-A +A

Wanneer zijn personen samenwonend voor de werkloosheidsuitkering?

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/10/2017
A.R.: 
S.16.0084.N

Om te kunnen besluiten dat twee of meer personen die onder hetzelfde dak wonen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen en dus samenleven, is vereist, maar volstaat het niet, dat zij een economisch-financieel voordeel behalen door een woning te delen; daarvoor is tevens vereist dat zij ook taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden, zoals het onderhoud van de woonst en eventueel het inrichten ervan, de was, de boodschappen, het bereiden en nuttigen van de maaltijden gemeenschappelijk verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen; de rechter oordeelt in feite of de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk worden geregeld

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1452
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. S.16.0084.N

RVA t/ T.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 5 september 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede onderdeel

1. Krachtens art. 110, § 3 Werkloosheidsbesluit wordt onder samenwonende verstaan de werknemer die geen werknemer met gezinslast is zoals bedoeld in § 1, noch een alleenwonende werknemer zoals bedoeld in § 2.

Volgens art. 110, § 2 Werkloosheidsbesluit wordt onder alleenwonende werknemer verstaan de werknemer die alleen woont, met uitzondering van de werknemer bedoeld in § 1, 3o tot 6o.

Overeenkomstig art. 59, eerste lid Uitvoeringsbesluit Werkloosheid wordt onder samenwonen verstaan het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.

2. Om te kunnen besluiten dat twee of meer personen die onder hetzelfde dak wonen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen en dus samenleven, is vereist maar volstaat het niet dat zij een economisch-financieel voordeel behalen door een woning te delen. Daarvoor is tevens vereist dat zij ook taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden, zoals het onderhoud van de woning en eventueel het inrichten ervan, de was, de boodschappen, het bereiden en nuttigen van de maaltijden gemeenschappelijk verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen.

De rechter oordeelt in feite of de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk worden geregeld.

3. De appelrechters stellen enerzijds vast dat:

– de verweerder met drie andere personen in hetzelfde huis woont;

– het huurcontract op naam van één van die drie personen staat;

– de huur door de vier bewoners wordt verdeeld;

– in de huurprijs, ongeveer 215 euro per persoon, ook de nutsvoorzieningen zijn begrepen;

– de verweerder het deel van anderen inzamelt om het geheel aan de hoofdhuurder te overhandigen;

– elke bewoner een aparte kamer met slaapgelegenheid heeft, maar het salon, de keuken, de badkamer en de sanitaire voorzieningen gemeenschappelijk worden gebruikt;

– het huis slechts één deurbel en één brievenbus heeft.

Anderzijds stellen de appelrechters ook vast dat:

– de bewoners elkaar vooraf niet kenden en ieders contract van onderverhuring op een ander tijdstip ingaat;

– aan de deurbel een belcode per bewoner is aangebracht;

– alle kamers afzonderlijk kunnen worden afgesloten;

– er beperkt gekookt kan worden op de kamer dankzij een klein kookbekken en een microgolfoven;

– de bewoners hoofdzakelijk in hun kamer vertoeven en het salon zelden gebruiken;

– iedere bewoner in de gemeenschappelijke keuken een individuele voorraadkast heeft en een individuele lade in de koelkast;

– ieder zijn eigen potje kookt en de benodigdheden ervoor aankoopt;

– er geen gemeenschappelijk budget is voor aankopen van benodigdheden voor het huishouden;

– er geen transportmiddelen zijn die gemeenschappelijk gebruikt worden.

4. Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters wettig oordelen dat de verweerder zijn huishoudelijke aangelegenheden niet hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt met de andere bewoners.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

S.16.0084.N
Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:

1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, Afdeling Gent, gewezen op 5 september 2016. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.

2. Het eerste onderdeel.

Het eerste onderdeel mist feitelijke grondslag daar het uitgaat van een onvolledige lezing van de bestreden beslissing.

Het bewijs dat er geen sprake is van het "hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden" leiden de appelrechter immers af uit de beslissing van eiser ten aanzien van een andere bewoner van het huis, de bevindingen van het OCMW van Gent naar aanleiding van het huisbezoek en de beslissing van hetzelfde OCMW met betrekking tot het leefloon als alleenstaande dat aan verweerder werd toegekend.

3. Het tweede onderdeel.

a. Probleemstelling

Het probleem betreft wat begrepen dient te worden onder "hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen", zoals dit aan te treffen is in artikel 59, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid. Het gaat dus om het criterium dat uitmaakt of het al dan niet gaat om een samenwonende werkloze.

b. Beoordeling.

Volgens eiser tot cassatie dient het criterium "hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen" als volgt ingevuld worden: "het volstaat dat hun financiële en/of materiële tussenkomst een essentieel deel van de huishoudelijke aangelegenheden betreft, zodat er sprake is van een economisch-financieel voordeel door het samen wonen onder één dak".

Ik deel ter zake het standpunt van eiser niet. Er wordt zodoende een te beperkte invulling gegeven.

Uw Hof oordeelde in het arrest van 24 januari 1983 dat voor de werkloosheidsreglementering onder samenwonen wordt verstaan "het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding hebben; dat samenwonenden hun huishoudelijke aangelegenheden geheel, althans hoofdzakelijk, gemeenschappelijk regelen, maar niet noodzakelijk hun vermogen volledig of bijna volledig samenbrengen" (Cass. 24 januari 1983, AR nr. 3690, AC 1982-83, nr. 299).

De positie die uit Uw rechtspraak naar voorkomt is inderdaad deze van een intermediaire positie. Er is niet vereist dat het vermogen van de samenwonenden wordt samengevoegd, maar er moet meer zijn dat het louter gemeenschappelijk gebruiken van badkamer, keuken,... (P. SENAEVE en D. SIMOENS, OCMW-dienstverlening en bestaansminimum, Die Keure, Brugge, 1995, p.120)

Het hoger aangehaalde arrest kwam tot stand onder de oude werkloosheidsbesluit van 1963 en heeft zijn weerslag gehad in de latere reglementering, meer in het bijzonder in het hier ter discussie staande artikel 59, eerst lid Uitvoeringsbesluit Werkloosheid.

Het is natuurlijk evident dat in het licht van de regelgeving waarin deze norm tot stand gekomen is dat het economisch-financiële aspect een rol heeft. Immers het vervangingsinkomen heeft als doel om in het levensonderhoud te voorzien en de omvang ervan wordt vastgesteld ingevolge bepaalde parameters. Eén van deze parameters heeft betrekking op mogelijke kostenverlagende elementen.

Echter in tegenstelling tot het standpunt ingenomen in de voorziening volstaat het niet dat hun financiële en/of materiële tussenkomst een essentieel deel van de huishoudelijke aangelegenheden betreft. Immers hetgeen de samenwoning kenmerkt is dat er een deel van de onafhankelijkheid wordt opgeofferd (J.-F. FUNCK, La situation familiale du chômeur: ses effets sur le droit aux allocations et sur leur montant, in La réglementation du chômage: vingt ans d'application de l'arrêté royal du 25 novembre 1991, Wolters-Kluwer, Waterloo, 2011, p. 212 en M. BONHEURE, "Réfexions sur la notion de cohabitation" JTT, 2000, 493) dus dat er in zekere zin communicerende vaten ontstaan tussen het bestaan van de werkloze en deze van de andere personen met wie hij samenwoont. Het samengaan in de zin van samenwoonst veronderstelt een verregaande vorm van communicatie, interactie tussen de bewoners (M. BONHEURE, o.c., 493).

Het aspect "huishoudelijke aangelegenheden" is dan ook ruimer dan het economisch-financieel voordeel dat gehaald wordt uit de schaalvergroting die het gevolg is van het samenwonen. Het gaat tevens over het gebruik van de gemeenschappelijke delen samen met de andere bewoners, het regelen van gemeenschappelijke aankopen, het intern organiseren van de samenwoonst, ...

Ik meen derhalve dat er sprake is van huishoudelijke aangelegenheden die hoofdzakelijk gemeenschappelijk worden geregeld indien er een economisch-financieel voordeel is voortvloeiend uit de samenwoonst terwijl er tevens een gestructureerd en georganiseerd samenzijn is waardoor de bewoner deelneemt aan een gemeenschappelijk leven.

Op grond van de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat er geen sprake is van een gemeenschappelijk verrichten van huishoudelijke taken en deelname aan huiselijk activiteiten, dus geen gestructureerd en georganiseerd samenzijn.

De appelrechters konden zodoende naar recht oordelen dat er geen sprake is van het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Conclusie: verwerping.
 

Noot: 

J. Werbrouck en E.S. van Aggelen Samenwonen in de werkloosheidsreglementering: van een financiële naar een sociale benadering?, RW 2017-2018, 1452

• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] GILSON, Steve; Note 'Cohabitation/cohousing/cohabitat: s'agit-il d'une cohabitation en matière de chômage?' 2017, n° 597, p. 1.
• Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] VANDERHAEGEN, Ann; Noot 'Cohousing' 2018, nr. 376, p. 115-116.

• Journal des tribunaux [JT] BERNARD, Nicolas; Observations 'La cohabitation (au sens de l'allocation de chômage) requiert davantage qu'un simple partage de toit [...]' 2018, n° 6719, p. 139-142.

• De Juristenkrant MAES, Alexander; Noot 'Ook Cassatie vindt dat werkzoekende cohousers als alleenstaanden beschouwd kunnen worden' 2017, nr. 357, p. 1 en 3.
Koninklijk Besluit / 1991-11-25 / Art. 110, §§ 2 en 3 / / 50  
Ministerieel Besluit / 1991-11-26 / Art. 59, eerste lid / / 30 

• Alexander Maes, "Ook Cassatie vindt dat werkzoekende cohousers als alleenstaanden beschouwd kunnen worden, De Juristenkrant 8 november 2017, pagina 3

• Anne Vanderhaeghen, Cohousing, NJW 2018, p. 116

• Arbrb. Gent (afd. Gent), 1 april 2015, NjW 2018, 119

• Arbh. Gent (afd. Gent) 5 september, 2016, NjW 2018, 117.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 04/05/2018 - 20:53
Laatst aangepast op: vr, 04/05/2018 - 20:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.