-A +A

Weens koopverdrag- Rechter die buitenlands recht toepast moet dit doen in buitenlandse interpretatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/01/2017
A.R.: 
C.15.0238.N

Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, gaat het Hof de overeenstemming na van de beslissing van de feitenrechter met de interpretatie die aan die wet gegeven wordt in het land van oorsprong; het Hof heeft ten aanzien van buitenlands recht geen rechtscheppende taak.

Substitutie van motieven door toepassing van de buitenlandse wet is slechts mogelijk wanneer de draagwijdte van die buitenlandse wet zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de correcte interpretatie ervan of wanneer de betrokken buitenlandse wet reeds is uitgelegd door de hoogste rechterlijke instanties van het land van oorsprong (1). (1) Zie de op dit punt strijdige concl. OM; het OM was van mening dat de diverse rechtsvragen die zich stellen in verband met de toepassing van artikel 438, derde lid, van het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch op de feiten van deze zaak, aan de criteria beantwoorden om tot substitutie van de rechtsgrond naar vreemd recht te kunnen overgaan. Anders dan het besteden arrest, was het OM van mening dat het eerste onderdeel van het tweede middel, na substitutie van motieven, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk was.

Wanneer de verkoper, bij een internationale koopovereenkomst betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn, het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst kende of er niet onkundig kon van zijn, is vereist dat de verkoper dit zo snel mogelijk aan de koper bekend maakt, zodat een symmetrisch niveau van informatie en de redelijke verwachtingen van de partijen gevrijwaard blijven; aldus dient de verkoper die vóór de levering kennis had of niet onkundig kon zijn van het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst, dit vóór de levering aan de koper mee te delen (1) (2). (1) Zie concl. OM; het OM concludeerde tot dezelfde rechtsregel maar was echter van oordeel dat het middel opkwam tegen een overtollige reden en bijgevolg niet ontvankelijk was bij gebrek aan belang. (2) Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, opgemaakt te Wenen, verkort 'Weens Koopverdrag', goedgekeurd bij Wet 4 september 1996.

De feitenrechter die de buitenlandse wet toepast dient de draagwijdte ervan te bepalen door rekening te houden met de interpretatie die eraan gegeven wordt in het land van oorsprong.

De termijn waarvan sprake in artikel 38, 39 en 40 van het Weens Koopverdrag is een termijn binnen dewelke de koper verplicht is de goederen te keuren, protest te uiten of zich op het conformiteitsgebrek te beroepen, maar geen verjaringstermijn waarbinnen de vordering zelf moet worden ingesteld.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1500
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0238.N
KÖBO-DONGHUA GmbH & Co KG, met zetel te 42281 Wuppertal (Duits-land), Hatzfeldertstrasse 115,
eiseres,
tegen
BOGAERT TRANSMISSION bvba, met zetel te 1840 Londerzeel, Neringstraat 5,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 26 november 2013 en 26 november 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 1, eerste lid, a), van het Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, op-gemaakt te Wenen, hierna Weens Koopverdrag, bepaalt dat dit Verdrag van toe-passing is op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn, wanneer de Staten verdragsluitende Staten zijn.

2. Artikel 38, eerste lid, Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn moet keuren of doen keuren.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling kan de keuring, indien de overeen-komst tevens het vervoer van de zaken omvat, worden uitgesteld tot na de aan-komst van de zaken op hun bestemming.

Artikel 39, eerste lid, Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper het recht verliest om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had beho-ren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling verliest de koper in ieder geval het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoor-den, indien hij de verkoper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in ken-nis stelt, tenzij deze termijn niet overeenstemt met een in de overeenkomst opge-nomen garantietermijn.

3. Artikel 40 Weens Koopverdrag bepaalt dat de verkoper zich niet kan beroe-pen op het bepaalde in de artikelen 38 en 39, indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper heeft bekend gemaakt.

4. Deze bepaling vindt haar rechtsgrond in het beginsel van de uitvoering van de overeenkomst te goeder trouw en houdt verband met de bedoeling van de arti-kelen 38 en 39 Weens Koopverdrag.

Deze artikelen willen verzekeren dat de verkoper tijdig in kennis wordt gesteld van het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst, zodat een symme-trisch niveau van informatie wordt bereikt tussen de partijen en de redelijke ver-wachtingen van beide partijen worden gewaarborgd.

Wanneer de verkoper het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst evenwel kende of er niet onkundig kon van zijn, vereist artikel 40 Weens Koop-verdrag dat de verkoper dit zo snel mogelijk aan de koper bekend maakt, zodat een symmetrisch niveau van informatie en de redelijke verwachtingen van de par-tijen gevrijwaard blijven.

5. Aldus dient de verkoper die vóór de levering kennis had of niet onkundig kon zijn van het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst, dit vóór de levering aan de koper mee te delen.

6. In het tussenarrest van 26 november 2013 oordelen de appelrechters dat:
- artikel 40 Weens Koopverdrag een positieve mededelingsplicht oplegt aan de verkoper;
- op grond van het vereiste van de goede trouw moet worden aangenomen dat de mededeling moet gebeuren zodra de verkoper zich van het gebrek aan conformiteit bewust wordt, zodat de koper eventueel nog kan afzien van de transactie;
- de mededeling van de niet-conformiteit in elk geval dient te gebeuren voor de levering;
- de verkoper in strijd handelt met voornoemde meldingsplicht en met de goede trouw wanneer hij het gebrek aan conformiteit slechts meedeelt aan de koper door middel van de factuur, dit wil zeggen na levering en ontvangst van de goederen, terwijl hij naar eigen zeggen hiervan al eerder op de hoogte was.

7. Door op die grond te oordelen dat de verkoper de niet-conformiteit niet tij-dig aan de koper heeft medegedeeld, zodat niet beantwoord wordt aan de vereisten van artikel 40 Weens Koopverdrag, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

8. De verweerster voert een grond van niet ontvankelijkheid van het onderdeel aan: het Hof kan met een substitutie van motieven gesteund op het Duits verja-ringsrecht en met name op artikel 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wet-boek (hierna: BGB) beslissen dat de algemene verjaringstermijn van artikel 195 BGB van toepassing is.

9. De feitenrechter die de buitenlandse wet toepast dient de draagwijdte ervan te bepalen door rekening te houden met de interpretatie die eraan gegeven wordt in het land van oorsprong.

Het Hof gaat de overeenstemming na van de beslissing van de feitenrechter met die interpretatie. Het heeft ten aanzien van buitenlands recht geen rechtscheppen-de taak.

Hieruit volgt dat substitutie van motieven slechts mogelijk is wanneer de draag-wijdte van de buitenlandse wet zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de correcte interpretatie ervan of wanneer de betrokken buitenlandse wet reeds is uitgelegd door de hoogste rechterlijke instanties van het land van oorsprong.

10. Artikel 438, eerste lid, 3), BGB bepaalt dat vorderingen op grond van een gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst verjaren door ver-loop van twee jaar.

Krachtens het tweede lid begint de verjaringstermijn te lopen vanaf de levering van de zaak.

Krachtens het derde lid van deze bepaling verjaren de vorderingen, in afwijking van het eerste lid, 3), binnen de algemene verjaringstermijn wanneer de verkoper het gebrek bedrieglijk verzwegen heeft.

11. De diverse rechtsvragen die zich stellen in verband met de toepassing van artikel 438, derde lid, BGB op de feiten van deze zaak, beantwoorden, mede gelet op hun complexiteit, niet aan de criteria om tot substitutie van de rechtsgrond naar vreemd recht te kunnen overgaan.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
(...)

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep in zoverre dit betrekking heeft op het bestreden arrest van 26 november 2013.
Vernietigt het bestreden arrest van 26 november 2014.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigd arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 27 januari 2017 uitgesproken

Voorziening in cassatie

VOOR: De vennootschap naar Duits recht Köbo-Donghua GmbH & CO KG, met maatschappelijke zetel te 42281 Wuppertal (Duitsland), Hatzfeldertstrasse 115,

Eiseres tot cassatie,

TEGEN: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid Bogaert Transmission, met maatschappelijke zetel te 1840 Londerzeel, Neringstraat 5, ingeschreven in de KBO onder nummer 0418.943.295,

Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres tot cassatie heeft de eer het tussenarrest, gewezen op 26 november 2013, en het eindarrest, gewezen op 26 november 2014 door de achttiende kamer van het Hof van beroep te Brussel (2012/AR/1966), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Op 19 oktober 2004 sloten partijen een overeenkomst met be-trekking tot de levering van een ketting met rollen.

De ketting werd geleverd op 21 februari 2005. Op 23 februari 2005 werd de factuur opgesteld die door verweerster op 18 april 2005 zonder enig voorbehoud werd betaald.

In juli 2010 werd er eiseres meegedeeld dat de in 2005 geleverde ketting niet beantwoordde aan de overeenkomst.

Op 28 september 2010 werd er haar op verzoek van verweerster een dagvaarding betekend die haar uitnodigde te verschijnen voor de Rechtbank van koophandel te Brussel, teneinde de ver-koopovereenkomst d.d. 19 oktober 2004 met betrekking tot de door haar bestelde ketting met rollen te horen ontbinden ten laste van ei-seres en haar te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van 83.658,41 euro, meer de gerechtelijke rente vanaf 23 februari 2005 tot op datum van de gehele betaling en de kosten, inbegrepen de kosten van het exploot en de rechtsplegingsvergoeding.

Bij het vonnis van 17 april 2012 verklaarde de Rechtbank van koophandel te Brussel zich bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van verweerster, verklaarde de vordering onontvankelijk en veroordeelde haar tot betaling van de gerechtskosten.

Verweerster stelde tegen deze beslissing hoger beroep in. Ei-seres stelde incidenteel beroep in.

Bij tussenarrest van 26 november 2013 heropende het Hof van beroep te Brussel de debatten om partijen toe te laten aanvullend te concluderen en hun standpunt desgevallend mondeling toe te lichten met betrekking tot de vraag naar (i) het toepasselijk recht inzake de algemene regels van verjaring op de vordering van verweerster en (ii) de toepassing van het Weens Koopverdrag op de vorderingen van verweerster.

Bij het eindarrest van 26 november 2014 verklaarde het Hof van beroep te Brussel het principaal hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond, deed het bestreden vonnis teniet, be-houdens waar het de kosten begrootte, verklaarde de oorspronkelijke vordering gegrond, ontbond de verkoopovereenkomst gesloten tussen partijen op 19 oktober 2004 met betrekking tot de door de verweerster bestelde ketting met rollen ten nadele van eiseres, veroordeelde eiseres tot betaling aan verweerster van het bedrag van 63.858,41 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten na de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de betaling van de factuur, zijnde 23 mei 2005, en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet tot op de dag van de volledige betaling, en veroordeelde eiseres tot betaling van de kosten van beide aanleggen.

Tegen deze arresten meent eiseres volgende middelen tot cas-satie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- artikelen 1.1.a), 38, 39 en 40 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden eindarrest van 26 november 2014 verklaart het Hof van beroep te Brussel het principaal hoger beroep van ver-weerster gegrond en het incidenteel beroep van eiseres ongegrond, doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de kosten be-grootte, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster ge-grond, ontbindt de verkoopovereenkomst gesloten tussen partijen op 19 oktober 2004 met betrekking tot de door de verweerster bestelde ketting met rollen ten nadele van eiseres, veroordeelt eiseres tot be-taling aan verweerster van het bedrag van 63.858,41 euro, te ver-meerderen met de vergoedende intresten na de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de betaling van de factuur, zijnde 23 mei 2005, en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet tot op de dag van de volledige betaling, en veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van beide aanleggen, na in het bestreden tussenarrest van 26 november 2013 onder meer te hebben overwogen:

"3. Laattijdigheid en verval van het vorderingsrecht.

Een onderscheid moet worden gemaakt worden tussen korte termijnen waarbinnen geleverde goederen door de koper dienen gecontroleerd te worden en eventueel een protest dient te worden geformuleerd ten aanzien van de verkoper in geval van niet-conformiteit enerzijds en de algemene verjaringstermijnen voor het instellen van contractuele vorderingen anderzijds.

a. Keuring- en protesttermijnen.

In eerste instantie dient te worden beoordeeld of (eiseres) zich kan beroepen op de korte termijnen in verband met de keuring van de goederen en het protest vervat in de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag:

Artikel 38 - 1) De koper moet de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn keuren of doen keuren.

2) (...)

3) (...).

Artikel 39 - 1) De koper verliest het recht om zich erop te be-roepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken van de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.

2) In ieder geval verliest de koper het recht om zich erop te be-roepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij de verkoper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in kennis stelt, tenzij deze termijn niet overeenstemt met een in de overeenkomst opgenomen garan-tietermijn.

(Verweerster) betwist evenwel de toepasselijkheid van deze termijnen op haar vordering omdat (i) het gebrek een verborgen gebrek in het materiaal betreft dat zij niet heeft kunnen vaststellen daar zij niet over de vereiste instrumenten beschikte om de chemische samenstelling ervan te testen; (ii) de goederen werden doorverkocht en het gebrek pas ontdekt is bij gelegenheid van het eerste gebruik door haar eigen afnemer HEKO die het materiaal meer dan 5 jaar in reserve zou hebben gehouden.

Volgens (verweerster) kan (eiseres) als verkoper zich ook niet be-roepen op de vervaltermijn van artikel 39 nu zij het gebrek aan con-formiteit kende doch nageleten heeft dit aan (verweerster) als koper te melden zoals vereist door artikel 40 Weens Koopverdrag.

Artikel 40 - De verkoper kan zich niet beroepen op het bepaalde in de artikelen 38 en 39, indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper heeft bekend gemaakt.

Het Hof oordeelt hierover als volgt.

Wat betreft het verval van de vordering van (eiseres) wegens het niet nakomen van de keuring- en protesttermijn van artikel 38.1 en 39.1 en 2 stelt het hof vooreerst vast dat het beweerde gebrek aan conformiteit betrekking heeft op de chemische samenstelling van de verkochten "rollen".

De chemische samenstelling zoals aangegeven bij de bestelling van de goederen verschilt kennelijk van deze vermeld op de door (eiseres) naar eigen zeggen verstuurde orderbevestiging en op de door haar verstuurde factuur. Hierover bestaat geen betwisting tussen partijen. Er wordt evenmin betwist dat de specifieke chemische samenstelling van de rollen een wezenlijk kenmerk vormde met betrekking tot de verkochte goederen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst.

Met andere woorden, het door (verweerster) in haar vordering aan-gevoerde gebrek heeft betrekking op een beweerde niet conforme levering door (eiseres).

(Eiseres) stelt evenwel dat deze wijziging van chemische samenstel-ling door (verweerster) werd aanvaard. (Verweerster) betwist dit en (eiseres) toont niet aan dat (verweerster) die wijziging aanvaardde.

(Eiseres) kan zich niet beroepen op de termijn van artikelen 38 en 39 in de hypothese van artikel 40 indien zij op de hoogte was van dit beweerde gebrek aan conformiteit en die niet heeft meegedeeld aan (verweerster).

Dat (eiseres) op de hoogte was van deze beweerde niet-conformiteit kan niet betwist worden; zij gaf immers zelf de gewijzigde chemische samenstelling aan op de factuurbeschrijving. Bovendien stelt zij in conclusies dat deze wijziging reeds was vermeld in de orderbevesti-ging van 6 december 2004 waarvan evenwel niet bewezen is dat ze naar (verweerster) werd verstuurd.

De vraag is vervolgens of (eiseres) (verweerster) op de hoogte heeft gebracht van deze gewijzigde chemische samenstelling. Artikel 40 van het Weens Koopverdrag legt een positieve mededelingsplicht op in hoofde van de verkoper indien hij een beroep wil doen op de termijnen van artikel 38 en 39, zonder evenwel te omschrijven op welk ogenblik de verkoper een wijziging in de essentiële kenmerken van de materialen dient te melden aan de koper. Men dient evenwel aan te nemen op grond van de vereiste van de goede trouw dat dit moet gebeuren van zodra de verkoper zich van het gebrek aan conformiteit bewust wordt, zodat de koper eventueel nog kan afzien van de transactie.

In elk geval dient de mededeling van de niet conformiteit te gebeuren voor de levering.

Wanneer zoals in casu de verkoper het gebrek aan conformiteit aan de koper slechts meedeelt door middel van de factuur na levering en ontvangst van de goederen - terwijl hij naar eigen zeggen al eerder hiervan op de hoogte was - handelt de verkoper in strijd met voor-noemde meldingsplicht en met de goede trouw.

Dit geldt des te meer nu die melding gebeurde zonder er de aandacht op te vestigen en met name door ze op te nemen in een uitgebreide beschrijving van de gefactureerde goederen.

De mededeling door de verkoper van de niet conformiteit gebeurde bijgevolg laattijdig en op een onvoldoende specifieke manier om te beantwoorden aan de vereisten van artikel 40 die als een antifrau-debepaling dient te worden beschouwd.

Dat de koper uiteindelijk weet kreeg of kon krijgen van de niet-conformiteit via de factuur en of hij al dan niet tijdig hierop heeft ge-protesteerd doet niet meer ter zake, zodat de verkoper het recht ver-liest om beroep te doen op de termijnen van artikel 38 en 39."

Grief

Naar luid van artikel 1.1.a) van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, is dit verdrag van toepassing op koop-overeenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn wanneer de Staten verdragslui-tende Staten zijn, zoals België en Duitsland.

Artikel 38 van het Weens Koopverdrag bepaalt:
"1) De koper moet de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn keuren of doen keuren.
2) Indien de overeenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat, kan de keuring worden uitgesteld tot na de aankomst van de zaken op hun bestemming.
3) (...)."

Artikel 39 van het Weens Koopverdrag stelt voorts:
"1) De koper verliest het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken van de verkoper hiervan in kennis stelt onder opgave van de aard van de tekortkoming.
2) In ieder geval verliest de koper het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij de verkoper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in kennis stelt, tenzij deze termijn niet overeenstemt met een in de overeenkomst opgenomen garantietermijn."

Uit deze bepalingen volgt in hoofde van de koper een verplichting om binnen een redelijke termijn de goederen te keuren of te doen keuren en om de verkoper binnen een redelijke termijn nadat hij de niet-conformiteit van de zaken heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, hiervan in kennis te stellen onder opgave van de aard van de tekortkoming.

Indien blijkens artikel 40 van het Weens Koopverdrag de verko-per zich niet kan beroepen op het bepaalde in de artikelen 38 en 39 indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper heeft bekend gemaakt, volgt uit deze bepaling geenszins dat deze mededeling zou dienen te gebeuren vóór de levering.

De ratio legis van de bewuste mededelingsplicht bestaat inder-daad erin dat de verkoper geen voordeel zou halen uit een hem bekend feit dat mogelijks een protest vanwege de koper zou kunnen verantwoorden. Zij moet de aandacht van de betrokken koper vestigen op de feiten die tot gevolg hebben dat de geleverde goederen niet conform zijn aan de overeenkomst, derwijze dat de koper over een zelfde kennis beschikt als de verkoper bij het keuren van de goederen.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de gewijzigde chemische samenstelling van de ketting uitdrukkelijk stond vermeld op de factuur, die werd opgesteld op 23 februari 2005 en door verweerder werd betaald op 18 april 2005, hetgeen impliceert dat de samenstelling van het geleverd product aan verweerster expliciet werd meegedeeld.

Besluit

In zoverre het hof van beroep in het bestreden tussenarrest oor-deelt dat de mededeling van de niet-conformiteit van de geleverde zaak diende te gebeuren vóór de levering, derwijze dat eiseres zich niet meer kon beroepen op de termijnen, waarvan sprake in de artikelen 38 en 39, voegt het aan artikel 40 van het verdrag een voorwaarde toe die hierin niet is vervat (schending van artikelen 1.1.a), en 40 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internati-onale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996) en vermocht het niet wettig te oordelen dat eiseres zich niet kon beroepen op de redelijke termijn, waarvan sprake in artikelen 38 en 39.1 van het verdrag, en op de maximumtermijn van twee jaar, te rekenen van de feitelijke afgifte, waarvan sprake in 39.2 van het verdrag (schending van artikelen 1.1.a), 38, 39 en 40 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996).

 

TOELICHTING

Het hof van beroep gaat in het bestreden tussenarrest ervan uit dat de mededeling van het gebrek aan conformiteit vóór de levering dient plaats te vinden.

Dergelijke vereiste kan nochtans niet uit artikel 40 van het Weens Koopverdrag worden afgeleid, waar enkel sprake is van de cumulatieve voorwaarden van kennis in hoofde van de verkoper van het gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst en van mededeling hiervan door de verkoper aan de koper, opdat de verkoper zich zou kunnen beroepen op het overschrijden van de termijnen van artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag.

Bijgevolg voegt het hof van beroep een voorwaarde toe aan deze bepaling door als voorwaarde voorop te stellen dat de mededeling van het gebrek aan overeenstemming dient te gebeuren vóór de levering.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel

- artikel 15 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht,
- artikelen 1, 3, 4, 8 en 10 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit over-eenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987,
- artikelen 4, 38, 39, 40, 49 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996,
- artikelen 194, lid 1, 195, 199, lid 1, 438, lid 1, nr. 3, lid 2 en lid 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek,
- algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen.

 

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden eindarrest van 26 november 2014 verklaart het Hof van beroep te Brussel het principaal hoger beroep van ver-weerster gegrond en het incidenteel beroep van eiseres ongegrond, doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de kosten be-grootte, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster ge-grond, ontbindt de verkoopovereenkomst, gesloten tussen partijen op 19 oktober 2004 met betrekking tot de door de verweerster bestelde ketting met rollen ten nadele van eiseres, veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerster van het bedrag van 63.858,41 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten na de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de betaling van de factuur, zijnde 23 mei 2005, en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet tot op de dag van de volledige betaling, en veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van beide aanleggen, na in dit arrest onder meer te hebben overwogen:

"B.1. De toepasselijkheid van het Duitse recht inzake de verjaring

Sinds 1 januari 2002 trad een grote herziening van het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch in werking. Ook het Duitse kooprecht werd grondig hervormd en de verjaringstermijnen werden aangepast. De belangrijkste wijziging was het terugbrengen van de algemene verja-ringstermijn van dertig jaar naar drie jaar (art. 195 BGB). Daarmee hangt samen de wisseling van objectief naar subjectief aankno-pingspunt voor het begin van de verjaring. Naar oud recht was het zo dat de verjaring aanknoopte bij de objectieve omstandigheid van het ontstaan van de vordering (art. 198 oud BGB). Thans begint de verjaring aan het eind van het jaar waarin de vordering is ontstaan en de schuldeiser met de feiten waarop de vordering rust en met de persoon van de schuldenaar bekend is geworden of had moeten zijn (art. 199 lid 1 BGB). Om te voorkomen dat de termijn daarmee al te lang kan worden, zijn in de leden 2-4 maximale termijnen opgenomen.

De gewone algemene verjaringstermijn van artikel 195 BGB is van toepassing nu de specifieke korte verjaringstermijnen aangaande niet-conformiteit door de vervaltermijnen van het Weens Koopverdrag werden vervangen.

Om te vermijden dat de verjaring zou zijn ingetreden conform artikel 195 BGB nog voor de benadeelde ((verweerster)) kennis had van de mogelijkheid een vordering in te stellen, werd het aanvangspunt van de termijn gesubjectiveerd in § 199 (i) BGB: de benadeelde moet kennis hebben van de omstandigheden die aan zijn aanspraak ten grondslag liggen en van de persoon van de schuldenaar. De verjaring begint in dat geval dan te lopen op het einde van het jaar waarin beide bovenstaande voorwaarden cumulatief zijn voldaan.

In het tussenarrest heeft het hof reeds beslist dat (eiseres) op de hoogte was van het beweerde gebrek aan conformiteit maar dit niet tijdig heeft meegedeeld aan (verweerster). Omdat (eiseres) het gebrek aan conformiteit pas heeft meegedeeld via de factuur werd gesteld dat (eiseres) in strijd met de meldingsplicht en de goede trouw heeft gehandeld. Er werd hieraan nog toegevoegd (voorlaatste alinea, p. 11 van het tussenarrest) dat de mededeling door (eiseres) gebeurde op een verdoken manier, met name zonder (verweerster) er attent op te maken en door de gewijzigde samenstelling enkel op te nemen in een uitgebreide beschrijving van de gefactureerde goederen.

Op basis van deze overwegingen besluit het Hof dat (eiseres) voor-afgaand aan de levering arglistig verzwegen heeft dat de geleverde kettingen niet die samenstelling hadden die (verweerster) effectief besteld had.

(Verweerster) moet bijgevolg niet geacht worden kennis te hebben gehad van de niet-conformiteit naar aanleiding van het uitreiken van de factuur.

Bijgevolg neemt de gewone verjaringstermijn van drie jaar geen aanvang vanaf de levering maar vanaf het moment dat de benadeelde koper (verweerster) effectief kennis kreeg van de omstandigheden die aan zijn aanspraak ten grondslag liggen.

(Verweerster) werd in de loop van de maand juli 2010 door haar klant in kennis gesteld van de beweerde niet-conformiteit zodat de termijn van drie jaar ten vroegste kon aanvangen in juli 2010.

Gelet op het feit dat de dagvaarding dateert van 28 september 2010 was de verjaring van de vordering onder Duit recht nog niet ingetre-den."

 

Grief

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht evenals het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen, wordt de inhoud van het buitenlandse recht door de rechter vastgesteld en toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie.

Zoals uitdrukkelijk vastgesteld door het bestreden tussenarrest, heeft het Weens Koopverdrag geen betrekking op de algemene regels inzake verjaring, terwijl het verdrag van New York inzake de verjaring bij internationale koop van roerende goederen in België pas sinds 1 maart 2009 van toepassing is.

De redelijke termijn, waarvan sprake in de artikelen 38, 39 en 49 van het Weense Koopverdrag, is aldus geen verjaringstermijn, maar een termijn binnen dewelke de koper verplicht is de goederen te keuren, protest te uiten en de vordering tot ontbinding in te stellen, met dien verstande dat volgens artikel 39.2 van de Weens koopver-drag de koper in ieder geval het recht verliest om zich erop te beroe-pen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij de verkoper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in kennis stelt, tenzij deze termijn niet overeenstemt met een in de overeenkomst opgenomen garantietermijn.

Deze artikelen bevatten evenwel geen verjaringstermijn waar-binnen de vordering zelf moet worden ingesteld.

Artikel 4 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internati-onale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, bepaalt inderdaad dat het verdrag uitsluitend de totstandkoming van koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen van verkoper en koper voortvloeiende uit een zodanige overeenkomst regelt.

Naar luid van artikel 1.1 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, zijn de bepa-lingen van dit verdrag van toepassing op verbintenissen uit overeen-komst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen.

Artikel 4 van het Verdrag van Rome bepaalt het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, toepasselijk is.

Dat artikel luidt meer bepaald als volgt:
"1. Voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is ver-bonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.
2. Behoudens het vijfde lid wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een ven-nootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het be-roep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de
hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.
(...)".

Volgens de vaststellingen van het bestreden eindarrest en con-form artikel 4 van het verdrag van Rome was te dezen het Duitse recht van toepassing.

Artikel 10.1.d) van het verdrag van Rome bepaalt inzake de on-derwerpen die het toepasselijke recht beheerst dat het recht dat in-gevolge de artikelen 3 tot en met 6 en 12 van dit Verdrag op de overeenkomst toepasselijk is, met name de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn beheerst.

Uit voorgaande bepalingen volgt dat de verjaring van de vorde-ringen, volgend uit de koopovereenkomst, werd beheerst door het Duitse recht.

Derhalve kwam het aan het hof van beroep toe om overeen-komstig het hierboven aangehaalde artikel 15 van het Wetboek van internationaal privaatrecht en voornoemd algemeen rechtsbeginsel de precieze draagwijdte van dat Duitse recht te bepalen.

Blijkens artikel 438, lid 1, nr. 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek verjaart de vordering uit hoofde van de niet-conformiteit van de verkochte zaak aan de overeenkomst door verloop van twee jaar, zulks in afwijking van artikel 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek dat stelt dat de algemene verjaringstermijn drie jaar bedraagt.

Besluit

Inzoverre het hof van beroep in het bestreden eindarrest oordeelt dat de gewone algemene verjaringstermijn van artikel 195 BGB van toepassing is, "nu de specifieke korte verjaringstermijn aangaande niet-conformiteit door de vervaltermijnen van het Weens Koopverdrag werden vervangen", verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 4, 38, 39, 49 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, 195 en 438, lid 1, nr. 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Zoals uiteengezet in het eerste onderdeel, volgt uit artikel 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht evenals uit het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen, dat de inhoud van het buitenlandse recht door de rechter wordt vastgesteld en toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie.

Zoals uitdrukkelijk vastgesteld door het bestreden tussenarrest, heeft het Weens Koopverdrag geen betrekking op de algemene regels inzake verjaring, terwijl het verdrag van New York inzake de verjaring bij internationale koop van roerende goederen in België pas sinds 1 maart 2009 van toepassing is.

Artikel 4 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internati-onale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, bepaalt inderdaad dat het verdrag uitsluitend de totstandkoming van koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen van verkoper en koper voortvloeiende uit een zodanige overeenkomst regelt.

Naar luid van artikel 1.1 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, zijn de bepa-lingen van dit verdrag van toepassing op verbintenissen uit overeen-komst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen.

Artikel 4 van het Verdrag van Rome bepaalt het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, toepasselijk is.

Te dezen waren partijen het erover eens dat ter zake het Duitse recht van toepassing was.

Artikel 10.1.d) van het verdrag van Rome bepaalt inzake de on-derwerpen die het toepasselijke recht beheerst dat het recht dat in-gevolge de artikelen 3 tot en met 6 en 12 van dit Verdrag op de overeenkomst toepasselijk is, met name de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn beheerst.

Uit voorgaande bepalingen volgt dat de verjaring van de vorde-ringen, volgend uit de tussen partijen tot stand gekomen koopover-eenkomst, werden beheerst door het Duitse recht.

Blijkens artikel 438, lid 1, nr. 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek verjaart de vordering uit hoofde van gebreken van de verkochte zaak door verloop van twee jaar, zulks in afwijking van artikel 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek dat stelt dat de algemene verjaringstermijn drie jaar bedraagt.

Volgens artikel 438, lid 2 van het Duitse Burgerlijk Wetboek be-gint de verjaring te lopen bij de afgifte van de zaak.

Artikel 438, lid 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek bepaalt wel-iswaar dat in afwijking van artikel 438, lid 1, nr. 3 de vorderingen vol-gens de algemene verjaringstermijn verjaren, indien de verkoper het gebrek bedrieglijk heeft verzwegen, hetzij binnen de termijn bedoeld bij artikel 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek.

Bedrog veronderstelt de aanwending van een kunstgreep evenals het oogmerk om bewust te schaden.

Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststel-lingen dat eiseres de verweerster wel degelijk heeft ingelicht omtrent de gewijzigde samenstelling van de ketting bij middel van de factuur.

Uit het feit dat eiseres het gebrek aan conformiteit niet tijdig zou hebben meegedeeld conform artikel 40 van het Weens Koopverdrag, hetzij, in de uitlegging die hieraan door het hof van beroep wordt gegeven, vóór de levering, interpretatie die door eiseres wordt betwist in het eerste middel tot cassatie, maar dit gebrek aan conformiteit pas heeft meegedeeld via de factuur door de gewijzigde samenstelling op te nemen in een uitgebreide beschrijving van de gefactureerde goederen en zonder verweerster erop attent op te maken, volgt nog niet dat eiseres de bedoeling had om verweerster te schaden en derhalve dat de voorwaarde voor toepassing van artikelen 438, lid 3, en 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek voorhanden was.

Besluit

In zoverre het hof van beroep in het bestreden eindarrest op grond van voornoemde vaststellingen oordeelt dat te dezen de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 438 van het Duitse Bur-gerlijk Wetboek, welke overeenkomstig artikel 438, lid 2 van het Duitse Burgerlijk Wetboek loopt bij de afgifte van de verkochte zaak, geen toepassing vond omwille van het arglistig optreden van eiseres, maar wel de algemene verjaringstermijn van drie jaar, welke overeenkomstig artikel 199, lid 1 van het Duitse Burgerlijk Wetboek een aanvang nam vanaf het moment dat de benadeelde koper effectief kennis kreeg van de omstandigheden die aan zijn aanspraak ten grondslag liggen, zonder dat weliswaar wordt vastgesteld dat eiseres met deze mededeling van de gewijzigde samenstelling in de factuur de bedoeling had om verweerster te schaden, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, 40 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake In-ternationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, on-dertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, 195, 199, lid 1, 438, lid 1, nr. 3, 438, lid 2 en 438, lid 3, evenals van het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen).

Derde onderdeel

Zoals uiteengezet in de voorgaande onderdelen, volgt uit artikel 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van interna-tionaal privaatrecht evenals uit het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen, dat de inhoud van het buitenlandse recht door de rechter wordt vastgesteld en toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie.

Zoals uitdrukkelijk vastgesteld door het bestreden tussenarrest en zoals blijkt uit artikel 4, heeft het Weens Koopverdrag geen be-trekking op de algemene regels inzake verjaring.

Zoals hoger uiteengezet volgt uit de artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, dat de verjaring van de vorderingen, volgend uit de koopovereenkomst, werden beheerst door het Duitse recht.

Volgens artikel 194, lid 1 van het Duitse Burgerlijk Wetboek is het recht om van een ander een doen of een laten te eisen aan ver-jaring onderworpen.

Naar luid van artikel 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek be-draagt de algemene verjaringstermijn drie jaar.

Blijkens artikel 438, lid 1, nr. 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek verjaart de vordering uit hoofde van gebreken van de verkochte zaak door verloop van twee jaar.

Artikel 438, lid 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek bepaalt wel-iswaar dat in afwijking van artikel 438, lid 1, nr. 3 de vorderingen vol-gens de algemene verjaringstermijn verjaren, indien de verkoper het gebrek bedrieglijk heeft verzwegen, hetzij binnen de termijn bedoeld bij artikel 195 van het Duitse Burgerlijk Wetboek.

Artikel 199, lid 1 van het Duitse Burgerlijk Wetboek stelt dat de algemene verjaring loopt vanaf het einde van het jaar waarin de vor-dering is ontstaan en de schuldeiser met de feiten, waarop de vorde-ring rust en met de persoon van de schuldenaar bekend is geworden of had moeten zijn.

Uit voornoemde bepalingen volgt dat de vordering, gestoeld op de niet-conformiteit van de zaak, naar Duits recht verjaart door verloop van twee jaar, te rekenen van de overhandiging van de zaak, uitzonderlijk drie jaar te rekenen vanaf het einde van het jaar waarin de vordering is ontstaan en de schuldeiser met de feiten, waarop de vordering rust en met de persoon van de schuldenaar bekend is ge-worden of had moeten zijn.

Uit artikel 199, lid 1 van het Duitse Burgerlijk Wetboek volgt dat geen daadwerkelijke kennis vereist is opdat de verjaring een aanvang zou nemen.

Bovendien volgt uit deze bepaling dat de aangevoerde onwe-tendheid in hoofde van de koper hem niet mag zijn toe te rekenen. Et mag hem, m.a.w. wat betreft zijn onwetendheid geen grove nalatigheid te verwijten zijn.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden tussenar-rest dat de gewijzigde chemische samenstelling van de ketting in de factuur van 23 februari 2005 was vermeld.

Derhalve vermocht het hof van beroep niet wettig te besluiten dat verweerster eerst in juli 2010 kennis had van de niet-conformiteit, zonder uit te sluiten dat zij hiervan kennis had kunnen hebben op een vroeger tijdstip, inzonderheid bij de kennisneming van de factuur, te meer daar het hof van beroep zelf in het tussenarrest van 26 november 2013 niet uitsloot "dat de koper uiteindelijk weet kreeg of kon hebben van de niet conformiteit via de factuur" (zie pagina 12);

Besluit

In zoverre het hof van beroep in het bestreden einderrest oordeelt dat de verjaring eerst een aanvang nam op het ogenblik van de daadwerkelijke kennis van het gebrek door verweerster, zonder te onderzoeken op welk ogenblik het feit verweerster bekend had moeten zijn en meer bepaald zonder te onderzoeken of de opneming in de factuur van een andere chemische samenstelling van de ketting dan deze voorkomend in de bestelbrief en de orderbevestiging, niet van die aard was dat het gebrek aan conformiteit verweerster minstens vanaf dat ogenblik bekend had moeten zijn, mocht zij de vermeldingen ervan gecontroleerd hebben, verantwoordt het zijn beslissing dat de vordering tot ontbinding, ingesteld op 28 september 2010, hetzij meer dan vijf jaar na levering en verzending van de factuur, nog niet was verjaard, evenmin naar recht (schending van artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, 194, lid 1, 195, 199, lid 1, 438, lid 1, nr. 3, en 438, lid 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek) en komt het aldus tekort aan de op de rechter rustende taak om het buitenlandse recht toe te passen volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie (schending van artikelen 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, evenals van het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen).

 

TOELICHTING

1. Het Verdrag van Wenen bevat geen regels inzake de verjaring, zoals trouwens vastgesteld in het bestreden eindarrest. Bijgevolg dient hiervoor te worden teruggegrepen naar het recht dat op de overeenkomst van toepassing is.

Waar het Weens Koopverdrag zelf geen regels inzake verjaring bevat, kan er ook niet gesteld worden dat het verdrag de regels van het nationaal recht inzake de verjaring met betrekking tot de aange-legenheid die geregeld wordt door het verdrag buiten werking stelt.

Artikel 438, lid 1, nr. 3 van het Duitse Burgerlijk Wetboek, dat te dezen van toepassing was op de overeenkomst, voorziet uitdrukkelijk in een tweejarige verjaringstermijn wat betreft de vordering wegens niet conforme levering.

Derhalve verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht, waar het stelt dat voornoemde bepaling op de vordering van verweerster geen toepassing vond.

2. Overigens blijkt het hof van beroep, in tegenstelling tot zijn eerdere overweging dat artikel 438 van het Duitse Burgerlijk Wetboek niet van toepassing was, wel degelijk te zijn uitgegaan van de principiële toepasselijkheid van deze bepaling, vermits het onderzoekt of er sprake was van arglist of beter bedrog, zoals bepaald bij artikel 438 (3) van het Duitse Burgerlijk Wetboek.

De toepassing van deze bepaling, die de termijn van twee jaar buiten werking stelt, veronderstelt inderdaad dat er in hoofde van de verkoper bedrog wordt vastgesteld.

Dat betekent dat de koper het bewijs moet leveren van kunst-grepen en van de bedoeling om hem schade te berokkenen.

Dat blijkt niet uit de gedane vaststellingen.

3. Ten slotte is de beslissing ook onwettig, wanneer er zou worden aangenomen dat artikel 199, lid 1 van het Duitse Burgerlijk Wetboek wel degelijk van toepassing was.

Uit die bepaling volgt dat de verjaringstermijn van drie jaar een aanvang neemt op het tijdstip waarop de schuldeiser met de feiten, waarop de vordering rust en met de persoon van de schuldenaar bekend is geworden of had moeten zijn.

De termijn loopt zodoende alleszins vanaf het ogenblik waarop de koper op de hoogte had moeten zijn van de niet-conformiteit.

Door het Bundesgerichtshof werd herhaaldelijk beslist dat on-wetendheid door grove nalatigheid gelijkstaat met kennis.

Volgens de eensluidende rechtspraak van het Bundesgerichtshof ligt er een dergelijke met kennis gelijk te stellen onwetendheid voor wanneer de onwetendheid van de koper het gevolg is van de grove schending van de in het handelsverkeer gebruikelijke zorgvuldigheid en wanneer hij duidelijke aanwijzingen, die ieder zorgvuldig persoon zouden zijn opgevallen, niet heeft gecontroleerd of nagegaan. Dat geldt in het bijzonder wanneer gemakkelijk voorhanden gestelde informatie niet door de koper werd gecontroleerd (BGB, arrest 22 juli 2010, II ZR 99/09, RN 16/18).

Principieel is de koper gehouden tot een passend nazicht van de handelsfacturatie. Indien de koper deze controleplicht niet nakomt, is er sprake van een grove nalatigheid van de koper (BGB, arrest 8 mei 2008, VII ZR 106/07).

Grove nalatigheid in de zin van § 199, lid 1, nr. 2 BGB ligt voor wanneer de schuldeiser de kennis mist, omdat hij voor de hand lig-gende aanwijzingen, welke de facto voor iedereen duidelijk zouden zijn geweest, niet is nagegaan of niet heeft gecontroleerd. In het bijzonder geldt dit wanneer de koper gemakkelijk toegankelijke informatie eenvoudig weg niet is nagegaan (BGB, arrest 8 juli 2010 III ZR 249/09).

In onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat, zelfs zo er niet zou zijn voldaan geweest aan de voorwaarden om zich te kunnen beroepen op de keurings- en protesttermijnen van artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag, dat nog niet betekent dat verweerster geen kennis had of had moeten hebben van de niet-conformiteit op een vroeger tijdstip dan juli 2010. De toepassing van artikel 40 van het Weens Koopverdrag veronderstelt immers geen bedrog.

Verweerster ontving immers, zoals vastgesteld door het hof van beroep, een factuur waarop de gewijzigde chemische samenstelling was opgenomen, en waarvan hij derhalve de vermeldingen had kunnen nagaan.

DERDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- artikelen 1.1.a), 4, 11 en 29 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996,
- artikel 25, tweede lid van het Wetboek van Koophandel.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden eindarrest van 26 november 2014 verklaart het Hof van beroep te Brussel het principaal hoger beroep van ver-weerster gegrond en het incidenteel beroep van eiseres ongegrond, doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de kosten be-grootte, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster ge-grond, ontbindt de verkoopovereenkomst gesloten tussen partijen op 19 oktober 2004 met betrekking tot de door de verweerster bestelde ketting met rollen ten nadele van eiseres, veroordeelt eiseres tot be-taling aan verweerster van het bedrag van 63.858,41 euro, te ver-meerderen met de vergoedende intresten na de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de betaling van de factuur, zijnde 23 mei 2005, en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet tot op de dag van de volledige betaling, en veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van beide aanleggen, na in het bestreden tussenarrest van 26 november 2013 onder meer te hebben overwogen:

"Wat betreft het verval van de vordering van (eiseres) wegens het niet nakomen van de keuring- en protesttermijn van artikel 38.1 en 39.1 en 2 stelt het hof vooreerst vast dat het beweerde gebrek aan conformiteit betrekking heeft op de chemische samenstelling van de verkochten "rollen".

De chemische samenstelling zoals aangegeven bij de bestelling van de goederen verschilt kennelijk van deze vermeld op de door (eiseres) naar eigen zeggen verstuurde orderbevestiging en op de door haar verstuurde factuur. Hierover bestaat geen betwisting tussen partijen. Er wordt evenmin betwist dat de specifieke chemische samenstelling van de rollen een wezenlijk kenmerk vormde met betrekking tot de verkochte goederen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst.

Met andere woorden, het door (verweerster) in haar vordering aan-gevoerde gebrek heeft betrekking op een beweerde niet conforme levering door (eiseres).

(Eiseres) stelt evenwel dat deze wijziging van chemische samenstel-ling door (verweerster) werd aanvaard. (Verweerster) betwist dit en (eiseres) toont niet aan dat (verweerster) die wijziging aanvaardde,"

en na verder in het eindarrest te hebben overwogen:

"(Eiseres) houdt evenwel voor, met verwijzing naar art. 25 W.Kh. (art 11 Weens Koopverdrag stelt dat het bewijs van de overeenkomst geleverd wordt met alle middelen van recht) dat zij de gewijzigde samenstelling had opgenomen in de factuur en (verweerster) deze factuur zonder enig voorbehoud of protest heeft aanvaard zodat het wettelijk bewijs van het bestaan van de overeenkomst is geleverd. De aanvaarde factuur wordt volgens (eiseres) geacht de getrouwe weergave te zijn van de overeenkomst.

In het tussenarrest werd hierover gesteld dat de gewijzigde samen-stelling niet voor de levering werd gemeld aan (verweerster). Wanneer (eiseres) enkel na levering de gewijzigde samenstelling heeft meegedeeld en bovendien op een verdoken manier n.a.v. de aflevering van de factuur, dan is dit in strijd met de meldingsplicht en de goede trouw.

Overigens betekent een vermelding op een factuur nog niet dat de koper de niet-conformiteit had moeten ontdekken conform artikel 49, alinea 2, b), (i) van het Weens Koopverdrag vereist.

In gegeven omstandigheden kan de vermelding van de gewijzigde samenstelling op de factuur niet beschouwd worden als een bewijs van aanvaarding ervan door de koper. Enige onzorgvuldigheid bij het nazicht van de factuur is in de gegeven omstandigheden aan de koper niet verwijtbaar.

Aldus kan (eiseres) zich dan ook niet te goeder trouw beroepen op art. 25 W.Kh. of op het feit dat (verweerster) het gebrek naar aanleiding van het nazicht van de factuur had moeten ontdekken.

(...)

Hierboven en ook in het tussenarrest werd reeds gesteld dat (eiseres) gehandeld heeft in strijd met de meldingsplicht en de goede trouw door aan (verweerster) niet tijdig te melden dat de samenstelling van de ketting was gewijzigd, in afwijking van datgene wat partijen waren overeenkomen."

Grief

Naar luid van artikel 1.1.a) van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, is dit verdrag van toepassing op koop-overeenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn wanneer de Staten verdragslui-tende Staten zijn, zoals België en Duitsland.

Blijkens artikel 4 van het Weens Koopverdrag regelt het verdrag uitsluitend de totstandkoming van koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen van verkoper en koper voortvloeiende uit een zodanige overeenkomst.

Artikel 11 van voornoemd bedrag bepaalt dat een koopover-eenkomst niet door middel van een geschrift behoeft te worden ge-sloten of bewezen en aan geen enkel ander vormvereiste is onder-worpen. Zij kan door alle bewijsmiddelen, getuigen daaronder be-grepen, worden bewezen.

Naar luid van artikel 29.1 van het Weens Koopverdrag kan een overeenkomst worden gewijzigd of beëindigd door enkele wilsover-eenstemming tussen de partijen.

Uit artikel 25, tweede lid van het Wetboek van koophandel volgt dat naar Belgisch recht een koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.

Ingevolge de betaling van een factuur ontstaat een vermoeden van aanvaarding van de facturen (en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen).

Krachtens die wetsbepaling kan de rechter inzake handelsver-richtingen uit de aanvaarding van de factuur een vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis.

Dit geldt ook wanneer de aanvaarde factuur is verstuurd in uit-voering van een schriftelijke overeenkomst, maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden tussenar-rest van 26 november 2013 dat op 21 februari 2005 een ketting werd geleverd, er op 23 februari 2005 een factuur werd opgesteld voor een bedrag van 63.858,41 euro, verweerster de factuur betaalde op 18 april 2005, zij geen enkel voorbehoud maakte bij de levering noch bij de ontvangst van de factuur en in de loop van 2004 de ketting doorverkocht (pagina 2).

Uit de vaststellingen van het bestreden tussenarrest blijkt bo-vendien duidelijk dat de verschillende chemische samenstelling van de ketting uitdrukkelijk stond vermeld op de door eiseres verstuurde orderbevestiging en op de door haar verstuurde factuur.

Het hof van beroep stelt in het tussenarrest uitdrukkelijk vast dat hieromtrent geen betwisting bestond tussen partijen.

De vaststelling dat eiseres verweerster vóór de levering niet op de hoogte zou hebben gebracht van de niet-conformiteit van de ge-leverde ketting met de oorspronkelijk bestelde ketting, inzonderheid wat betreft de chemische samenstelling, sluit het naderhand tot komen van een gewijzigde overeenkomst niet uit, bijvoorbeeld door de aanvaarding van de factuur, mits de koper kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de bewuste factuur.

Besluit

Waar het hof van beroep oordeelt dat verweerster in 2010 nog bij machte was enig bezwaar te laten gelden ten aanzien van eiseres uit hoofde van een niet conforme levering, niettegenstaande de aan-vaarding van de geleverde ketting en de zonder enig protest of voor-behoud uitgevoerde betaling van de factuur, waarin uitdrukkelijk de gewijzigde chemische samenstelling van de ketting stond vermeld, en aldus uitsluit dat de aanvaarding van voornoemde factuur het bewijs inhield van een instemming in hoofde van verweerster met een wijziging van de oorspronkelijk tot stand gekomen overeenkomst, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 1.1.a), 4, 11 en 29 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, en 25, tweede lid van het Wetboek van Koophandel).

TOELICHTING

De aanvaarding van de factuur die betrekking heeft op een handelskoop levert het wettelijk bewijs op van het bestaan van de overeenkomst, zoals die blijkt uit de vermeldingen van de factuur (E. Dirix en G.L. Ballon, Factuur, APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 157, nr. 318).

Bovendien kan de rechter krachtens artikel 25, tweede lid van het Wetboek van koophandel inzake handelskoop, waaronder de handelskoop uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden halen en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis, zelfs wanneer de aanvaarde factuur is verstuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst, maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt (Cass. 7 januari 2005, Arr.Cass. 2005, 39, en RW 2005-06, 1097, noot R. Houben; zie ook Cass. 27 januari 2000, Arr. Cass. 2000, 226).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiseres ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het be-streden tussenarrest en het bestreden eindarrest te vernietigen, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen; kosten als naar recht.

Brussel, 2 juni 2015.

C.15.0238.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Situering en procedurevoorgaanden

Volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan sloten partijen op 19 oktober 2004 een overeenkomst met betrekking tot de levering door eiseres aan verweerster van een ketting met rollen. Verweerster bevestigde de gevraagde chemische samenstelling van de rollen in haar prijsofferte.

Op 21 februari 2005 leverde eiseres de ketting aan verweerster. Op 23 februari 2005 stelde eiseres de factuur op, die verweerster op 18 april 2005 zonder voorbehoud betaalde.

Verweerster verkocht de ketting in de loop van 2004 door aan een derde afnemer. Op 1 juli 2010 diende de afnemer een klacht in bij verweerster met betrekking tot de geleverde ketting. De afnemer had deze ketting pas in juni 2009 ingebouwd en had vanaf april 2010 beschadiging aan de ketting vastgesteld.

Op 2 juli 2010 deelde verweerster aan eiseres mee dat de op 21 februari 2005 geleverde ketting niet beantwoordde aan de overeenkomst.

Op 28 september 2010 dagvaardde verweerster eiseres voor de rechtbank van koophandel te Brussel teneinde de koopovereenkomst van 19 oktober 2004 met betrekking tot de ketting met rollen te horen ontbinden ten laste van eiseres en haar te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van 83.658,41 euro, meer de gerechtelijke interest vanaf 23 februari 2005 tot de datum van de gehele betaling, en de kosten.

Bij vonnis van 17 april 2012 verklaarde de rechtbank van koophandel te Brussel zich internationaal bevoegd maar verklaarde zij de vordering onontvankelijk, aangezien de vervaltermijn voor verweerster om eiseres in kennis te stellen van het gebrek aan overeenstemming met de overeenkomst, op grond van artikel 39.2) van het Weens Koopverdrag, verstreken was.

Op het hoger beroep van verweerster en het incidenteel beroep van eiseres, heropende het hof van beroep te Brussel bij tussenarrest van 26 november 2013 de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de vraag naar (i) het toepasselijke recht inzake de algemene regels van verjaring op de vordering van verweerster en (ii) de toepassing van het Weens Koopverdrag op deze vordering.

Bij eindarrest van 26 november 2014 verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond, deed het hof het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de kosten begrootte, verklaarde het de oorspronkelijke vordering gegrond, ontbond het de koopovereenkomst van 19 oktober 2004 met betrekking tot de ketting met rollen ten laste van eiseres en veroordeelde het eiseres tot betaling aan verweerster van het bedrag van 63.858,41 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de betaling van de factuur en de gerechtelijke interest aan dezelfde rentevoet tot op de dag van de volledige betaling, en de kosten van beide aanleggen.

1. Het cassatieberoep van eiseres tegen deze arresten maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Bespreking van het eerste cassatiemiddel

In haar eerste cassatiemiddel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters bij tussenarrest van 26 november 2013 dat de verkoper de niet-conformiteit van de geleverde zaak vóór de levering aan de koper diende mee te delen, op grond van artikel 40 van het Weens Koopverdrag, zodat eiseres, die het gebrek aan conformiteit slechts aan verweerster heeft meegedeeld door middel van de factuur, dit gebrek niet tijdig heeft meegedeeld en aldus het recht heeft verloren om zich op de vervaltermijnen van de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag te beroepen.

Eiseres voert schending aan van de artikelen 1.1.a), 38, 39 en 40 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, hierna "Weens Koopverdrag" te noemen.

Volgens eiseres voegen de appelrechters, door te oordelen dat de verkoper de niet-conformiteit van de geleverde zaak in elk geval vóór de levering aan de koper diende mee te delen, aan artikel 40 van het Weens Koopverdrag een voorwaarde toe die hierin niet vervat is, en vermochten zij niet wettig te oordelen dat eiseres zich niet kon beroepen op de redelijke termijn, waarvan sprake in de artikel 38 en 39.1 van dit Verdrag, en op de maximumtermijn van twee jaar, te rekenen van de feitelijke afgifte, waarvan sprake in artikel 39.2 van dit Verdrag.

Luidens artikel 1, eerste lid, a) van het Weens Koopverdrag is dit Verdrag van toepassing op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn, wanneer de Staten verdragsluitende Staten zijn.

Artikel 38, eerste lid, van het Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn moet keuren of doen keuren.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling kan de keuring, indien de overeenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat, worden uitgesteld tot na de aankomst van de zaken op hun bestemming.

Luidens artikel 39, eerste lid, van het Weens Koopverdrag verliest de koper het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling verliest de koper in ieder geval het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij de verkoper niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum waarop de zaken feitelijk aan de koper werden afgegeven, hiervan in kennis stelt, tenzij deze termijn niet overeenstemt met een in de overeenkomst opgenomen garantietermijn.

Luidens artikel 40 van het Weens Koopverdrag kan de verkoper zich niet beroepen op het bepaalde in de artikelen 38 en 39, indien het niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper heeft bekend gemaakt.

De artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag regelen de gevolgen van de levering voor de koper. De koper moet de geleverde goederen keuren en, indien hij een niet-conformiteit vaststelt, de verkoper daarvan op de hoogte brengen. Bij niet-tijdige aangifte van de gebreken, verliest de koper het recht om zich op de niet-conformiteit te beroepen.(1)

Artikel 40 van het Weens Koopverdrag mildert deze sanctie voor een laattijdige aangifte, wanneer de verkoper op de hoogte was van de niet-conformiteit. Deze bepaling vindt haar rechtsgrond in het beginsel van de uitvoering van de overeenkomst te goeder trouw. Wanneer de verkoper een gebrek aan conformiteit kende of behoorde te kennen en dit niet heeft meegedeeld aan de koper, verdient hij niet langer de bescherming van de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag. Hij kan zich in dat geval niet beroepen op de laattijdigheid of de onvolledigheid van de aangifte. De verkoper leidt immers geen verlies wanneer de koper een gebrek niet aangeeft waarvan hijzelf het bestaan kent. De laattijdigheid van de koper belet hem niet om de gepaste maatregelen te nemen.(2)

Deze bepaling houdt bovendien verband met de bedoeling van de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag.(3) De doelstelling van de verplichtingen voor de koper om de geleverde zaken te keuren en om de verkoper op de hoogte te brengen van een niet-conformiteit, is om een symmetrisch niveau van informatie te bereiken tussen de koper en de verkoper. Op die manier kan de verkoper in geval van niet-conformiteit tijdig de nodige maatregelen treffen.(4) Het uiteindelijke doel van de kennisgevingsplicht van de koper in artikel 39 van het Weens Koopverdrag is om de redelijke verwachtingen van de partijen te waarborgen.(5) Op die manier wordt het internationaal handelsverkeer bevorderd. Opdat handelstransacties vlot zouden kunnen verlopen, is het immers essentieel dat elke partij zo snel mogelijk weet waar ze aan toe is.(6) Welnu, indien de verkoper reeds kennis heeft of behoort te hebben van de niet-conformiteit, is er geen reden waarom de koper hem nog op de hoogte zou moeten brengen. In dat geval is het veeleer de plicht van de verkoper om de koper van het gebrek op de hoogte te stellen.(7)

Uit deze doelstelling dient naar mijn mening derhalve te worden afgeleid dat wanneer de verkoper kennis heeft of behoort te hebben van een niet-conformiteit, hij de koper hiervan zo snel mogelijk in kennis moet stellen op grond van artikel 40 van het Weens Koopverdrag. Hierdoor blijven een symmetrisch niveau van informatie en de redelijke verwachtingen van de partijen immers gewaarborgd.

Uit het bovenstaande lijkt mij te volgen dat indien de verkoper vóór de levering kennis krijgt of behoort te hebben van een gebrek aan conformiteit, hij dit gebrek ook vóór de levering van de zaak aan de koper moet meedelen, op grond van artikel 40 van het Weens Koopverdrag. Dit vloeit voort uit de toepassing van het vereiste van de goede trouw.

De appelrechters stellen bij tussenarrest van 26 november 2013 vast dat de verkoper reeds kennis had van de niet-conformiteit op het ogenblik van de orderbevestiging op 6 december 2004, dit is vóór de levering van de zaak. Zij oordelen dat artikel 40 van het Weens Koopverdrag een positieve mededelingsplicht oplegt aan de verkoper, dat op grond van het vereiste van de goede trouw moet worden aangenomen dat de mededeling moet gebeuren zodra de verkoper zich van het gebrek aan conformiteit bewust wordt, zodat de koper eventueel nog kan afzien van de transactie, en dat de verkoper in strijd handelt met voornoemde meldingsplicht en met de goede trouw wanneer hij zoals in casu het gebrek aan conformiteit slechts meedeelt aan de koper door middel van de factuur, terwijl hij naar eigen zeggen hiervan al eerder op de hoogte was.

Gelet op het bovenstaande, schraagt dit oordeel, dat de eiseres niet bekritiseert, de beslissing van de appelrechters dat eiseres de niet-conformiteit niet tijdig aan verweerster heeft meegedeeld en aldus het recht heeft verloren om zich op de vervaltermijnen van de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag te beroepen.

Het onderdeel dat opkomt tegen de reden dat de mededeling van de niet-conformiteit in elk geval vóór de levering diende te gebeuren, komt naar mijn mening op tegen een overtollige reden en lijkt mij mitsdien niet ontvankelijk te zijn.

Bespreking van het tweede cassatiemiddel

In het tweede cassatiemiddel komt eiseres in wezen op tegen de beslissing van de appelrechters bij eindarrest van 26 november 2014 dat de vordering van verweerster, ingesteld bij dagvaarding van 28 september 2010, nog niet verjaard was onder Duits recht, aangezien de algemene driejarige verjaringstermijn van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek van toepassing is, die op grond van artikel 199, eerste lid, van dit Wetboek een aanvang heeft genomen vanaf het moment dat de benadeelde koper effectief kennis kreeg van de omstandigheden die aan zijn aanspraak ten grondslag lagen, zijnde juli 2010.

In het eerste onderdeel voert eiseres schending aan van de artikelen 4, 38, 39 en 49 van het Weens Koopverdrag, van de artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, van artikel 15.1 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, hierna "Wetboek IPR" te noemen, en van de artikelen 195 en 438, eerste lid, 3), van het Duits Burgerlijk Wetboek(8).

Volgens eiseres verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht door te oordelen dat de algemene verjaringstermijn van drie jaar van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek van toepassing is, op de grond dat de specifieke korte verjaringstermijn aangaande niet-conformiteit door de vervaltermijnen van het Weens Koopverdrag werd vervangen.

Eiseres voert aan dat de appelrechters overeenkomstig artikel 15.1 van het Wetboek IPR en voornoemd algemeen rechtsbeginsel de precieze draagwijdte van het Duitse recht dienden te bepalen. Blijkens artikel 438, eerste lid, 3), van het Duits Burgerlijk Wetboek verjaart een vordering wegens niet-conformiteit van de verkochte zaak met de overeenkomst door verloop van twee jaar vanaf de levering, in afwijking van artikel 195 van dit Wetboek.

Verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van dit eerste onderdeel aan op grond van een door haar voorgestelde substitutie van motieven: het onderdeel vertoont volgens haar geen belang aangezien de beslissing dat de algemene verjaringstermijn van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt geschraagd door de in de plaats gestelde reden dat, voor zover de appelrechters onaantastbaar vaststellen dat de verkoper het gebrek arglistig heeft verzwegen, zij zelfs bij toepassing van de bijzondere verjaringsregels, zoals eiseres voorstaat, de uitzonderingsregel van artikel 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek hadden moeten toepassen, dat in geval van bedrieglijk verzwijgen van de verkoper verwijst naar de algemene verjaringstermijn van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek.

Ik meen het Hof eveneens te mogen uitnodigen over te gaan tot de door verweerster voorgestelde substitutie van motieven. Nu het ter zake gaat om een door verweerster voorgestelde substitutie van motieven en niet om een ambtshalve initiatief van het Openbaar Ministerie, meen ik dat de pleegvormen voorzien in de artikelen 1097 en 1097/1 van het Gerechtelijk Wetboek hier geen toepassing vinden.

Luidens artikel 1, eerste lid, van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van dit Verdrag wordt de overeenkomst, voor zover geen keuze (...) van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft.

Krachtens artikel 10, eerste lid, d), van voornoemd Verdrag beheerst het recht dat ingevolge de artikelen 3 tot en met 6 en 12 van dit Verdrag op de overeenkomst toepasselijk is, de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn.

Op grond van deze bepalingen wordt in casu niet betwist dat de verjaring van de vordering tot ontbinding, die volgt uit de koopovereenkomst, wordt beheerst door het Duitse recht. De overeenkomst is immers het nauwst verbonden met Duitsland, waar eiseres, die de kettingen diende te leveren, haar hoofdzetel heeft.

Luidens artikel 15, § 1 van het Wetboek IPR wordt de inhoud van het door deze wet aangewezen buitenlands recht door de rechter vastgesteld. Het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie.

Volgens de vaste rechtspraak van Uw Hof volgt uit deze bepaling dat wanneer de feitenrechter een vreemde wet toepast, hij de draagwijdte ervan moet bepalen door rekening te houden met de uitlegging die zij krijgt in het land van oorsprong. Het Hof toetst of de beslissing van de feitenrechter met die uitlegging strookt.(9)

Het vreemde recht moet in onze rechtsorde dus ook als recht worden beschouwd. Het beginsel dat de rechter geacht wordt het toepasselijke recht te kennen ("iura novit curia"), geldt ook ten aanzien van het vreemde recht.(10)

Uit deze bepaling volgt aldus dat de appelrechters in casu de precieze draagwijdte van de Duitse verjaringsregels dienden te bepalen, die van toepassing waren op de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst, rekening houdende met de uitlegging van deze regels in de Duitse rechtsorde.

Luidens § 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek bedraagt de algemene verjaringstermijn drie jaar.

Krachtens § 199, eerste lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek begint deze algemene verjaringstermijn te lopen vanaf het einde van het jaar waarin de vordering is ontstaan en de schuldeiser kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de feiten waarop de vordering gegrond is en van de persoon van de schuldenaar.
§ 438 van het Duits Burgerlijk Wetboek voorziet evenwel in een bijzondere kortere verjaringstermijn voor vorderingen op grond van een gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst. In zijn eerste lid, 3), bepaalt dit wetsartikel dat dergelijke vorderingen verjaren door verloop van twee jaar.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling begint deze verjaringstermijn te lopen vanaf de levering van de zaak.

Het derde lid van deze bepaling voorziet evenwel in een uitzondering op deze bijzondere verjaringstermijn. Krachtens dit derde lid verjaren vorderingen op grond van een gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst, in afwijking van het eerste lid, 3), binnen de algemene verjaringstermijn, wanneer de verkoper het gebrek bedrieglijk verzwegen heeft.

De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat eiseres op de hoogte was van het beweerde gebrek aan conformiteit maar dit niet tijdig heeft meegedeeld aan verweerster, dat eiseres in strijd met de meldingsplicht en de goede trouw heeft gehandeld omdat zij het gebrek aan conformiteit pas had meegedeeld via de factuur, dat de mededeling door eiseres op een verdoken manier gebeurde, met name zonder verweerster er attent op te maken en door de gewijzigde samenstelling enkel op te nemen in een uitgebreide beschrijving van de gefactureerde goederen, en dat het hof op basis van deze overwegingen besluit dat eiseres voorafgaand aan de levering arglistig verzwegen heeft dat de geleverde kettingen niet die samenstelling hadden die verweerster effectief besteld had.

Op grond van deze vaststellingen, waaruit volgt dat de vordering van verweerster zelfs bij toepassing van de bijzondere verjaringsregels, op grond van §l 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek en in afwijking van het eerste lid, 3), van deze wetsbepaling, verjaart binnen de algemene verjaringstermijn, vermochten de appelrechters naar mijn mening te oordelen dat de algemene verjaringstermijn van § 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek van toepassing was.

Deze in de plaats gestelde reden schraagt de bestreden beslissing, zodat het onderdeel, al ware het gegrond, niet tot cassatie kan leiden en mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is.(11)

De door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het tweede cassatiemiddel lijkt mij dan ook gegrond te zijn.
In het tweede onderdeel voert eiseres schending aan van de artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, van artikel 40 van het Weens Koopverdrag, van artikel 15.1 van het Wetboek IPR, van de artikelen 195, 199, eerste lid, 438, eerste lid, 3), en 438, tweede en derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen.

Eiseres voert aan dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden voor zover zij op grond van de vaststellingen in het bestreden arrest oordelen dat de bijzondere verjaringstermijn van artikel 438 van het Duits Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt omwille van het arglistig optreden van eiseres, maar wel de algemene verjaringstermijn van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek, zonder vast te stellen dat eiseres met de mededeling van de gewijzigde samenstelling in de factuur de bedoeling had om verweerster te schaden.

In het Duitse recht wordt algemeen erkend dat een bedrieglijk verzwijgen in de zin van § 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat de verkoper kennis heeft van het bestaan van een gebrek aan overeenstemming van de zaak met de overeenkomst en dat hij weet of er rekening mee houdt dat de koper dit gebrek niet kende en bij mededeling ervan de overeenkomst niet of onder andere voorwaarden zou hebben gesloten.(12)

Artikel 3 van de Duitse wet van 5 juli 1989 tot omzetting van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 en tot wijziging van de wet tot omzetting van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)(13), bepaalt dat § 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek ook van toepassing is op de verjaring van de vorderingen wegens een contractuele tekortkoming, waarover de koper op grond van artikel 45 Weens Koopverdrag beschikt, wanneer de tekortkoming betrekking heeft op feiten die de verkoper kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper heeft bekend gemaakt.

De doelstelling van dit artikel is om het kooprecht in het Duits Burgerlijk Wetboek zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het Weens Koopverdrag.(14)

Daarom wordt de invulling van het begrip bedrieglijk verzwijgen versoepeld voor de verjaring van vorderingen op grond van het Weens Koopverdrag: de standaard van artikel 40 van het Weens Koopverdrag wordt gehanteerd voor de toepassing van § 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek. Zodra de verkoper een niet-conformiteit kende of op grof nalatige wijze niet kende en die niet tijdig aan de koper heeft meegedeeld, zoals vereist door artikel 40 van het Weens Koopverdrag, geldt, bij wijze van uitzondering, de algemene verjaringstermijn van § 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek, op grond van § 438, derde lid, van dit Duits Burgerlijk Wetboek.(15)

Hieruit volgt dat de toepassing van § 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek in geen geval vereist dat de verkoper de bedoeling heeft om de koper te schaden.(16)

Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar mijn mening naar recht.
In het derde onderdeel voert eiseres schending aan van de artikelen 1.1, 4 en 10.1.d) van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, van artikel 15.1 van het Wetboek IPR, van de artikelen 194, eerste lid, 195, 199, eerste lid, 438, eerste lid, 3), en 438, derde lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel naar luid waarvan het de taak van de rechter is om het toepasselijke recht en zijn inhoud te bepalen.

Volgens eiseres verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht door te oordelen dat de algemene verjaringstermijn van artikel 195 van het Duits Burgerlijk Wetboek eerst een aanvang nam op het ogenblik van de daadwerkelijke kennis van het gebrek door verweerster, op grond van artikel 199, eerste lid, van het Duits Burgerlijk Wetboek, zonder te onderzoeken op welk ogenblik verweerster het gebrek had moeten kennen, meer bepaald zonder te onderzoeken of verweerster het gebrek aan conformiteit had moeten kennen vanaf het ogenblik van de vermelding op de factuur van een andere chemische samenstelling van de ketting.

De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat eiseres in strijd met de meldingsplicht en de goede trouw heeft gehandeld omdat zij het gebrek aan conformiteit pas had meegedeeld via de factuur, dat de mededeling door eiseres op een verdoken manier gebeurde, met name zonder verweerster er attent op te maken en door de gewijzigde samenstelling enkel op te nemen in een uitgebreide beschrijving van de gefactureerde goederen, en dat het hof op basis van deze overwegingen besluit dat eiseres voorafgaand aan de levering arglistig verzwegen heeft dat de geleverde kettingen niet die samenstelling hadden die verweerster effectief besteld had.

De appelrechters oordelen dat verweerster bijgevolg niet geacht moet worden kennis te hebben gehad van de niet-conformiteit naar aanleiding van het uitreiken van de factuur.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters niet onderzocht hebben of verweerster de niet-conformiteit had moeten kennen naar aanleiding van de vermelding van de gewijzigde samenstelling op de factuur, lijkt mij te berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mitsdien feitelijke grondslag te missen.

Bespreking van het derde cassatiemiddel

In haar derde cassatiemiddel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters bij het eindarrest van 26 november 2014 dat verweerster op grond van de fundamentele tekortkoming in de samenstelling van de kettingen de ontbinding van de overeenkomst mocht vorderen, overeenkomstig artikel 49 van het Weens Koopverdrag, en dat het gegeven dat verweerster de factuur niet heeft geprotesteerd in de gegeven omstandigheden geen bewijs oplevert dat zij de vermelding van de gewijzigde samenstelling op de factuur heeft aanvaard, op grond van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel.

Eiseres voert daarbij schending aan van de artikelen 1.1.a), 4, 11 en 29 van het Weens Koopverdrag en van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel. Zij verwijt de appelrechters te hebben geoordeeld dat verweerster in 2010 nog bij machte was enig bezwaar te laten gelden ten aanzien van eiseres uit hoofde van een niet conforme levering, niettegenstaande de aanvaarding van de geleverde ketting en de zonder enig protest of voorbehoud uitgevoerde betaling van de factuur, waarin uitdrukkelijk de gewijzigde chemische samenstelling van de ketting stond vermeld, en aldus te hebben uitgesloten dat de aanvaarding van voornoemde factuur het bewijs inhield van een instemming in hoofde van verweerster met een wijziging van de oorspronkelijk tot stand gekomen overeenkomst.

Luidens artikel 11 van het Weens Koopverdrag behoeft een koopovereenkomst niet door middel van een geschrift te worden gesloten of bewezen en is zij aan geen enkel ander vormvereiste onderworpen. Zij kan door alle bewijsmiddelen, getuigen daaronder begrepen, worden bewezen.
Artikel 29, eerste lid, van het Weens Koopverdrag bepaalt dat een overeenkomst kan worden gewijzigd of beëindigd door enkele wilsovereenstemming tussen de partijen.

Artikel 11 van het Weens Koopverdrag verankert het grondbeginsel van de vormvrijheid en verleent dit beginsel uitwerking in het procesrecht van de verdragsluitende staten.(17) Deze bepaling sluit de toepassing van nationale procesrechtelijke bepalingen uit, voor zover zij het bewijs van de overeenkomst aan bepaalde vormvoorschriften onderwerpen.(18) Voor het overige gebeurt de beoordeling van het bewijs echter geheel volgens de bewijsregels van het toepasselijke nationale procesrecht.(19)

In casu mag het bewijs van het bestaan van de gewijzigde koopovereenkomst aldus beoordeeld worden op grond van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel.

Luidens dit artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel kunnen koop en verkoop bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.

De vraag rijst welke bewijswaarde de wetgever aan de aanvaarde factuur verleent ten aanzien van een handelaar. Hierbij moet rekening worden gehouden met een dubbel vermoeden: enerzijds het vermoeden dat uit het gebrek aan tijdig protest van de factuur een stilzwijgende aanvaarding van de factuur kan worden afgeleid en, anderzijds - eens die aanvaarding vaststaat - het vermoeden dat de aanvaarde factuur een getrouwe weergave is van de overeenkomst.(20)

In de rechtsleer wordt erkend dat het eerste vermoeden betreffende de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden vormt. Artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel betreft immers enkel de bewijswaarde van de aanvaarde factuur (d.i. het tweede vermoeden), maar zegt niets over de aanvaarding van de factuur. Bijgevolg moet de rechter de vraag of de afwezigheid van protest door de handelaar een aanvaarding van de factuur inhoudt, feitelijk beoordelen. Dit vermoeden is weerlegbaar: de schuldenaar mag met alle middelen van recht het tegenbewijs leveren dat zijn stilzwijgen na de ontvangst van de factuur niet kan worden uitgelegd als een aanvaarding van de factuur. Dit vermoeden geldt voor alle handelsverrichtingen.(21)

Uw Hof heeft het bestaan van dit feitelijk vermoeden erkend in een arrest van 7 januari 2005.(22) Deze zaak betrof een handelskoop, waarbij het olieproduct dat gefactureerd werd, verschilde van het olieproduct dat in de overeenkomst bepaald was. De schuldenaar had de facturen niet geprotesteerd en reeds betaald.

Tussen partijen bestond betwisting of een overeenstemming was bereikt over de wijziging van de overeenkomst. Het hof van beroep te Gent oordeelde dat niet bewezen werd dat de wijziging van de aard van het geleverde product in onderling overleg was overeengekomen. Volgens het hof van beroep werd de wijziging van de aard van het product niet gedekt door het protestloos betalen van de facturen.
Het Hof oordeelde dat "krachtens [artikel 25, tweede lid, Wetboek van Koophandel], de rechter inzake handelsverrichtingen uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs in kan vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis. Dat dit ook geldt wanneer de aanvaarde factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt." Het Hof besloot dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoordden, doordat zij het betalen van de facturen niet in hun beoordeling hadden betrokken.

Hoewel uit de bewoordingen van het arrest zou kunnen blijken dat het de bewijswaarde van de aanvaarde factuur betrof in het kader van een handelskoop (d.i. het tweede vermoeden), moet het oordeel van het Hof naar mijn mening op het niveau van de aanvaarding van de factuur worden gesitueerd (d.i. het eerste vermoeden).

De rechtsleer bevestigt deze lezing.(23) Zij vloeit voort uit het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot dit arrest. Zoals gezegd, was de vraag immers gerezen of uit het niet-protesteren van de facturen een stilzwijgende aanvaarding kon worden afgeleid van de daarin opgenomen wijziging van de aard van het geleverde product. In wezen oordeelt het Hof met dit arrest aldus dat uit het niet-protesteren van de factuur een feitelijk vermoeden kan worden geput waaruit de aanvaarding van de factuurvoorwaarden kan worden afgeleid, zelfs wanneer het afwijkende factuurvoorwaarden betreft.(24)

De regel dat een niet-geprotesteerde factuur geacht wordt de overeenkomst te weerspiegelen, geldt dus eveneens indien de bepalingen van de factuur afwijken van de oorspronkelijke overeenkomst, maar als feitelijk vermoeden.(25) Het feitelijk vermoeden houdt het vermoeden in dat de afwezigheid van protest tegen de factuur als een aanvaarding van de factuur moet worden opgevat.(26) Tegen dit vermoeden is een tegenbewijs mogelijk met alle middelen van recht.(27)

Deze situatie valt buiten het strikte toepassingsgebied van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel. De afwezigheid van protest van de factuur kan hier niet worden beschouwd als het betuigen van instemming dat de factuur de overeenkomst getrouw weergeeft. Gelet op de hypothese van het bestaan van een andersluidende bestelbon of overeenkomst, kan het stilzwijgen na ontvangst van de gewijzigde factuur worden beschouwd als een nieuwe toestemming van de handelaar met de gewijzigde overeenkomst. De factuur heeft hier niet meer enkel een vaststellingsfunctie, maar vervult een obligatoire functie.(28)

Bij het tweede vermoeden betreffende de bewijswaarde van de aanvaarde factuur dient een onderscheid te worden gemaakt tussen handelsverrichtingen die een handelskoop inhouden en andere handelsverrichtingen. De rechtsleer erkent dat bij een handelskoop een wettelijk vermoeden geldt dat de inhoud van de aanvaarde factuur overeenstemt met die van de overeenkomst.(29) Dit vermoeden is immers verankerd in artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel, dat bepaalt dat koop en verkoop bewezen kunnen worden door middel van een aanvaarde factuur.

De meerderheid in de rechtsleer neemt aan dat dit wettelijk vermoeden onweerlegbaar is, zodat de schuldenaar geen tegenbewijs kan leveren.(30) Ook Uw Hof lijkt het onweerlegbare karakter van dit vermoeden te bevestigen in een arrest van 24 januari 2008.(31)

Volgens de andere strekking in de rechtsleer betreft het vermoeden van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel daarentegen slechts een weerlegbaar vermoeden.(32) Deze opvatting lijkt evenwel in strijd met het voormelde arrest van Uw Hof van 24 januari 2008, dat immers het bestaan van een onweerlegbaar wettelijk vermoeden lijkt te onderschrijven.(33)

Bij andere handelsverrichtingen geldt daarentegen enkel een feitelijk vermoeden dat de inhoud van de aanvaarde factuur overeenstemt met die van de overeenkomst. Andere handelsverrichtingen vallen immers buiten het toepassingsgebied van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel. Dit vermoeden is weerlegbaar, zodat de schuldenaar nog steeds het tegenbewijs mag leveren.(34) Ook Uw Hof heeft in zijn vaste rechtspraak geoordeeld dat de rechter voor andere handelsverrichtingen, zoals aannemingswerken, uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs in kan vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis.(35)

In casu is de overeenkomst waarvan verweerster de ontbinding vordert een handelskoopovereenkomst. Onderhavige zaak betreft het eerste hierboven besproken vermoeden, namelijk de vraag of uit de afwezigheid van protest van de factuur door verweerster het vermoeden kan worden afgeleid dat zij de factuur en de daarin vermelde gewijzigde samenstelling van de ketting heeft aanvaard. Zoals besproken, bestaat slechts een feitelijk vermoeden dat de niet-geprotesteerde factuur werd aanvaard (zie supra, nr. 0).

Naar mijn mening geldt aldus, in navolging van het arrest van Uw Hof van 7 januari 2005, dat de rechter, krachtens artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel, inzake handelsverrichtingen uit de afwezigheid van protest tegen de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs in kan vinden dat de schuldenaar de factuur en de daarin vermelde verbintenis heeft aanvaard. Dit geldt ook wanneer de niet-geprotesteerde factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt.

Krachtens artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek worden vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter(36). Het Hof beschikt enkel over een marginale toetsing: het toetst immers enkel of de rechter het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden" niet heeft miskend, en meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolg heeft getrokken dat daarmee geen verband houdt dan wel op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden is.(37)

De appelrechters stellen vast dat eiseres de gewijzigde samenstelling niet vóór de levering aan verweerster heeft gemeld, dat eiseres enkel na levering de gewijzigde samenstelling heeft meegedeeld en bovendien op een verdoken manier naar aanleiding van de aflevering van de factuur, dat dit in strijd is met de meldingsplicht en de goede trouw, dat een vermelding op een factuur nog niet betekent dat de koper de niet-conformiteit had moeten ontdekken conform artikel 49, tweede lid, b), (i) van het Weens Koopverdrag en dat enige onzorgvuldigheid bij het nazicht van de factuur in de gegeven omstandigheden niet aan de koper verwijtbaar is.

Op grond van hun vaststellingen konden de appelrechters naar mijn mening, zonder schending van de aangevoerde Verdrags- en wettelijke bepalingen, oordelen dat uit de afwezigheid van protest tegen de factuur in de gegeven omstandigheden niet kan worden afgeleid dat verweerster kennis had van de niet-conformiteit naar aanleiding van het uitreiken van die factuur, dat de vermelding van de gewijzigde samenstelling op de factuur niet beschouwd kan worden als een bewijs van aanvaarding ervan door de koper, zijnde verweerster, en dat de gewone verjaringstermijn van drie jaar geen aanvang nam vanaf de levering maar vanaf het moment dat de benadeelde koper, zijnde verweerster, effectief kennis kreeg van de omstandigheden die aan zijn aanspraak ten grondslag liggen.

Het middel lijkt mij niet te kunnen worden aangenomen.

Conclusie: Verwerping.
__________________
(1) P. WAUTELET, "Verplichtingen van de koper" in H. VAN HOUTTE, J. ERAUW en P. WAUTELET (eds.), Het Weens Koopverdrag, Antwerpen, Intersentia, 1997, (155) 184.
(2) K. COX, "Recente rechtspraak Weens Koopverdrag: de keurings- en kennisgevingsplicht van de koper" in X., Internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Brussel, Larcier, 2004-05, (245) 265, nr. 8; S. KRÖLL, L. MISTELIS en P. PERALES VISCASILLAS (eds.), UN Convention on Contracts for the International Sale of Goods (CISG), München, C.H. Beck, 2011, 627; U. MAGNUS, "Art. 40 CISG" in J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, Sellier-De Gruyter, 2005, 424-425; P. WAUTELET, "Verplichtingen van de koper" in H. VAN HOUTTE, J. ERAUW en P. WAUTELET (eds.), Het Weens Koopverdrag, Antwerpen, Intersentia, 1997, (155) 186.
(3) K. COX, "Recente rechtspraak Weens Koopverdrag: de keurings- en kennisgevingsplicht van de koper" in X., Internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Brussel, Larcier, 2004-05, (245) 265, nr. 8.
(4) S. KRÖLL, L. MISTELIS en P. PERALES VISCASILLAS (eds.), UN Convention on Contracts for the International Sale of Goods (CISG), München, C.H. Beck, 2011, 559.
(5) S. KRÖLL, L. MISTELIS en P. PERALES VISCASILLAS (eds.), UN Convention on Contracts for the International Sale of Goods (CISG), München, C.H. Beck, 2011, 597.
(6) K. COX, "Recente rechtspraak Weens Koopverdrag: de keurings- en kennisgevingsplicht van de koper" in X., Internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Brussel, Larcier, 2004-05, (245) 255, nr. 4.
(7) K. COX, "Recente rechtspraak Weens Koopverdrag: de keurings- en kennisgevingsplicht van de koper" in X., Internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Brussel, Larcier, 2004-05, (245) 265, nr. 8.
(8) "Bürgerliches Gesetzbuch", meestal afgekort als BGB; omwille van de duidelijkheid wordt hier geopteerd voor de verwijzing "Duits Burgerlijk Wetboek".
(9) Cass. 9 oktober 1980, AC 1980, nr. 90: "overwegende dat bijgevolg de rechter, nu die vordering bij hem aanhangig was, de draagwijdte van die wetsbepaling moest vaststellen; dat hij ten deze, nu het juridische normen betrof die tot een vreemd recht behoren, de inhoud van dat recht moest nagaan en vaststellen, in voorkomend geval na dienaangaande de nodige inlichtingen te hebben ingewonnen en met eerbiediging van het recht van verdediging"; Cass. 4 november 2010, AR C.07.0191.F, AC 2010, nr. 653; Cass. 18 maart 2013, AR C.12.0031.F, AC 2013, nr. 192, met concl. van advocaat-generaal J.-M. GENICOT in Pas. 2013, nr. 192; zie Cass. 6 maart 2014, AR C.12.0391.N, AC 2014, nr 182, met concl. van procureur-generaal J.-F. LECLERCQ.
(10) M. TRAEST en V. VANOVERMEIRE, "Over vreemd nationaal recht voor de nationale rechter en de Unierechter" in Liber Spei et Amicitiae Ivan Verougstraete, Brussel, Larcier, 2011, (437) 446.
(11) Cass. 23 maart 2012, AR D.11.0002.F, AC 2012, nr. 193; Cass. 26 september 2008, AR C.07.0416.N, AC 2008, nr. 510; D. DE ROY, "De procedurele aspecten van de substitutie van motieven door het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken" in I. VEROUGSTRAETE, J.-F. LECLERCQ, P. LECROART en S. LIERMAN, Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2006, (181) 188.
(12) M. MARTINEK (ed.), "§ 438 BGB" in J. Von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, Sellier-De Gruyter, 2004, 268.
(13) "Gesetz zu dem Übereinkommen der Vereinten Nationen vom 11. April 1980 über Verträge über den internationalen Warenkauf sowie zur Änderung des Gesetzes zu dem Übereinkommen vom 19.5.1956 über der Beförderungsvertrag im internationalen Strassengüterverkehr (CMR) von 5. Juli 1989 (BGBI. 1989 II S.586), das durch Artikel 5 Absatz 30 des Gesetzes von 26. November 2001 (BGBI. I S.3138) geändert worden ist."
(14) D. GIRSBERGER, "The time limits of Article 39 CISG", Journal of law and commerce 2005-06, (241) 249; U. MAGNUS, "UN-Kaufrecht und neues Verjährungsrecht des BGB - Wechselwirkungen und Praxisfolgen", RIW 2002, (577) 580.
(15) U. MAGNUS, "UN-Kaufrecht und neues Verjährungsrecht des BGB - Wechselwirkungen und Praxisfolgen", RIW 2002, (577) 581.
(16) M. MARTINEK (ed.), "§ 438 BGB" in J. Von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, Sellier-De Gruyter, 2004, 271.
(17) U. MAGNUS, "Art. 11 CISG" in J. Von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, Sellier-De Gruyter, 2013, nr. 1.
(18) Ibid., nr. 16.
(19) Ibid., nr. 17.
(20) E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 162, nr. 326; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, III, Brussel, Bruylant, 2010, 2411, nr. 1787.
(21) J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, III, Brussel, Bruylant, 1981, 66, nr. 61; F. DESCHOOLMEESTER, "De factuur in het bewijsrecht" in B. TILLEMAN en E. TERRYN (eds.), Handels- en economisch recht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Deel 1, Ondernemingsrecht, vol. A, Mechelen, Kluwer, 2011, 569, nr. 710; X. DIEUX, "La preuve en droit commercial belge", TBH 1986, (84) 104; B. WINDEY, "De bewijswaarde van de factuur: het ene vermoeden is het andere niet - Een pleidooi voor duidelijkheid" (noot onder Cass. 24 januari 2008), Limb.Rechtsl. 2009, (97) 104.
(22) Cass. 7 januari 2005, AR C.03.0129.N, AC 2005, nr. 11.
(23) E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 170-171, nr. 337; R. HOUBEN, "De aanvaarding van de factuur en de bewijswaarde van de aanvaarde factuur inzake handelskoop" (noot onder Cass. 7 januari 2005), RW 2005-06, (1097) 1100; B. WINDEY, "De bewijswaarde van de factuur: het ene vermoeden is het andere niet - Een pleidooi voor duidelijkheid" (noot onder Cass. 24 januari 2008), Limb.Rechtsl. 2009, (97) 103.
(24) R. HOUBEN, "De aanvaarding van de factuur en de bewijswaarde van de aanvaarde factuur inzake handelskoop" (noot onder Cass. 7 januari 2005), RW 2005-06, (1097) 1100.
(25) E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 170, nr. 337; E. BEYSEN, "Over een levering aan het verkeerde adres, een "onechte" niet-geprotesteerde factuur en een verrijking met oorzaak", T.Vred. 2005, (401) 405-406.
(26) E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 170, nr. 337.
(27) R. HOUBEN, "De aanvaarding van de factuur en de bewijswaarde van de aanvaarde factuur inzake handelskoop" (noot onder Cass. 7 januari 2005), RW 2005-06, (1097) 1099.
(28) E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 171, nr. 337.
(29) F. DESCHOOLMEESTER, "De factuur in het bewijsrecht" in B. TILLEMAN en E. TERRYN (eds.), Handels- en economisch recht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Deel 1, Ondernemingsrecht, vol. A, Mechelen, Kluwer, 2011, 569, nr. 710; E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 162, nr. 326.
(30) J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, III, Brussel, Bruylant, 1981, 69, nr. 63; H. DE WULF, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, "Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken (2003-2010)", TPR 2011, (925) 959-960, nr. 45; X. DIEUX, "La preuve en droit commercial belge", TBH 1986, (84) 104; R. HOUBEN, "De aanvaarding van de factuur en de bewijswaarde van de aanvaarde factuur inzake handelskoop" (noot onder Cass. 7 januari 2005), RW 2005-06, (1097) 1099-1100; W. VAN GERVEN, H. COUSY en J. STUYCK (eds.), Handels- en economisch recht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Deel 1. Ondernemingsrecht, 1, Brussel, Story-Scientia, 1989, 182; B. WINDEY, "De bewijswaarde van de factuur: het ene vermoeden is het andere niet - Een pleidooi voor duidelijkheid" (noot onder Cass. 24 januari 2008), Limb.Rechtsl. 2009, (97) 104.
(31) Cass. 24 januari 2008, AR C.07.0355.N, AC 2008, nr. 59: Uw Hof oordeelde dat "de regel dat de aanvaarde factuur het bewijs oplevert van de overeenkomst krachtens [artikel 25, tweede lid, Wetboek van Koophandel] enkel voor de handelskoop geldt." Het Hof erkende aldus het bestaan van een wettelijk vermoeden in de zin van artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek, zonder de mogelijkheid van een tegenbewijs te aanvaarden.
(32) E. DAUBRESSE, "De la preuve des engagements commerciaux" in Les Novelles, Droit Commercial, I, Brussel, Ed. E. Picard, 1931, nr. 31; R. DE SMET, "De la force obligatoire des ‘conditions générales' en matière commerciale", RCJB 1974, (192) 199; I. MOREAU-MARGRÈVE, "La force obligatoire des conditions générales de vente et d'achat", T.Aann. 1971, (102) 109. Volgens bepaalde auteurs betreft het zelfs maar een feitelijk vermoeden: L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, I, Gent, Rombaut-Fecheyr, 1946, 284, nr. 156; L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 252; C. RENARD, E. VIEUJEAN en Y. HANNEQUART, "Théorie générale des obligations" in Les Novelles, Droit Civil, IV, Brussel, Larcier, 1957, nr. 376.
(33) B. WINDEY, "De bewijswaarde van de factuur: het ene vermoeden is het andere niet - Een pleidooi voor duidelijkheid" (noot onder Cass. 24 januari 2008), Limb.Rechtsl. 2009, (97) 103-104, nr. 11.
(34) F. DESCHOOLMEESTER, "De factuur in het bewijsrecht" in B. TILLEMAN en E. TERRYN (eds.), Handels- en economisch recht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Deel 1, Ondernemingsrecht, vol. A, Mechelen, Kluwer, 2011, 573, nr. 712; E. DIRIX en G.-L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, 160, nr. 321; B. WINDEY, "De bewijswaarde van de factuur: het ene vermoeden is het andere niet - Een pleidooi voor duidelijkheid" (noot onder Cass. 24 januari 2008), Limb.Rechtsl. 2009, (97) 104.
(35) Cass. 29 januari 1996, AR C.94.0271.N, AC 1996, nr. 59; Cass. 27 januari 2000, AR C.98.0114.N, AC 2000, nr. 72; Cass. 24 januari 2008, AR C.07.0355.N, AC 2008, nr. 59.
(36) Cass. 16 februari 1998, AR S.97.0137.N, AC 1998, nr. 94; Cass. 17 april 1998, AR C.97.0030.F en F.97.0031.F, AC 1998, nr. 198; Cass. 24 januari 2008, AR C.07.0355.N, AC 2008, nr. 59.
(37) Cass. 16 maart 1995, AR C.94.0333.F, AC 1995, nr. 153; Cass. 11 april 1997, AR C.95.0405.N, AC 1997, nr. 183; Cass. 16 februari 1998, AR S.97.0137.N, AC 1998, nr. 94; Cass. 17 april 1998, AR C.97.0030.F en F.97.0031.F, AC 1998, nr. 198; Cass. 19 juni 1998, AR C.97.0156.F, AC 1998; nr. 325; Cass. 20 december 2007, AR C.07.0161.N, AC 2007, nr. 652; zie Cass. 22 april 2010, AR C.08.0602.N, AC 2010, nr. 271; Cass. 10 juni 2010, AR C.09.0457.N, AC 2010, nr. 410.

 

Noot: 

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/05/2018 - 14:00
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 19:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.