-A +A

WCO en de vorderingen van de werknemers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 16/06/2016

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 49/1, vierde lid, WCO blijkt dat het de bedoeling was de werknemers te beschermen zodat de in dit artikel vervatte regel niet de aard van de schuldvordering op het oog heeft, maar wel de hoedanigheid van de schuldeiser; bijgevolg betreft deze bepaling enkel de schuldvorderingen van de werknemers, en geenszins de schuldvordering van de Belgische Staat tot betaling van bedrijfsvoorheffing die verband houdt met arbeidsprestaties van vóór de opening van de procedure (1). (1) Zie concl. OM; bijkomend weze opgemerkt dat indien de werkgever de bedrijfsvoorheffing wel heeft ingehouden, maar heeft nagelaten deze door te storten, de belastingplichtige deze bedrijfsvoorheffing in beginsel mag verrekenen met de door hem verschuldigde belasting (Vr. nr. 161 VAN DUN, Vr. & Antw. Senaat 1975-1976, 7 september 1976, 1867; Vr. nr. 171 VAN GREMBERGEN, Vr. & Antw. Kamer 1981-82, 21 mei 1982, 1626; Vr. nr. 2-746 DE CLIPPELE 21 maart 2002, Vr. & Antw. Senaat 2001-2002, 21 maart 2002, 64; Antwerpen, 18 april 1989, FJF, Nr. 89/169; Brussel, 22 februari 2001, FJF, Nr. 2001, 398; Brussel, 5 juni 2008, Fiscoloog, 2009, afl. 1182, 10; Com. IB 1992, nr. 312/42; TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2014-2015, Wolters Kluwer, nr. 1658.50, p. 696)

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.16.0022. N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur Invordering - Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, met kantoor te 3500 Hasselt, Voor-straat 43, bus 11,
eiser,
FREAKS HAIRGROUP bvba, met zetel te 3540 Herk-de-Stad, Stevoortweg 28/2,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 november 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Volgens artikel 49/1, tweede lid, WCO mag, indien het reorganisatieplan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, in beginsel, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten.

Artikel 49/1, vierde lid, WCO bepaalt dat het plan geen vermindering of kwijt-schelding kan bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de ope-ning van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling was de werknemers te beschermen zodat de regel uit artikel 49/1, vierde lid, WCO niet ziet op de aard van de schuldvordering, maar op de hoedanigheid van de schuldeiser.

3. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 49/1, vierde lid, WCO niet enkel de schuldvorderingen van de werknemers betreft, maar ook de schuldvordering van de eiser tot betaling van bedrijfsvoorheffing die verband houdt met arbeidspresta-ties van vóór de opening, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 391,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,


VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR: De BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur Invordering - Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, met kantoren te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 11,

eiser tot cassatie,

TEGEN: De bvba FREAKS HAIRGROUP, met maatschappelijke zetel te 3540 Herk-de-Stad, Stevoortweg 28/2, met ondernemingsnummer 0478.100.825,

verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 5 november 2015 op tegenspraak werd gewezen door de vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen (2015/AR/1556).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Bij vonnis van 10 november 2014 van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Hasselt, werd verweerster toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.

Voormelde rechtbank weigerde bij vonnis van 9 fe-bruari 2015 de homologatie van het reorganisatieplan om reden dat dit plan een vermindering/kwijtschelding toestond van de bedrijfsvoorheffing en van de sociale bijdragen, wat strijdig is met artikel 49/1, vierde lid, WCO.

Met een verzoekschrift, neergelegd op 20 februari 2015 ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, tekende verweerster hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaarde bij arrest van 23 april 2015 dit hoger beroep gegrond en homologeerde het reorganisatieplan.

Tegen dit arrest stelde eiser bij dagvaarding van 8 juni 2015 derdenverzet in. Volgens eiser was de in het reorganisatieplan opgenomen behandeling van de overheidsschuldeisers in strijd met artikel 49/1, vierde lid, WCO zodat dit de homologatie van het reorganisatieplan in de weg stond.

Het bestreden arrest van 5 november 2015 van het Hof van Beroep te Antwerpen oordeelt dat het reorganisatieplan geen schending bevat van artikel 49/1, vierde lid, WCO en verklaart het derdenverzet van eiser ongegrond.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- de artikelen 49, 49/1, en 55 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (WCO);
- de artikelen 2, eerste lid, 3bis en 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van werknemers (Loonbeschermingswet);

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest verklaart het derdenverzet van eiser ongegrond en oordeelt dat het reorganisatieplan geen schending bevat van artikel 49/1 WCO zodat het terecht door het hof van beroep bij arrest van 23 april 2015 was gehomologeerd.

De beslissing dat het reorganisatieplan geen schending bevat van artikel 49/1 WCO berust op de volgende overwegingen:

" Met deze wetsbepaling heeft de wetgever (onder meer) de rechten geregeld van enerzijds de openbare schuldeisers in de opschorting die een algemeen voorrecht genieten, en anderzijds de werknemers.

" Het tweede lid van art. 49/1 WCO regelt de rechten van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten door specifiek voor deze categorie van schulden te voorzien dat zij niet minder gunstig mogen behandeld worden in het reorganisatieplan dan de best behandelde gewone schuldeiser in de opschorting, tenzij op basis van dwingende en met redenen omklede vereisten die verband houden met de continuïteit van de onderneming en mits een strikte motivering.

" Art. 49/1 WCO bepaalt dus dat een kwijtschelding van deze categorie van overheidschulden mogelijk is mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden.

" Deze regeling blijft ook gelden in geval de schuldvordering van deze overheidsschuldeisers voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

" Door de invoeging van lid 4 in art. 49/1 WCO heeft de wetgever gewild dat aan de werknemers een bijkomende bescherming zou worden geboden (Parl., St., Kamer, 53/2692, p.23-24 en p.3).

" Aanvaarden dat de schuldeiser van de bedrijfsvoorheffing valt onder de toepassing van art. 49/1, lid 4 WCO strookt niet met de wil van de wetgever die voor alle openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid van kwijtschelding of vermindering heeft voorzien. Hierop geldt slechts een uitzondering voor de schuldeisers van strafrechtelijke boeten, die dan ook uitdrukkelijk in de tekst van de wet is opgenomen (art. 49/1, lid 6 WCO).

" Uit niets blijkt dat de wetgever de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht wiens schuldvordering voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties, heeft willen uitsluiten van het regime bepaald in art. 49/1, lid 2 en lid 3 WCO.

" Aan de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht enerzijds en aan de werknemers anderzijds is door de wetgever een afzonderlijke, geëigende bescherming geboden.

" In het andere geval zou trouwens het toepassingsgebied van art. 49/1, lid 2 en lid 3 WCO in ruime mate worden uitgehold.

" Het voorgaande heeft tot gevolg dat de door de partijen, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van cassatie van 16.05.2014 (F.13.0100.F.) en van 27.03.2015 (F.14.041.N. en F.14.0157.N.) gewezen in het kader van art. 37 WCO, gevoerde discussie over de vraag of de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van het loon van de werknemers in deze niet dienend is.

" Ook indien wordt aanvaard dat de vergoeding voor arbeidsprestaties in de zin van art. 49/1, lid 4 WCO het bruto loon omvat, dus inclusief de inhou-dingen voor onder meer de bedrijfsvoorheffing, dan nog verzet art. 49/1 WCO zich niet tegen een kwijtscheiding of vermindering van deze schulden, onder de in art. 49/1, lid 2 en lid 3 bepaalde voorwaarden."
(arrest, p.4-6, nrs.4-6).

 

 

Grieven

1./ Krachtens artikel 49 WCO vermeldt het reorganisa-tieplan, dat door de schuldenaar overeenkomstig artikel 47 WCO wordt opgesteld tijdens de opschorting in het kader van de procedure van de gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten. Het kan in de omzetting van schuldvorderingen in aandelen voorzien, alsook in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan. Het plan kan eveneens in een maatregel voorzien voor de verzaking aan de interesten of de herschikking van de betaling ervan, alsook in de prioritaire aanrekening van de bedragen die zijn gerealiseerd op de hoofdsom van de schuldvordering.

Artikel 49/1 WCO, zoals ingevoegd bij Wet van 27 mei 2013, bevat een aantal pleegvormen of voorschriften waaraan het reorganisatieplan moet voldoen:

" De voorstellen bevatten voor alle schuldeisers een betalingsvoorstel dat niet minder dan 15 procent van het bedrag van de schuldvordering mag bedragen.

" Als het plan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, mag de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten. Overeenkomstig het derde lid en met een strikte motivering kan in een lager percentage worden voorzien.
" Het plan kan voor de hierboven vermelde schuldei-sers of categorieën van schuldeisers, lagere per-centages voorstellen op basis van dwingende en met redenen omklede vereisten die verband houden met de continuïteit van de onderneming.

" Het plan kan geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

" Het plan kan niet voorzien in een vermindering van de onderhoudsschulden, noch van de schulden die voor de schuldenaar voortvloeien uit de verplichting tot herstel van de door zijn schuld veroorzaakte schade die verbonden is aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon.

" Het reorganisatieplan kan niet voorzien in een vermindering of kwijtschelding van de strafrechtelijke boeten".

Het reorganisatieplan dient door de meerderheid van de schuldeisers overeenkomstig artikel 54 WCO te worden goedgekeurd en vervolgens door de rechtbank van koophandel overeenkomstig artikel 55 WCO te worden gehomologeerd. De rechtbank van koophandel kan krachtens artikel 55, §3 WCO de homologatie van het herstelplan echter weigeren in geval van niet-naleving van de pleegvormen door de WCO opgelegd of wegens schending van de openbare orde.

2./ De vordering van de werknemer op betaling van loon voor arbeidsprestaties verricht voor de schuldenaar vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord maakt een schuldvordering uit in de zin van artikel 49/1, vierde lid, WCO, waarvoor het plan niet kan voorzien in vermindering of kwijtschelding.

Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Loonbe-schermingswet wordt onder loon verstaan het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

Volgens artikel 3bis van deze wet heeft dit recht op de betaling van het loon betrekking op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht.

Krachtens artikel 23, 1°, van deze wet mogen op het loon van de werknemer alleen in mindering worden gebracht de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomst betreffende bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid.

Uit deze bepalingen volgt dat ook de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van de vergoeding voor de arbeidsprestaties van de werknemer zodat de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties het brutoloon tot voorwerp hebben.

De vordering van eiser tot betaling van deze be-drijfsvoorheffing maakt bijgevolg eveneens een schuldvordering uit in de zin van artikel 49/1, vierde lid, WCO waarvoor geen vermindering of kwijtschelding mag worden verleend.

3./ Anders dan het bestreden arrest oordeelt, viseert artikel 49/1, vierde lid, WCO aldus niet enkel de schuldvorderingen van de werknemers, maar elke schuldvordering die betrekking heeft op arbeidsprestaties die vóór de opening van de procedure werden verricht, zoals de vordering tot betaling van bedrijfsvoorheffing.

Hoewel uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met deze regeling vooral de werknemers wou beschermen, werd de tekst van de wet zelf ruim geformuleerd, zonder enig onderscheid te maken tussen werknemers en overheidsschuldeisers, zodat het toepassingsgebied ervan zich uitstrekt tot elke schuldvordering die verband houdt met arbeidsprestaties verricht vóór de opening van de procedure.

De parlementaire voorbereiding van een wet kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan.

Het reorganisatieplan mag derhalve geen verminde-ring of kwijtschelding bevatten van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is uit hoofde van de arbeidsprestaties verricht door de werknemer vóór de opening van de procedure.

4./ Het vierde lid van artikel 49/1 WCO wijkt aldus uitdrukkelijk af van de regel bepaald in het tweede en derde lid, WCO, luidend dat een vermindering of kwijtschelding mogelijk is voor de schuldvorderingen van overheidsschuldeisers die een algemeen voorrecht genieten.

In de mate dat deze afwijking beperkt is tot het specifieke geval waarin de schuldvorderingen van die overheidsschuldeisers voortvloeien uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties holt artikel 49/1, vierde lid, WCO, het toepassingsgebied van artikel 49, tweede en derde lid, WCO zodoende niet uit, zoals de appelrechters ten onrechte aanvoeren.

Voor schuldvorderingen van overheidsschuldeisers die voortvloeien uit na de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties blijft de algemene regel dat in een kwijtschelding of vermindering kan worden voorzien immers gelden. De schuldvorderingen van de openbare schuldeisers zijn bovendien ook ruimer dan enkel de schuldvorderingen die rechtstreeks met het loon van de werknemers zijn verbonden.

Ook voor de openbare schuldeisers van strafrechtelijke boeten wordt uitdrukkelijk afgeweken van het regime bepaald in artikel 49, tweede en derde lid, WCO, met name in het zesde lid van artikel 49/1 WCO dat voorschrijft dat het reorganisatieplan niet kan voorzien in een vermindering of kwijtschelding van strafrechtelijke boeten.

5./ Het bestreden arrest stelt vast dat het reorganisatieplan van verweerster onder meer voorziet in de betaling van de overheidsschulden a rato van 51% van de hoofdsom, wat ten aanzien van de schuld inzake de bedrijfsvoorheffing verschuldigd uit hoofde van arbeidsprestaties verricht vóór de opening van de procedure neerkomt op een vermindering/kwijtschelding van 49% waardoor het plan strijdig is met artikel 49, vierde lid, WCO en aldus ook de openbare orde miskent.

Volgens het bestreden bevat het reorganisatieplan echter geen schending van artikel 49/1, in het bijzonder van het vierde lid, WCO, op grond dat :

- het tweede lid van artikel 49/1 WCO, dat toelaat dat schulden van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten kunnen worden kwijtgescholden mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden, blijft gelden in geval de schuldvordering van deze overheidsschuldeisers voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties;
- de wetgever door de invoeging van lid 4 in artikel 49/1 WCO heeft gewild dat aan de werknemers een bijkomende bescherming zou worden geboden;
- aanvaarden dat de schuldeiser van de bedrijfsvoorheffing onder de toepassing valt van artikel 49/1, lid 4, WCO, niet strookt met de wil van de wetgever die voor alle openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid van kwijtschelding of vermindering heeft voorzien;
- uit niets blijkt dat de wetgever de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht wiens schuldvordering voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties heeft willen uitsluiten van het regime bepaald in artikel 49/1, tweede en derde lid WCO;
- aan de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht enerzijds en aan de werknemers ander-zijds door de wetgever een afzonderlijke, geëigende bescherming is geboden;
- ook indien wordt aanvaard dat de vergoeding voor arbeidsprestaties in de zin van het vierde lid van artikel 49/1 WCO het bruto loon omvat, dus inclusief de inhoudingen voor onder meer de bedrijfsvoorheffing, dan nog artikel 49/1 WCO zich niet verzet tegen een kwijtschelding of vermindering van deze schulden, onder de in artikel 49/1, lid 2 en lid 3 bepaalde voorwaarden.

6./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig op voormelde gronden, met schending van artikel 49/1, vierde lid, WCO, dat van openbare orde is, heeft beslist dat het hof van beroep bij arrest van 23 april 2015 terecht het reorganisatieplan heeft gehomologeerd, mitsdien niet wettig het derdenverzet van eiser tegen die homologatie ongegrond heeft verklaard nu die homologatie een schending inhield van de pleegvormen opgelegd door de WCO en aldus strijdig is met de openbare orde (schending van de artikelen 49, 49/1, en 55 WCO, 2, eerste lid, 3bis en 23 van de Loonbeschermingswet).

TOELICHTING

1./ Het middel legt Uw Hof de vraag voor of de fiscus zich in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord kan beroepen op de bescherming van artikel 49/1, vierde lid, WCO.

Volgens deze bepaling kan het reorganisatieplan "geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties".

Volgens het bestreden arrest is deze bescherming voorbehouden aan werknemers en kan de fiscus als schuldeiser van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties op deze bepaling geen beroep doen.

2./ Artikel 49/1 werd bij Wet van 27 mei 2013 ingevoegd in de WCO-wet en beoogde de mogelijkheid tot differentiatie tussen de schuldeisers verder te verduidelijken :

" De voorstellen bevatten voor alle schuldeisers een betalingsvoorstel dat niet minder dan 15 procent van het bedrag van de schuldvordering mag bedragen.

" Als het plan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, mag de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten. Overeenkomstig het derde lid en met een strikte motivering kan in een lager percentage worden voorzien.

" Het plan kan voor de hierboven vermelde schuldei-sers of categorieën van schuldeisers, lagere per-centages voorstellen op basis van dwingende en met redenen omklede vereisten die verband houden met de continuïteit van de onderneming.

" Het plan kan geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

" Het plan kan niet voorzien in een vermindering van de onderhoudsschulden, noch van de schulden die voor de schuldenaar voortvloeien uit de verplichting tot herstel van de door zijn schuld veroorzaakte schade die verbonden is aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon.
" Het reorganisatieplan kan niet voorzien in een vermindering of kwijtschelding van de strafrechtelijke boeten".

Volgens de voorbereidende werkzaamheden beoogt het vierde lid van artikel 49/1, "volledige uitvoering te geven aan het Verdrag nr. 95 van de OIT. Hoewel dit verdrag niet strict genomen toepasselijk is op de reorganisatie, komt het toch wenselijk voor de werknemers in deze context een bijkomende bescherming te bieden. Deze bepaling is een bepaling van dwingend recht, wat inhoudt dat de werknemer die door deze bepaling beschermd wordt, ook hieraan kan verzaken" (Parl.St., Kamer, DOC53, 2692/001, p.24).

3./ Hoewel men zeker mag steunen op de vaststellingen en verklaringen gedaan tijdens de parlementaire voorbereiding van een wet om de betekenis en de draagwijdte ervan vast te stellen (Cass., 18 september 1978, A.C., 1978-79, 57, met noot), kunnen de voorbereidende werken echter niet opwegen tegen een duidelijke en ondubbelzinnige wettekst (Cass., 31 januari 1961, Pas., I, 584; Cass., 11 december 1962, Pas., 1962, I, 1049; Cass., 21 februari 1967, A.C., 1966-67, 789; Cass., 22 december 1994, A.C., 1994, 1149).

Welnu, de tekst van het vierde lid van artikel 49/1 WCO, is dermate ruim geformuleerd dat ook de schuldvorderingen inzake bedrijfsvoorheffing, voor zover de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is uit hoofde van arbeidsprestatie verricht vóór de opening van de procedure, juridisch gekwalificeerd kunnen worden als "schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties" in de zin van voormelde bepaling.

Dat de vergoeding voor arbeidsprestaties in de zin van artikel 49/1 WCO, vierde lid, het bruto loon omvat, inclusief de inhoudingen voor onder meer de bedrijfsvoorheffing, volgt uit de arresten van Uw Hof van 16 mei 2014 (F.13.0100.F) en 27 maart 2015 (F.14.0141.N en F.14.0157.N), waarin als volgt werd beslist:

" Krachtens artikel 2, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van werknemers, wordt onder loon verstaan het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbe-trekking recht heeft ten laste van de werkgever.

" Krachtens artikel 3bis van deze wet heeft dit recht op de betaling van het loon betrekking op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht.

" Krachtens artikel 23, 1°, van deze wet mogen op het loon van de werknemer alleen in mindering worden gebracht de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomst betreffende bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid".

Waar de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties, zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 49/1, aldus het brutoloon tot voorwerp hebben, wordt bijgevolg ook de bedrijfsvoorheffing door deze bepaling geviseerd en kan de fiscus zich op de bescherming ervan beroepen (zie in die zin Kh.Kortijk, 3 december 2014, TGR-TWVR, 59/15, 2015, 125, met noot D'HOORE, M. en VAN AERSCHOT, P.)

In de geciteerde arresten van Uw Hof van 16 mei 2014 en 27 maart 2015 werd de schuldvordering van de fiscus weliswaar niet als boedelschuld beschouwd in de zin van artikel 37 WCO bij gebreke aan contractuele band, doch voor de toepassing van artikel 49/1, vierde lid, WCO is er geen contractuele band vereist.

4./ Niettegenstaande in artikel 49/1, tweede en derde lid WCO voorzien wordt in een bijzondere regeling voor openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht, betekent dit niet dat ten aanzien van de schuldvorderingen die ontstaan zijn uit vóór de opening verrichte prestaties, zoals omschreven in het vierde lid van artikel 49/1 WCO, er een onderscheid wordt gemaakt tussen «de overheid» en de werknemers.

Artikel 49/1 WCO stelt dat het plan voor alle schuldeisers een betalingvoorstel dient te bevatten dat niet minder dan 15 procent van het bedrag van de schuldvordering mag bedragen en dat, als er in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers wordt voorzien, de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig mag zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten.

Deze extra bescherming voor de schuldvorderingen van openbare schuldeisers werd door artikel 27 van de wet van 23 mei 2013 (B.S. 22 juli 2013) ingevoerd om te vermijden dat de schuldvorderingen van de openbare schuldeisers tot niets zouden worden herleid, wat voorheen systematisch gebeurde. Het werd m.a.w. niet ingevoerd om een duidelijk onderscheid te maken tussen de werknemers in het vierde lid en de overheid in het tweede lid. De schuldvorderingen van de openbare schuldeisers zijn bovendien ook ruimer dan enkel schuldvorderingen die rechtstreeks met het loon van de werknemers verbonden zijn, zoals de bijdragen inzake RSZ en de bedrijfsvoorheffing.

Daarenboven doet het feit dat op grond van artikel 49/1, vierde lid, WCO geen kwijtschelding of vermindering mag worden verleend voor bedrijfsvoorheffing die ontstaan is uit vóór de opening verrichte arbeidsprestaties, geen afbreuk aan het feit dat op grond van artikel 49/1, tweede lid WCO, binnen de daar bepaalde grenzen, het plan toch kwijtschelding of ver-mindering van bedrijfsvoorheffing kan voor-zien voor arbeidsprestaties verricht ná de regeling, alsook voor alle andere schuldvorderingen van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten.

Het Hof van Beroep te Bergen heeft dit recent ook als dusdanig bevestigd in drie arresten d.d. 7 april 2015, doch heeft hieraan meteen een prejudiciële vraag gekoppeld nl.:

" Schendt artikel 49/1, vierde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, in samenhang gelezen met artikel 49/1, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen en met de artikelen 1, 2, 3bis en 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, in die zin geïnterpreteerd dat de schuldvordering met betrekking tot bedrijfsvoorheffing, die is ontstaan uit vóór de opening van de procedure van gerechtelijke re-organisatie verrichte prestaties, geen enkele vermindering of kwijtschelding van schuldvorderingen in het kader van een reorganisatieplan zou kunnen ondergaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een onderscheiden behandeling voorbehoudt aan de verschillende soorten van schuldvorderingen van de belastingadministratie, naargelang zij deel uitmaken van het brutoloon of niet, en in zoverre het een volkomen bevoorrechte behandeling zou voorbehouden aan dat soort van fiscale schuldvordering ten opzichte van de andere schuldeisers die in het door een onder gerechtelijke reorganisatie vallende schuldenaar neergelegde herstelplan zijn beoogd?"
(Deze zaken, bij het Grondwettelijk Hof ingeschreven onder de nummers 6186, 6188 en 6189 van de rol van het Hof, werden samengevoegd).

In zoverre de schuldvordering met betrekking tot bedrijfsvoorheffing, die is ontstaan uit vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie verrichte prestaties, geen enkele vermindering of kwijtschelding van schuldvorderingen in het kader van een reorganisatieplan kan ondergaan, heeft het bestreden arrest bijgevolg niet wettig beslist dat het reorganisatieplan geen schending bevat van artikel 49/1 WCO in zoverre het voorziet in een vermindering/kwijtschelding van 49% van de schuld inzake de bedrijfsvoorheffing. De homologatie van het plan bij arrest van 23 april 2015 werd zodoende, ingevolge de afwijzing van het derdenverzet, niet wettig bevestigd.

 

 

 

 

OM DEZE REDENEN,

besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

Brussel, 2 februari 2016

 


F.16.0022.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Bij vonnis van 10 november 2014 van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Hasselt, werd verweerster toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.

Deze rechtbank weigerde bij vonnis van 9 februari 2015 de homologatie van het reorganisatieplan om reden dat dit plan een vermindering/kwijtschelding toestond van de bedrijfsvoorheffing en van de sociale bijdragen, wat strijdig zou zijn met artikel 49/1, vierde lid, WCO.
In graad van beroep verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 23 april 2015 het hoger beroep van verweerster gegrond en homologeerde het reorganisatieplan.

Tegen dit arrest stelde eiser bij dagvaarding van 8 juni 2015 derdenverzet in. Volgens eiser was de in het reorganisatieplan opgenomen behandeling van de overheidsschuldeisers in strijd met artikel 49/1, vierde lid, WCO zodat dit de homologatie van het reorganisatieplan in de weg stond.

Het thans voor Uw Hof bestreden arrest van 5 november 2015 van het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart het derdenverzet van eiser ongegrond en oordeelt dat het reorganisatieplan geen schending bevat van artikel 49/1, vierde lid, WCO op grond dat:
- het tweede lid van artikel 49/1 WCO, dat toelaat dat schulden van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten kunnen worden kwijtgescholden mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden, blijft gelden in geval de schuldvordering van deze overheidsschuldeisers voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties;
- de wetgever door de invoeging van lid 4 in artikel 49/1 WCO heeft gewild dat aan de werknemers een bijkomende bescherming zou worden geboden;
- aanvaarden dat de schuldeiser van de bedrijfsvoorheffing onder de toepassing valt van artikel 49/1, lid 4, WCO, niet strookt met de wil van de wetgever die voor alle openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid van kwijtschelding of vermindering heeft voorzien;
- uit niets blijkt dat de wetgever de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht wiens schuldvordering voortvloeit uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties heeft willen uitsluiten van het regime bepaald in artikel 49/1, tweede en derde lid WCO;
- aan de openbare schuldeisers met een algemeen voorrecht enerzijds en aan de werknemers anderzijds door de wetgever een afzonderlijke, geëigende bescherming is geboden;
- ook indien wordt aanvaard dat de vergoeding voor arbeidsprestaties in de zin van het vierde lid van artikel 49/1 WCO het bruto loon omvat, dus inclusief de inhoudingen voor onder meer de bedrijfsvoorheffing, dan nog artikel 49/1 WCO zich niet verzet tegen een kwijtschelding of vermindering van deze schulden, onder de in artikel 49/1, lid 2 en lid 3 bepaalde voorwaarden.

2. In het enig middel voert eiser de schending aan van de artikelen 49, 49/1 en 55 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (verder afgekort als "WCO") en van de artikelen 2, eerste lid, 3bis en 23 van de Loonbeschermingswet.

Eiser argumenteert terzake dat:
- uit de artikelen 2, eerste lid, 3bis en 23.1° van de Loonbeschermingswet volgt dat ook de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van de vergoeding voor de arbeidsprestaties van de werknemer zodat de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties het brutoloon tot voorwerp hebben;
- de vordering van eiser, als openbare schuldeiser, tot betaling van deze bedrijfsvoorheffing bijgevolg eveneens een schuldvordering uitmaakt in de zin van artikel 49/1, vierde lid, WCO waarvoor geen vermindering of kwijtschelding mag worden verleend.

Eiser stelt m.a.w. dat artikel 49/1, vierde lid, WCO niet alleen een bijkomende bescherming biedt aan de werknemers maar ook aan de openbare schuldeisers in de opschorting.

3. Het middel legt Uw Hof aldus de vraag voor of de fiscus zich in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord kan beroepen op de bescherming van artikel 49/1, vierde lid, WCO.

Het artikel 49/1 WCO luidt als volgt:

"De voorstellen bevatten voor alle schuldeisers een betalingsvoorstel dat niet minder dan 15 procent van het bedrag van de schuldvordering mag bedragen.

Als het plan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, mag de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten. Overeenkomstig het derde lid en met een strikte motivering kan in een lager percentage worden voorzien.

Het plan kan voor de hierboven vermelde schuldeisers of categorieën van schuldeisers, lagere percentages voorstellen op basis van dwingende en met redenen omklede vereisten die verband houden met de continuïteit van de onderneming.

Het plan kan geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit voor de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

Het plan kan niet voorzien in een vermindering van de onderhoudsschulden, noch van de schulden die voor de schuldenaar voortvloeien uit een verplichting tot herstel van de door zijn schuld veroorzaakte schade die verbonden is aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon.

Het reorganisatieplan kan niet voorzien in een vermindering of kwijtschelding van de strafrechtelijke boeten."

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het plan geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties.

4. In de "Memorie van toelichting" bij het Wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake continuïteit van de ondernemingen, meer bepaald in de artikelsgewijze bespreking van artikel 27 van het wetsontwerp, strekkende tot de invoeging van artikel 49/1, wordt vooreerst uiteengezet dat "teneinde zekerheid ervan te hebben dat de vermindering van hun schuldvordering opgelegd aan de openbare schuldeisers via de stemming van de schuldeisers wel degelijk functioneel is, het artikel de verplichting (bevat) om aan de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten dezelfde voordelen toe te kennen als die welke worden toegekend aan de categorie van de gewone schuldeisers die het minst door het plan worden getroffen." In de Memorie van toelichting worden ook de voorwaarden besproken waaronder kan worden afgeweken van deze vereiste(1).

Na aldus te hebben verduidelijkt onder welke voorwaarden de schuldvorderingen in de opschorting van de openbare schuldeisers kunnen worden verminderd, preciseert de Memorie van toelichting het volgende i.v.m. de schuldvorderingen in de opschorting van de werknemers:
"Voor de hierna volgende bepaalde categorieën schuldeisers is geen beperking van rechten mogelijk.

Dit artikel beoogt volledige uitvoering te geven aan het Verdrag nr. 95 van de OIT. Hoewel dit verdrag niet strikt genomen toepasselijk is op de reorganisatie, komt het toch wenselijk voor de werknemers in deze context een bijkomende bescherming te bieden. Deze bepaling is een bepaling van dwingend recht, wat inhoudt dat de werknemer die door deze bepaling beschermd wordt, ook hieraan kan verzaken"(2).

Deze bijkomende bescherming, vervat in artikel 49/1, vierde lid, WCO, geldt bijgevolg enkel voor de werknemers vermits de Memorie van toelichting uitdrukkelijk preciseert:

- dat die bijkomende bescherming geldt "voor de hierna bepaalde categorieën" en de openbare schuldeisers niet tot die categorieën behoren;
- dat het vierde lid van artikel 49/1 WCO beoogt de werknemers een bijkomende bescherming te bieden.

Het cassatiemiddel dat ervan uitgaat dat het vierde lid van artikel 49/1 WCO niet alleen van toepassing is op de werknemers maar ook kan worden ingeroepen door de openbare schuldeisers, strookt bijgevolg niet met de ratio legis van dit artikel.

5. Ook de rechtsleer stelt zich op het standpunt dat artikel 49/1, vierde lid, WCO niet van toepassing is op fiscale schulden, maar enkel beoogt de werknemers bijkomend te beschermen(3).

6. In haar memorie van antwoord werpt verweerster bovendien terecht op dat standpunt dat artikel 49/1, vierde lid, WCO niet alleen van toepassing is op de werknemers maar ook op de openbare schuldeisers niet alleen strijdt met de ratio legis van dit artikel, maar bovendien in ruime mate het toepassingsgebied uitholt van het eerste, tweede en derde lid van artikel 49/1 WCO.

De principes vervat in artikel 49/1, eerste t.e.m. derde lid, WCO, toegepast op de openbare schuldeisers, kunnen als volgt worden samengevat:
- het betalingsverschil mag niet minder dan 15% van het bedrag van de schuldvordering bedragen;
- als het plan in een gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers voorziet, mag de behandeling van de openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht genieten, niet minder gunstig zijn dan die welke de best behandelde gewone schuldeisers in de opschorting genieten; overeenkomstig het derde lid en met een strikte motivering kan in een lager percentage worden voorzien.

De openbare schuldeisers die een algemeen voorrecht hebben en aldus genieten van een minstens even gunstige regeling zijn doorgaans de fiscus en de RSZ(4).
Ingevolge de regeling vervat in het eerste t.e.m. het derde lid van artikel 49/1 WCO kunnen de schuldvorderingen van openbare schuldeisers, zoals de fiscus en de RSZ, worden verminderd ten belope van maximum 85%.

Deze regeling wordt in ruime mate uitgehold indien het plan ingevolge het vierde lid van artikel 49/1 WCO geen enkele vermindering zou kunnen kan bevatten van de schuldvorderingen in de opschorting betreffende de bedrijfsvoorheffing en de RSZ.

De door eiser verdedigde stelling valt immers niet te rijmen met het eerste, tweede en derde lid van artikel 49/1 WCO vermits de schuldvorderingen in de opschorting van bijvoorbeeld de RSZ:
- ingevolge de eerste drie leden van artikel 49/1 WCO kunnen herleid worden tot 85%;
- ingevolge het vierde lid van voormeld artikel nooit zouden herleid kunnen worden.

Ook in de rechtsleer wordt er op gewezen dat de door eiser gehuldigde stelling in belangrijke mate iedere betekenis ontneemt aan de eerste drie leden van artikel 49/1 WCO(5).

7. Eiser gaat er verder van uit dat 'voor schuldvorderingen van overheidsschuldeisers die voortvloeien uit na de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties de algemene regel (blijft) dat in een kwijtschelding of vermindering kan worden voorzien' (voorziening p. 10).

Ingevolge artikel 49 WCO vermeldt het plan de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten.

Schuldvorderingen in de opschorting zijn de schuldvorderingen ontstaan vóór het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen (artikel 2c WCO)(6).

Schuldvorderingen van overheidsschuldeisers die voortvloeien uit na de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties komen derhalve niet in aanmerking voor kwijtschelding of vermindering.

8. Verder bepaalt artikel 37 WCO dat in de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, zij worden beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement tijdens de periode van reorganisatie of na het beëindigen ervan, in zoverre er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de procedure en die collectieve procedure.

Ook in de zaak die aanleiding gaf tot de arresten van Uw Hof van 27 maart 2015 had de fiscus in zijn voorziening de schending aangevoerd van de artikelen 2, eerste lid, 3bis en 23 van de Loonbeschermingswet en hieruit afgeleid 'dat de bedrijfsvoorheffing die de schuldenaar in het kader van een WCO-procedure als werkgever, krachtens de wet (...) dient in te houden op het loon toegekend aan zijn werknemers voor arbeidsprestaties geleverd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie, deel uit(maakt) van het loon waarop de werknemer lastens zijn werkgever aanspraak kan maken zodat ook de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 37 WCO als een boedelschuld moet worden beschouwd.'

In de arresten van 27 maart 2015 oordeelde Uw Hof dat uit de artikelen 2.1°, 3bis en 23.1° van de Loonbeschermingswet niet volgt dat de fiscus ter zake van de verschuldigde voorheffing te aanzien is als een schuldeiser aan wie zekerheid moet worden verschaft met het oog op het verderzetten van de prestaties tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie. Deze schuldvorderingen zijn derhalve geen boedelschulden krachtens artikel 37, eerste lid, wet continuïteit ondernemingen(7).

Uw Hof heeft de interpretatie van artikel 37 WCO telkens gestoeld op de parlementaire voorbereiding van dit artikel en niet op de in het middel aangevoerde artikelen uit de Loonbeschermingswet.

Volgens de parlementaire voorbereiding strekt artikel 49/1, vierde lid, WCO ertoe aan de werknemers een bijkomende bescherming te bieden.

Uit de artikelen 2, eerste lid, 3bis en 23 van de Loonbeschermingswet volgt niet dat de wetgever met artikel 49/1, vierde lid, WCO aan de fiscus een andere bescherming heeft willen verlenen dan deze vervat in het eerste t.e.m. het derde lid van dit artikel.

9. Het enig middel faalt bijgevolg naar recht in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 49/1 WCO, 2, eerste lid, 3bis en 23 van de wet van 12 april 1965.

In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 49 en 55 WCO is het onontvankelijk, want geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 49/1 WCO en de voormelde bepalingen uit de Loonbeschermingswet.

10. Ten overvloede weze opgemerkt dat eiser in de voorziening tevens verwijst naar drie arresten van het Hof van Beroep te Bergen van 7 april 2015, waarin de volgende prejudiciële vraag werd gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 49/1, vierde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, in samenhang gelezen met artikel 49/1, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen en met de artikelen 1, 2, 3bis en 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, in die zin geïnterpreteerd dat de schuldvordering met betrekking tot bedrijfsvoorheffing, die is ontstaan uit vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie verrichte prestaties, geen enkele vermindering of kwijtschelding van schuldvorderingen in het kader van een reorganisatieplan zou kunnen ondergaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een onderscheiden behandeling voorbehoudt aan de verschillende soorten van schuldvorderingen van de belastingadministratie, naargelang zij deel uitmaken van het brutoloon of niet, en in zoverre het een volkomen bevoorrechte behandeling zou voorbehouden aan dat soort van fiscale schuldvordering ten opzichte van de andere schuldeisers die in het door een onder gerechtelijke reorganisatie vallende schuldenaar neergelegde herstelplan zijn beoogd?".

11. Het Grondwettelijk Hof heeft recent bij arrest van 24 maart 2016 op deze prejudiciële vraag geantwoord(8).
Het Grondwettelijk Hof bevestigde vooreerst dat de wetgever met het artikel 49/1, vierde lid, WCO een aanvullende bescherming heeft willen bieden aan de werknemers.

Het Grondwettelijk Hof preciseerde terzake:

"B.10.3. Uit de combinatie van artikel 49 van de WCO en de in het geding zijnde bepaling vloeit voort dat de schuldvorderingen in de opschorting die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure van reorganisatie verrichte arbeidsprestaties, worden vrijgesteld van de in artikel 49 van de WCO bedoelde mogelijkheid tot vermindering of kwijtschelding, en dat het met die maatregel nagestreefde legitieme doel erin bestaat een aanvullende bescherming aan de werknemers van de onderneming in moeilijkheden te bieden."

Het Grondwettelijk Hof onderzocht vervolgens of artikel 49/1, vierde lid, WCO "in die zin geïnterpreteerd dat (het) betrekking heeft op de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet "(overweging B.11).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde hierover als volgt:

"B.14. De schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, die de onderneming verschuldigd is als voorschot op de belasting die de werknemers op hun beroepsinkomsten zullen moeten betalen, kan bijgevolg worden beschouwd als een schuldvordering "ontstaan uit arbeidsprestaties" die, in zoverre zij dateert van vóór de opening van de procedure, door de in het geding zijnde bepaling wordt beschermd.

Die fiscale schuldvordering voor rekening van de werknemers, die dateert van vóór de opening van de procedure, verschilt bijgevolg in essentie van de fiscale schuldvorderingen van de onderneming, die in voorkomend geval zouden kunnen worden verminderd, overeenkomstig artikel 49/1, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009.

De in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij betrekking heeft op de fiscale schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, kan evenmin een vorm van voorrecht voor de belastingadministratie uitmaken, aangezien het niet die laatste is die door de in het geding zijnde bepaling wordt beschermd, maar wel de werknemers en hun recht op loon, dat samenhangt met hun vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie verrichte arbeidsprestaties.

In het dispositief van zijn arrest van 24 maart 2016 zegde het Grondwettelijk Hof vervolgens voor recht:
"In die zin geïnterpreteerd dat het betrekking heeft op de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, schendt artikel 49/1, vierde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet".

12. Uit dit arrest van het Grondwettelijk Hof van 24 maart 2016 volgt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op beroepsinkomsten die dateren van vóór de opening van de procedure kan worden beschouwd als een schuldvordering "ontstaan uit arbeidsprestaties" in de zin van artikel 49/1, vierde lid, WCO. Uit dit arrest kan evenwel niet worden afgeleid dat de bedrijfsvoorheffing dient te genieten van de bescherming van artikel 49/1, vierde lid, WCO.

De verwijzende rechter heeft aan het Grondwettelijk Hof immers niet gevraagd om een correcte interpretatie vast te stellen van artikel 49/1, vierde lid, WCO, zoals terecht werd gepreciseerd door de Ministerraad (arrest 24 maart 2016, overweging A.1.).

Bij de interpretatie van een arrest van het Grondwettelijk Hof dient immers rekening te worden gehouden met de uitleggingsbevoegdheid van dit Hof, zoals omschreven in artikel 26, §1 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

De kwestie te weten of artikel 49/1, vierde lid, WCO al dan niet betrekking heeft op de bedrijfsvoorheffing op de beroepsinkomsten van werknemers van vóór de opening van de procedure ressorteert als zodanig niet onder de uitleggingsbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof, zoals omschreven in artikel 26, §1 van de voornoemde wet van 6 januari 1989.

Deze kwestie betreft de interpretatie van een wet waartoe uitsluitend Uw Hof bevoegd is(9).

Het Grondwettelijk Hof heeft immers niet beslist dat artikel 49/1, vierde lid, WCO, geïnterpreteerd in die zin dat het geen betrekking heeft op de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wel schendt.

Ook op dit punt kan de memorie van antwoord (nr. 5, p. 9-12) worden gevolgd.

Besluit: VERWERPING.
______________
(1) DOC 53 2692/001, p. 23.
(2) Memorie van toelichting, DOC 53 2692/001, p. 24)
(3) C. ALTER en A. LÉVY MORELLE, Evolutions de la jurisprudence depuis la loi du 27 mai 2013, in "Payement, insolvabilité et réorganisation. S'organiser pour être payé, payer ou se réorganiser.", A. ZENNER (ed.), Bruxelles, Larcier, 2015, (p. 99), p. 112-114, nrs. 15-17; M. VANMEENEN, In de ban van de continuïteit, TBH 2015, (487), 517; M-.C. ERNOTTE en B. INGHELS, La loi du 27 mai 2013 modifiant diverses législations en matière de continuité des entreprises: ajustement ou rétrécissement?, J.T. 2013, (637), 646, sub c; A. VAN HOE, Continuïteit voor de Wet Continuïteit Ondernemingen, RW 2013-2014, (1202), 1223, sub 3; A. ZENNER en C. ALTER, La loi sur la continuité des entreprises: Revisitée par la loi du 27 mai 2013, Bruxelles, Larcier, 2014, p. 50, nr. 54; T. LYSENS, De gewijzigde wet continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 54.
(4) T. LYSENS, o.c., p. 54.
(5) C. ALTER en A. LÉVY MORELLE, C. ALTER en A. LÉVY MORELLE, Evolutions de la jurisprudence depuis la loi du 27 mai 2013, in "Payement, insolvabilité et réorganisation. S'organiser pour être payé, payer ou se réorganiser", A. ZENNER (ed.), Bruxelles, Larcier, 2015, p. 114.
(6) I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la continuité des entreprises et de la faillite, Wolters Kluwer, Waterloo, 2011, p. 33 e.v.
(7) Cass. 27 maart 2015, TBH 2015, 594.
(8) Gwh. nrs. 6186, 6188 en 6189, 24 maart 2016.
(9) o.a. Cass. 24 januari 1996, AC 1996, 101; Verslag van het Hof van Cassatie 1999, p. 109.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/12/2016 - 09:20
Laatst aangepast op: za, 03/12/2016 - 09:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.