-A +A

Wanneer moet de raadkamer buiten vervolging stellen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/10/2018
A.R.: 
AR nr. P.16.0436.N

Bezwaren van schuld zijn omstandigheden die de raadkamer doen besluiten dat  er voldoende objectiveerbare aanwijzingen van schuld bestaan die een bepaalde graad van ernst vertonen om een verwijzing naar het vonnisgerecht te verantwoorden, zonder dat deze op zich reeds een bewijs dienen uit te maken.

• De raadkamer dient de buitenvervolgingstelling uit te spreken wanneer de feiten niet strafbaar zijn of er «generlei bezwaar» bestaat (art. 128 Sv.).
• De kamer van inbeschuldigingstelling dient te besluiten tot niet-vervolging wanneer er tegen de inverdenkinggestelde «geen voldoende bezwaren bestaan» (art. 229 Sv.).

Concreet behelst dit dat de onderzoeksgerechten dienen te onderzoeken of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaar oplevert om de zaak aanhangig te maken bij het bevoegde strafgerecht ten gronde (R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 429 en 447).

Wanneer de raadkamer buiten vervolging heeft gesteld, is bij het instellen van hoger beroep voor de KI vereist dat de kamer van inbeschuldigingstelling indien zij de beslissing van de raadkamer wil hervormen met eenparigheid van stemmen van de drie raadsheren van de kamer van inbeschuldigingstelling, conform art. 211bis Sv. te oordelen dat er wel bezwaren zijn  (Cass. 31 oktober 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 532).

De wet definieert niet wat de term «bezwaar» betekent. Het begrip dient in concreto telkenmale ingevuld door de onderzoeksgerechten die geval per geval aan de hand van de concrete elementen va het strafdossier, hun percepties, hun veronderstellingen en hypotheses dienen te oordelen op onaantastbare wijze of de gegevens in het strafdossier regelmatig zijn en toereikende bezwaren bevatten.

Wanneer de onderzoeksgerechten tot buitenvervolgingstelling dient het onderzoeksgerecht wel de voornaamste redenen aan te geven voor zijn standpunt van onvoldoende bezwaar, zelfs als de burgerlijke partij daarover geen conclusie heeft ingediend (Cass. 12 september 2012, T. Strafr. 2013, 304, noot B. Maes en E. Wellekens; Cass. 10 december 2013, NC 2014, 145; Cass. 1 april 2014, Arr.Cass. 2014, 865, P13.1319N. Zie ook: R. Declercq, o.c., 352).

Volgens sommige rechtsleer wordt aangenomen dat een bezwaar een strengere interpretatie inhoudt dan «ernstige aanwijzingen van schuld», omdat ook buitenvervolgingstelling mogelijk is van een aangehouden beklaagde, maar minder verregaand is dan een bewijs van schuld, dat enkel op een openbare terechtzitting moet worden geleverd (R. Declercq, Onderzoeksgerechten in APR, Antwerpen, Kluwer, 1993, 58). 

Voorwaarde om tot verwijzing over te gaan blijft dat de bezwaren «voldoende ernstig blijken». Aldus mag de raadkamer niet beslissen tot verwijzing om op de overweging van twijfel de verdachte toch maar te verwijzen naar het vonnisgerecht (M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, o.c., 610; R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 684; M.A. Beernaert, H.D. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2014, 844, F. Deruyck, o.c., 174).

Het bestaan van één bewijselement à charge (gegeven andere bewijzen à décharge) of een gering bezwaar, zoals een indirect bewijs of een hypothetisch motief mag niet automatissch resluteren in een verwijzing.

Onderzoeksgerechten dienen alle gegevens in het dossier tegenover elkaar af te wegen en hun beslissing niet te steunen op losse elementen (R. Declercq, Onderzoeksgerechten in APR, 57-58) .

Dienen derhalve te resulteren in een belissing tot buitenvervlogingstelling door de raadkamer

• Een dossier dat duidelijk te licht weegt
• Bezwaren die duidelijk te licht zijn;
• Redelijke twijfel dat een veroordeling weinig waarschijnlijk lijkt

Het kan niet dat bij tijdsgebrek door de raadkamer of door het ingewikkeld karakter van de zaak, de raadkamer verwijst met als impliciete opdracht aan de correctionele rechtbank het dossier verder uit te spitten. Automatische verwijzing, zonder echte toetsing van gegevens, kan niet de bedoeling zijn (M. De Swaef, «De wet van 20 juli 1990 en de rechtsmiddelen bij de regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten» in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys & Breesch, 1994, 177).

Sommige raadkamers geven hebben bij zommigen de perceptie gegeven dat alles wat er binnenkomt verwezen wordt, waarbij kortweg in een boutade wordt gesteld "zelfs de vliegen worden verwezen door de raadkamer".

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
101
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0436.N (voor de volledige tekst van het arrest klik hier)

N.B. e.a. t/ R.G. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 maart 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel van de eiser II

7. Het middel voert schending aan van artt. 127 en 128 Sv.: het arrest stelt de verweerders buiten vervolging, omdat het ten onrechte bezwaren definieert als «het geheel van de in het onderzoek vergaarde gegevens die dermate ernstig zijn dat een veroordeling waarschijnlijk lijkt», terwijl bezwaren moeten worden gedefinieerd als objectiveerbare aanwijzingen van schuld die een bepaalde graad van ernst vertonen en te situeren zijn tussen aanwijzingen en bewijzen; het onderzoeksgerecht heeft zich niet uit te spreken over de waarschijnlijkheid van een veroordeling.

8. Onder bezwaren van schuld die de verwijzing van de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht verantwoorden, worden de gegevens verstaan die, eenmaal ze na afloop van het gerechtelijk onderzoek zijn vergaard en getoetst, voldoende ernstig blijken, zodat een veroordeling waarschijnlijk lijkt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

...

Eerste middel van de eiseres V

15. Het middel voert schending aan van artt. 6 en 13 EVRM: het arrest wijst het verweer van de eiseres V af die had aangevoerd dat er geen volwaardig gerechtelijk onderzoek werd gevoerd en dat haar de toegang tot een rechter werd ontzegd; een slachtoffer kan zich burgerlijke partij stellen; opdat dit rechtsmiddel effectief zou zijn, moet de overheid erover waken dat alle onderzoeksdaden die kunnen leiden tot de waarheidsvinding, worden uitgevoerd; wanneer de eiseres V aanvullende onderzoeken vraagt die kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding, is het noodzakelijk dat het arrest in concreto aangeeft waarom deze overbodig zijn; het arrest wijst evenwel het verzoek van de eiseres V om de verdachten te horen af, zonder concreet onderzoek, alleen omdat een dergelijk verhoor niet verplicht is.

...

17. Het recht op toegang tot de rechter en op daadwerkelijke rechtshulp, vervat in artt. 6 en 13 EVRM, houdt in dat eenieder het recht heeft zijn rechtsmiddelen aan de rechter voor te leggen. Dit recht houdt evenwel niet in dat de rechter een gunstig gevolg moet geven aan de aanspraken van de partijen.Het onderzoeksgerecht belast met de regeling van de rechtspleging, oordeelt onaantastbaar over de volledigheid van het onderzoek en de raadzaamheid, de gepastheid en de noodzaak van een bijkomende onderzoeksmaatregel, zoals het horen van partijen. De enkele omstandigheid dat het de door de burgerlijke partij gevraagde onderzoeksmaatregel niet beveelt omdat het oordeelt dat deze niet van aard is bij te dragen tot de waarheidsvinding, levert geen miskenning op van het recht op toegang tot de rechter en op daadwerkelijke rechtshulp.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

18. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel door het arrest dat de gevraagde onderzoekshandelingen niet nuttig of noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiseres V

19. Het middel voert schending aan van artt. 128 en 229 Sv.: het arrest oordeelt ten onrechte dat er generlei bezwaar bestaat; het komt tot dit besluit omdat het een veroordeling weinig waarschijnlijk acht; dit is niet wat het diende te onderzoeken; het arrest diende na te gaan of er voldoende objectiveerbare aanwijzingen van schuld bestaan die een bepaalde graad van ernst vertonen om een verwijzing naar het vonnisgerecht te verantwoorden.

20. Het middel dat dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de eiser II faalt om de redenen vermeld in antwoord daarop, naar recht.

Noot: 

Beoordeling van bezwaren en volledigheid van het onderzoek op het einde van het gerechtelijk onderzoek, B. De Smet, RW 2017-2018,101

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/09/2017 - 21:06
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 21:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.