoeleinden.

Als de situatie die wordt voorgesteld als (afdoende om te beantwoorden aan de vereisten van) huwelijk evenwel artificieel wordt gecreëerd of als het instituut huwelijk enkel wordt gezien als middel om verblijfsrechten te scheppen wordt het instituut huwelijk misbruikt en afgewend van zijn eigenlijke bedoeling, met name het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap.

Met een afdoende zekerheid blijkt dat de man met het voorgenomen huwelijk enkel en alleen een verblijfsrechtelijk voordeel beoogt.

De man is immers illegaal en hij kan zijn verblijfsrechten ontlenen aan het voorgenomen huwelijk.

16. Ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter en ter beantwoording van de besluiten in hoger beroep kan daar nog wat volgt in randnummer 17 e.v. aan toegevoegd worden.

17. Appellanten hadden beperkte contacten vooraleer zij, onder druk van de illegaliteit van de man, met een uitermate snelle gang van zaken beslisten tot het huwelijk.

De snelle gang van zaken is frappant, aangezien de samenwoonst dateert van amper enkele maanden na de eerste ontmoeting en de vraag tot huwen onmiddellijk daarop volgde, terwijl de vrouw op dat ogenblik nog niet uit de echt gescheiden was.

18. Het leeftijdverschil van 22 jaar is eveneens markant en kenschetsend voor schijnhuwelijken.

19. Voorts zijn er een aantal tegenstrijdige verklaringen, o.a. op het vlak van de kennismaking via internet (datingsite of skype) wat moeilijk controleerbaar is en wat de kennisgeving van het voornemen tot huwen betreft (de ouders van de man en de moeder van de vrouw dan wel de familieleden van de vrouw) en hebben appellanten een gebrekkige kennis van elkaars personalia, zoals over hun opleiding en studieverleden.

20. Al die feitelijke elementen leveren in hun samenhang afdoende bepaalde, gewichtige, vaststaande en overeenstemmende vermoedens op tot bewijs van het feit dat appellanten met hun voorgenomen huwelijk helemaal niet beogen een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen maar manifest enkel trachten een verblijfsrechtelijk voordeel te bekomen voor de heer M.O., die illegaal in het land verblijft.

Deze vermoedens worden niet weerlegd door objectieve en vaststaande gegevens en de door appellanten overgelegde verklaringen en foto's overtuigen niet van het tegendeel. Uit de stukken die aan het hof werden overgelegd is niet te besluiten dat appellanten met hun voorgenomen huwelijk een duurzame levensgemeenschap tussen hen beogen.

Het huwelijk wordt, minstens en alleszins door de man, afgewend van zijn normale bestemming en wordt oneigenlijk gebruikt.

21. Appellanten dragen de gedingskosten van het hoger beroep, aangezien zij thans ook in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld. De rechtsplegingsvergoeding in beide instanties wordt bepaald op het minimum voor een niet in geld waardeerbaar geschil, gelet op de geringe financiële draagkracht van appellanten en de tweedelijnsrechtsbijstand die hen werd toegekend (hun stuk 10).

 

 

Noot: 

A. VAN THIENEN, "Het schijnhuwelijk en het jurisdictioneel beroep tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand - Bevoegdheid, motivering en termijnen", hoger in dit nummer gepubliceerd. T. Fam. 2012/2 28

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/03/2018 - 19:53
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.