-A +A

Wegmaken of verbergen goederen van de huwgemeenschap begrip

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 17/10/2016
A.R.: 
C.11.0561.F

Overeenkomstig artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek is het wegmaken of verborgen houden van goederen uit het gemeenschappelijk vermogen elke oneerlijke handeling waarbij de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot een ongeoorloofd voordeel op het vermogen van de gemeenschap wil verwerven ten koste van de andere echtgenoot; dat artikel beoogt aldus elk bedrog dat tot doel heeft de deelgenoot datgene te ontzeggen wat hem in de verdeling toekomt.

art. 1448 BW: De echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden, verliest zijn aandeel on dat goed.

De heling in de zin van artikel 1448 BW veronderstelt het bestaan van vier voorwaarden:

(a) het wegmaken of verborgen houden van goederen

(b) die tot de gemeenschap behoren,

(c) met bedrieglijk inzicht,

(d) door een echtgenoot.

Het hier bedoelde bedrieglijke inzicht is erop gericht de gelijkheid tussen de echtgenoten te verstoren of de schuldeisers van de gemeenschap te bedriegen.

Goede trouw van de beweerde heler verhindert het opleggen van de sanctie van heling.

Gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 BW kunnen als bewijs in aanmerking komen om desgevallend tot het bestaan van heling te besluiten.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.11.0561.F
D. D'H.,
tegen
A. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 16 februari 2011. II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 226, tweede lid, van het Strafwetboek.

Aangevochten beslissingen

Uit de conclusie van de eiseres die het volgende aanvoerde:

"Uit het vonnis van de eerste rechter van 1 oktober 2008 blijkt dat [de verweerder] zijn cliënteel niet heeft aangegeven bij de vacatie van de boedelbeschrijving van 9 mei 2007. Maar het cliënteel van een vrij beroep die verworven of gevormd werd tijdens het huwelijk, hangt af van de gemeenschap [...]. Het is onbetwistbaar dat [de verweerder] de waarde van de toename van het cliënteel tijdens zijn huwelijk in de boedelbeschrijving moest aangeven. Bij ontstentenis van aangifte heeft [de verweerder] zich schuldig gemaakt aan burgerrechtelijke heling [...]. De rechtbank [...] zal opmerken dat het vrijwillige verzuim [van de verweerder] ertoe heeft geleid dat de notaris die belast was met de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel geen rekening heeft gehouden met de waarde van het patiëntenbestand bij het opstellen van zijn staat van vereffening. [De verweerder] heeft [dus louter door zijn toedoen] [de eiseres] beroofd van haar rechten op de waarde van de groei van het patiëntenbestand. Bij gebrek aan berouw vóór het afsluiten van de boe-delbeschrijving heeft [...] [de verweerder] bijgevolg elk recht verloren op de waarde van de groei van het cliënteel ten voordele van de [eiseres]",

Het arrest zegt voor recht dat "de bestaansvoorwaarde voor de heling ontbreekt" en verklaart bijgevolg de vordering die ertoe strekt dat voor recht wordt gezegd dat de verweerder schuldig is aan heling van gemeenschapsgoederen in de zin van arti-kel 1448 van het Burgerlijk Wetboek en dat de volledige waarde van de tijdens het huwelijk verworven cliënteel aan de eiseres wordt toegekend, niet-gegrond.

Het arrest steunt zijn beslissing op de volgende redenen:

"De echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weg-gemaakt of verborgen gehouden, verliest zijn aandeel in dat goed (artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek);

Het verborgen houden of wegmaken van gemeenschapsgoederen is elke oneerlijke handeling waarbij de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot een ongeoorloofd voordeel op het vermogen van de gemeenschap wil verwerven ten koste van zijn deelgenoten (zie met name Cass., 6 juni 1969);

Het staat aan [de eiseres] het bedrieglijk opzet of de listige kunstgrepen [van de verweerder] die willens en wetens moet hebben nagelaten het bestaan van zijn cliënteel in de boedelbeschrijving aan te geven, aan te tonen;

[De eiseres] levert niet het minste begin van bewijs van de bedoeling om te schaden of van enige listige kunstgreep van [de verweerder];

[De verweerder] begon in 1978 in Deux-Acren te werken en zijn cliënteel moest op het tijdstip van het huwelijk in 1982 reeds verworven zijn, [de verweerder] heeft dus waarschijnlijk te goeder trouw geoordeeld heeft dat zijn cliënteel een eigen goed was; bovendien hebben noch de notaris, die het beroep [van de verweerder] kende, noch [de eiseres] de kwestie van dat cliënteel ooit ter discussie gesteld;

In voorliggend geval ontbreekt de bestaansvoorwaarde voor de heling en moet de oorspronkelijke vordering van [de eiseres] niet-gegrond worden verklaard".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek, verliest de echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden, zijn aandeel in dat goed. Volgens het arrest van het Hof van 6 juni 1969 (AC., 1969, p.973), bestaat de heling van gemeenschapsgoederen, net als de heling van de nalatenschap bedoeld in artikel 792 van datzelfde wetboek, "in elke daad te kwader trouw waarbij de in de gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot [...] , ten nadele van zijn deelgenoten, [...] een ongeoorloofd voordeel nastreeft; [artikel 1448] bedoelt [...] aldus elk bedrog dat ertoe strekt de deelgenoten te beroven van hetgeen hun in de verdeling toekomt".

Het arrest van 12 november 2004, (AC., 2004, 3, nr. 543), inzake een heling van nalatenschap preciseert uitdrukkelijk dat er heling kan zijn wanneer de mede-erfgenaam verzuimt om "de door de wet opgelegde" verklaringen af te leggen.

Uit die arresten blijkt dat de bewoordingen "bedrog" of "kunstgreep", die vaak door de rechtsleer worden gebruikt bij het kwalificeren van heling van gemeenschapsgoederen of heling van nalatenschap, noch een materiële handeling waardoor een goed aan de te verdelen boedel fysiek wordt onttrokken, noch een actief gedrag vanwege de heler veronderstellen: een duidelijk of omstandig verzuim kan ook heling vormen.

2. Hoewel het in de regel aan de feitenrechter staat te beoordelen vanaf wanneer een stilzwijgen of een verzuim voldoende omstandig is om een feit van heling te vormen, geldt dat niet voor een verzuim van aangifte in een notariële boedelbeschrijving. Artikel 226, tweede lid, van het Strafwetboek bestraft hij die bij een verzegeling of bij een boedelbeschrijving een valse eed aflegt immers met een correctionele straf.

Om de coherentie van de rechtsorde niet in gevaar te brengen, moet artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek zodanig worden geïnterpreteerd dat rekening wordt gehouden met de draagwijdte die aan het strafmisdrijf van valse eed in een notariële boedelbeschrijving wordt gegeven, zoals bedoeld in het voornoemde artikel 226, tweede lid. Het zou ondenkbaar zijn dat de echtgenoot die zich schuldig heeft gemaakt aan een verzuim dat een misdrijf van een valse eed in een notariële boedelbeschrijving vormt, beschouwd wordt als een echtgenoot te goeder trouw voor de toepassing van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de echtgenoot-verweerder bij de burgerlijke vordering tot verklaring van heling van gemeenschapsgoederen de eed heeft afgelegd aan het einde van de notariële boedelbeschrijving, nadat hij heeft nagelaten om, in het raam van die boedelbeschrijving, de hun bij wet opgelegde verklaringen af te leggen, moet de goede trouw die de toepassing van de burgerrechtelijke sanctie kan uitsluiten overeenstemmen met een omstandigheid die het strafrechtelijk karakter van het verzuim, zoals de onoverwinnelijke rechtsdwaling of feitelijke vergissing, kan opheffen.

3.Luidens artikel 1175 van het Burgerlijk Wetboek [lees Gerechtelijk Wetboek] "heeft de boedelbeschrijving tot doel de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen. Zij bevat met name de beschrijving en de schatting van de roerende goederen, de ontleding van de titels en papieren, de opgave van de verklaringen door de belanghebbenden gedaan ten laste of ten bate van de boedel."

Volgens de rechtspraak van het Hof, heeft "de boedelbeschrijving bepaald bij de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek tot doel de baten en de lasten van de onverdeelde boedel vast te stellen; de partijen bij de boedelbeschrijving hebben de verplichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven; wanneer de boedelbeschrijving beoogt de omvang van het gemeenschappelijk vermogen vast te stellen met het oog op de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel, zijn de partijen gehouden alle goederen aan te geven die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen; dit is het geval met goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling geacht kunnen worden gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een der echtgenoten, in geval van betwisting, in het kader van de procedure van vereffening-verdeling, het bewijs kan leveren dat zij tot zijn eigen vermogen behoren" (Cass., 26 januari 1999 - twee arresten - AC, nrs. 42 en 43).

Het Hof heeft in een arrest van 15 juni 1999 (AC, nr. 358) bevestigd dat de boedelbeschrijving "ertoe strekt uit te maken wat respectievelijk tot het gemeenschappelijk en tot het eigen vermogen behoort, zodat de echtgenoten verplicht zijn alles aan te geven wat van deze vermogens deel uitmaakt, en de niet-aangifte van een deel ervan een strafbare valsheid kan opleveren."

Die verplichting om aangifte te doen van al datgene wat de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel kan beïnvloeden, geldt zelfs wanneer de notaris of de tegenpartij daarom niet verzoekt. De aangifte dient spontaan te gebeuren (Cass., 24 oktober 1989, AC, 1989-1990, nr. 118; 25 november 2003, AC, nr. 597; 29 oktober 1973, AC, 1974, 237, en de conclusie van eerste advocaat-generaal baron Mahaux, in het bijz. p. 225, 2e kolom, voorlaatste lid, en p. 227, 1e kolom).

Uit de samenhang van de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek, enerzijds, met artikel 226, tweede lid, Strafwetboek, anderzijds, leiden de voornoemde arresten af dat de vaststelling, door het strafcollege, dat de ex-echtgenoot, in het raam van een notariële boedelbeschrijving, spontaan heeft nagelaten aangifte te doen van een gemeenschappelijk goed of van een eigen goed, waardoor dat verzuim hem een voordeel kon opleveren ten nadele van zijn deelgenoot, volstaat om de veroordeling wegens schending van voornoemd artikel 226, tweede lid, te rechtvaardigen.

4. Aangezien het arrest impliciet doch stellig erkent, of, zoals de eiseres in haar appelconclusie aanvoerde, ten minste niet ontkent dat de verweerder zijn cliënteel niet heeft aangegeven bij de vacatie van de boedelbeschrijving van 9 mei 2007, is de beslissing om de vordering van de eiseres te verwerpen die ertoe strekt de verweerder te doen veroordelen tot de bij artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde straf, niet naar recht verantwoord, niet omdat "[de verweerder] waarschijnlijk te goeder trouw heeft geoordeeld dat zijn cliënteel een eigen goed was" en ook niet omdat " noch de notaris, die het beroep [van de verweerder] kende, noch [de eiseres] de kwestie van dat cliënteel ooit ter discussie hebben gesteld".

Die twee omstandigheden zouden het bij artikel 226, tweede lid, van Strafwetboek bestrafte misdrijf voor een strafcollege niet hebben uitgesloten. Bijgevolg kunnen ze ook niet volstaan om het burgerrechtelijk misdrijf ‘heling van gemeenschapsgoederen' dat door artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek bestraft wordt, uit te sluiten.

Doordat het arrest steunt op de voormelde tweevoudige omstandigheid om te beslissen dat de eiseres "niet het bewijs levert van de bedoeling te schaden of van enige listige kunstgreep van [de verweerder] die willens en wetens zou hebben nagelaten het bestaan van zijn cliënteel in de boedelbeschrijving aan te geven", miskent het:

- de verplichting van elke deelgenoot om elk goed waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven, in het raam van een notariële boedelbeschrijving spontaan aan te geven, zonder te wachten tot de notaris of een andere partij hun daarom verzoekt (schending van de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek);

- de verplichting van elke deelgenoot om bij een notariële boedelbeschrijving, opgesteld in het raam van de vereffening van een huwelijksvermogensstelsel, ook de goederen aan te geven waarvan de deelgenoot te goeder trouw meent dat ze hem krachtens de wet of het huwelijkscontract toebehoren (schending van de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek);

- de draagwijdte van het strafmisdrijf van valse eed in een boedelbeschrijving, door impliciet te oordelen dat het verzuim om bij de boedelbeschrijving opgesteld in het raam van een vereffening van een huwelijksvermogensstelsel een goed aan te geven waarvan de deelgenoot te goeder trouw meent dat het hem krachtens de wet of het huwelijkscontract toebehoort (schending van de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek in samenhang met artikel 226, tweede lid, van het Strafwetboek);

- de draagwijdte van het strafmisdrijf van valse eed in een boedelbeschrijving, door impliciet te oordelen dat het verzuim om bij de notariële boedelbeschrijving een goed aan te geven dat de rechten van de deelgenoten kan beïnvloeden, enkel strafrechtelijk kan worden beteugeld als de auteur van het verzuim vooraf door de notaris of door een deelgenoot naar het bestaan van dat goed was gevraagd (schending van de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek in samenhang met artikel 226, tweede lid, van het Strafwetboek);

- het begrip ‘heling van gemeenschapsgoederen' in de zin van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek, door te oordelen dat een verzuim van aangifte dat het strafmis-drijf valse eed in een boedelbeschrijving kan vormen niet volstaat om de listige kunstgreep te vormen die vereist is om een dergelijke heling op te leveren (schending van de artikelen 1448 van het Burgerlijk Wetboek, 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek en 226, tweede lid, van het Strafwetboek).

Het arrest miskent op zijn minst het begrip ‘heling van gemeenschapsgoederen' in de zin van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het oordeelt dat het feit dat een ex-echtgenoot, bij de notariële boedelbeschrijving vóór de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel, nalaat een goed aan te geven waarvan die ex-echtgenoot meent dat het een eigen goed is, niet volstaat om de listige kunstgreep te vormen die een dergelijke heling kenmerkt (schending van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van alle in het middel beoogde bepalingen met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Het arrest miskent bovendien het begrip 'heling van gemeenschapsgoederen' in de zin van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het oordeelt dat het feit dat een ex-echtgenoot, bij de notariële boedelbeschrijving, nalaat spontaan een goed aan te geven dat de vereffening van het stelsel kan beïnvloeden, zonder de vraag van de notaris of van zijn deelgenoot af te wachten, niet volstaat om de listige kunstgreep te vormen die een dergelijke heling kenmerkt (schending van artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek, en voor zoveel als nodig, van alle in het middel beoogde bepalingen met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

1. Hoewel het arrest vermeldt dat [de verweerder] waarschijnlijk te goeder trouw heeft geoordeeld dat zijn cliënteel een eigen goed was, stelt het niet vast 1° dat die verweerder te goeder trouw een rechtsdwaling heeft begaan door te veronderstellen dat hij bij de notariële boedelbeschrijving enkel verplicht was de goederen aan te geven die met zekerheid het gemeenschappelijk vermogen vormden, met uitzondering van de goederen en waarden die, krachtens een wettelijke bepaling, geacht kunnen worden gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een der echtgenoten, in geval van betwisting, in het kader van de procedure van vereffening-verdeling, in voorkomend geval kan aantonen dat zij tot zijn eigen vermogen behoren, 2° dat de verweerder te goeder trouw een rechtsdwaling heeft begaan door te veronderstellen dat hij niet verplicht was om bij de notariële boe-delbeschrijving spontaan de goederen en feiten aan te geven die de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel konden beïnvloeden maar dat hij enkel diende te antwoorden op de vragen van de notaris of van de eiseres.

2. Heling van gemeenschapsgoederen die door artikel 1448 van het Burgerlijk Wetboek bestraft wordt en vergelijkbaar is met de heling van nalatenschap bedoeld in artikel 792 van datzelfde wetboek, is elke handeling te kwader trouw waarbij de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot een ongeoorloofd voordeel op het vermogen van de gemeenschap wil verwerven ten koste van zijn deelgenoten. Heling veronderstelt geen materiële handeling waardoor een goed aan de te verdelen boedel fysiek onttrokken wordt, en evenmin een actief gedrag van de heler. Het kan gewoon erin bestaan dat de deelgenoot nalaat de hem door de wet opgelegde aangiften te doen, inzonderheid de aangiften die de wet hem oplegt vóór het afsluiten van de bij de artikelen 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde boedelbeschrijving (zie de in het eerste onderdeel vermelde arresten van het Hof van Cassatie van 6 juni 1969 en 12 november 2004).

Aangezien het arrest overweegt dat, om te kunnen besluiten tot heling van gemeen-schapsgoederen, vereist moest zijn dat de verweerder "willens en wetens heeft nagelaten het bestaan van zijn cliënteel in de boedelbeschrijving aan te geven" en uitgaat van de voornoemde redenen om te beslissen dat "[de eiseres] niet het minste begin van bewijs levert van de bedoeling om te schaden of van enige listige kunstgreep van [de verweerder]", miskent het de regel (die voortvloeit uit de samenhang van de artikelen 1148 van het Burgerlijk Wetboek, 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek) dat het bestaan van heling van gemeenschapsgoederen enkel kan worden uitgesloten als de door een van de ex-echtgenoten begane rechtsdwaling betrekking heeft op de draagwijdte van de aangifteplicht die hij moet nakomen in het raam van een notariële boedelbeschrijving en niet op het eigen of gemeenschappelijk karakter van de goederen die hij verzuimd heeft te verklaren.

Bijgevolg kunnen de voornoemde redenen niet volstaan om de beslissing naar recht te verantwoorden dat "de bestaansvoorwaarde voor de heling ontbreekt".

Doordat het arrest zijn beslissing op de voornoemde redenen steunt, zonder vast te stellen dat de eiser te goeder trouw een rechtsdwaling heeft begaan door te veronderstellen, enerzijds, dat hij bij de notariële boedelbeschrijving enkel verplicht was de goederen aan te geven die met zekerheid het gemeenschappelijk vermogen vormen, met uitzondering van de goederen en waarden waarvan hij meende dat zij hem toebehoorden, en, anderzijds, dat hij niet spontaan aangifte moest doen maar moest wachten tot hij door de notaris of door de eiseres daarnaar werd gevraagd, miskent het de wettelijke voorwaarden voor het bestaan van heling van gemeenschapsgoederen (schending van de artikelen 1448 van het Burgerlijk Wetboek, 1175 en 1183 van het Gerechtelijk Wetboek).

Op grond van de redenen van het arrest kan op zijn minst niet worden bepaald of het hof van beroep heeft vastgesteld dat de eiser te goeder trouw gemeend heeft dat hij, enerzijds, bij de notariële boedelbeschrijving enkel verplicht was de goederen aan te geven die met zekerheid het gemeenschappelijk vermogen vormden, met uitzondering van de goederen waarvan hij meende dat zij hem toebehoorden, en, anderzijds, dat hij niet spontaan aangifte moest doen maar moest wachten tot hij door de notaris of de eiseres daarnaar werd gevraagd bij de laatste vacatie van de boedelbeschrijving die aan de eedaflegging voorafgaat. Het Hof kan op grond van de redenen van het arrest bijgevolg de wettigheid van de aangevochten beslissing niet toetsen, zodat het arrest niet naar recht is verantwoord (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Derde onderdeel
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1448 Burgerlijk Wetboek verliest de echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden, zijn aandeel in dat goed.

Het wegmaken of verborgen houden van goederen uit het gemeenschappelijk vermogen is elke oneerlijke handeling waarbij de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot een ongeoorloofd voordeel op het vermogen van de gemeen-schap wil verwerven ten koste van de andere echtgenoot.

Artikel 1448 Burgerlijk Wetboek beoogt aldus elk bedrog dat tot doel heeft de deelgenoot datgene te ontzeggen wat hem in de verdeling toekomt.

Het bedrieglijk opzet dat een essentieel bestanddeel van de heling van gemeen-schapsgoederen is, valt niet samen met het moreel bestanddeel van het misdrijf meineed, zoals bedoeld in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek.

Het arrest stelt vast dat "de partijen op 17 september 1982 gehuwd zijn onder het stelsel van gemeenschap van goederen en thans uit de echt gescheiden zijn"; dat "op 18 februari 2008 een staat van vereffening en op 9 april 2008 een proces-verbaal van zwarigheden werden opgesteld"; "dat een vonnis dat op 1 oktober 2008 werd uitgesproken en bij arrest van 30 juni 2009 bevestigd is, [die] staat gehomologeerd heeft", en dat, "[de eiseres] bij dagvaarding [van] 28 mei 2009 [...], verzocht heeft dat voor recht zou worden gezegd dat [de verweerder] schul-dig is aan heling van gemeenschapsgoederen in de zin van artikel 1448 Burgerlijk Wetboek" en "dat de waarde van het cliënteel die [hij] tijdens het huwelijk ver-worven heeft [...] haar zou worden toegekend".

Op grond dat "het aan [de eiseres] staat het bedrieglijk opzet of de listige kunst-grepen [van de verweerder] die willens en wetens heeft nagelaten het bestaan van zijn cliënteel in de boedelbeschrijving aan te geven, aan te tonen"; dat zij "niet het minste begin van bewijs levert van de bedoeling om te schaden of van enige listige kunstgreep van [de verweerder]"; "dat [laatstgenoemde] in 1978 [...] begon te werken [...] en [dat] zijn cliënteel op het tijdstip van het huwelijk in 1982 reeds verworven moest zijn; [ hij] dus waarschijnlijk te goeder trouw geoordeeld heeft dat zijn cliënteel een eigen goed was en bovendien noch de notaris, die [zijn] beroep kende, noch [de eiseres] de kwestie van dat cliënteel ooit ter discussie hebben gesteld", verantwoordt het arrest, dat aldus te kennen geeft dat de ver-weerder de eiseres niet heeft willen beroven van datgene wat haar in de verdeling toekomt, naar recht zijn beslissing dat "de bestaansvoorwaarde voor de heling ontbreekt".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het louter verzuim om bij de boedelbeschrij-ving de vereiste aangifte te doen volstaat om het burgerrechtelijk misdrijf ‘heling van gemeenschapsgoederen' te vormen, terwijl dat misdrijf het bedrieglijk opzet vereist zoals bepaald in het antwoord op het eerste onderdeel, faalt naar recht.

Derde onderdeel
(...)
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 17 oktober 2016 uitgesproken 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/01/2018 - 16:54
Laatst aangepast op: zo, 28/01/2018 - 16:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.