-A +A

Waarborgwissel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 04/12/2013

Een waarborgwissel is een wisseltechniek die vooral gebruikt wordt bij verkopen op afbetaling. Het is een wissel getrokken op een koper (of een lener) en door hem geaccepteerd, tot beloop van het totale bedrag dat hij moet afbetalen in schijven.

Er wordt bij de trekking, buiten de wisselbrief om, tussen de trekker en de betrokkene overeengekomen dat de wissel pas ter betaling zal worden aangeboden bij niet-voldoening door de koper van één of meer verschuldigde termijnen (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel I, nr. 52, p. 20).

De derde houder kan bij de verkrijging van de wisselbrief (bv. door endossement) toetreden tot de tussen de trekker en de betrokkene gemaakte overeenkomst waarbij de voorwaarden zijn bedongen voor de uitoefening van de rechten die in de waarborgwissel zijn belichaamd. In dit geval dient de derde houder, die dergelijke bedingen uit de onderliggende overeenkomst tussen de trekker en de acceptant m.b.t. de uitoefening van de wisselrechten heeft aangenomen, de zich daarop gesteunde verweermiddelen te laten tegenwerpen (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel II, nrs. 1432 en 1433, p. 443).

De uit een waarborgwissel ontstane wisselverbintenis blijft formeel wel een abstracte verbintenis. De houder die de wisselbrief overlegt is dus vrijgesteld van iedere andere aanvoerings- en bewijslast dan het overleggen van de als wisselbrief geldige titel waardoor hij formeel als houder gelegitimeerd is en waarin de schuldenaar zich, door zijn handtekening of door die van zijn bevoegde vertegenwoordiger tot betaling verbonden heeft.

Het is dan ook aan de schuldenaar om te bewijzen dat de wisselbrief een waarborgwissel is en de houder zich jegens hem verplicht heeft geen betaling uit die wisselbrief te vorderen zolang hij niet in gebreke is. Ingeval de schuldenaar dit bewijs levert, rust op de houder de bewijslast van de verwezenlijking van de voorwaarden voor de uitoefening van de rechten uit de waarborgwissel (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel II, APR, nr. 1434, p. 444).

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/16
Pagina: 
1155
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.R. / KBC Bank NV)

(Advocaten: Mr. C. Vandermersch en Mr. P. Tanghe)

Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 14 februari 2011 tekende C.R. (verder “R.” genoemd) hoger beroep aan tegen een vonnis op tegenspraak gewezen op 14 december 2010 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, in de zaak met AR nr. A/07/00487 tussen KBC BANK NV (kortweg “KBC”) als oorspronkelijke eiseres en R. als oorspronkelijke verweerder.

De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. Zij verklaarden akkoord te gaan dat alle neergelegde conclusies tot het debat behoren.

Het hof nam kennis van de gerechtsbundels van beide aanleggen en de overgelegde stukkenbundels van partijen.

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd.

I. Antecedenten
1. Met dagvaardingsexploot betekend op 7 november 1997 vorderde de (voormalige) Kredietbank NV de veroordeling van R. tot betaling van de som van 555.185 BEF, meer de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet op 500.000 BEF vanaf 1 oktober 1997 en de gerechtelijke interesten tot de dag der volledige betaling. Zij vorderde eveneens de veroordeling van R. tot de kosten van het geding en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Hiermee beoogde KBC als houder betaling te bekomen van twee wisselbrieven van elk 250.000 BEF door (…) handel drijvende onder de benaming (…) getrokken op en geaccepteerd door R. en verdisconteerd aan KBC. De wisselbrieven werden uitgeschreven op 20 november 1995 en 30 november 1995 en hadden als vervaldag respectievelijk 10 april 1996 en 15 mei 1996.

Het gevorderde bedrag is samengesteld als volgt:

• wisselbrief met vervaldag 10 april 1996:

- hoofdsom    250.000 BEF
- protestkosten    1.773 BEF
- verwijlinteresten tot 30 september 1997    26.774 BEF
   totaal    278.547 BEF

• wisselbrief met vervaldag 15 mei 1996:

- hoofdsom    250.000 BEF
- protestkosten    1.782 BEF
- verwijlinteresten tot 30 september 1997    24.856 BEF
   totaal    276.638 BEF

Bij afzonderlijke aangetekende brieven van 29 september 1997 stelde KBC R. in gebreke om de openstaande bedragen van de kredietbrieven te betalen. Directe aanleiding daartoe was het faillissement van (…) uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, op 27 augustus 1996, tevens de datum waarop KBC de kredieten van (…) opzegde, nadat zij deze reeds op 15 mei 1996 had geschorst ingevolge permanente overschrijdingen.

R. betwistte tot betaling gehouden te zijn en schreef op 1 oktober 1997 aan KBC o.m.: “Deze wissel werd reeds geprotesteerd en ingetrokken door (…) zaakvoerder van (…) op datum van augustus 1996. Waarvan mijn schrijven naar de BVK en hun antwoord een bewijs zijn. (…) heeft een verklaring opgesteld en ondertekend dat de wissel (… onleesbaar) vereffend werd en dat ik bijgevolg geen openstaande rekeningen meer heb bij (…).” Gezegde brief aan en gezegd antwoord van BVK werden bij dit schrijven gevoegd.

Er volgde een tweede aangetekende ingebrekestelling op 2 oktober 1997, ditmaal van de raadsman van KBC, waarna, ingevolge het uitblijven van betaling, KBC overging tot dagvaarding van R. voor de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge.

2. Ingevolge een strafklacht met burgerlijke partijstelling door R. op 25 november 1997 ingediend tegen (…) en “de verantwoordelijken van de NV Kredietbank, Filiaal Sint-Andries” bij de onderzoeksrechter te Brugge, werd bij tussenvonnis d.d. 26 maart 1998 de procedure geschorst.

3. Het gerechtelijk onderzoek resulteerde in een buitenvervolgingstelling van de verantwoordelijken van de NV Kredietbank (meer bepaald dhr. J.L., voormalig kantoordirecteur van het toenmalig KB-filiaal Sint-Andries Brugge) en een verwijzing naar de correctionele rechtbank van (…) een en ander bij beschikking d.d. 26 maart 2003 van de raadkamer te Brugge, zodat onderhavige procedure kon verder gezet worden.

(…)

II. Beoordeling
(…)

2. Ten gronde
2.1. R. stelt dat de wisselbrieven in kwestie loutere waarborgwissels waren meer bepaald tot waarborg voor de goederen die door (…) bij hem in consignatie werden gegeven met het oog op verkoop.

Hij zet dit verband uiteen dat hij destijds goederen van (…) (fitnesstoestellen, sportvoeding, e.d.) verkocht en dat (…) deze goederen bij hem afzette om deze te verkopen.

De goederen die hij (R.) kon verkopen, werden hem naderhand door (…) gefactureerd en door hem (R.) betaald per cheque of in contanten. De niet verkochte in consignatie gegeven goederen werden aan (…) teruggegeven. Voor de bij R. in bewaring gegeven goederen werden door (…) wisselbrieven uitgegeven en getrokken op R. die deze accepteerde. Het probleem met de twee wisselbrieven in kwestie was, althans volgens R., dat hoewel hij de goederen, waarop deze wissels betrekking hebben, aan (…) had teruggegeven, deze de in zijn bezit zijnde wisselbrieven niet teruggaf maar verdisconteerde aan de bank.

Een waarborgwissel is een wisseltechniek die vooral gebruikt wordt bij verkopen op afbetaling. Het is een wissel getrokken op een koper (of een lener) en door hem geaccepteerd, tot beloop van het totale bedrag dat hij moet afbetalen in schijven. Er wordt bij de trekking, buiten de wisselbrief om, tussen de trekker en de betrokkene overeengekomen dat de wissel pas ter betaling zal worden aangeboden bij niet-voldoening door de koper van één of meer verschuldigde termijnen (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel I, nr. 52, p. 20).

De derde houder kan bij de verkrijging van de wisselbrief (bv. door endossement) toetreden tot de tussen de trekker en de betrokkene gemaakte overeenkomst waarbij de voorwaarden zijn bedongen voor de uitoefening van de rechten die in de waarborgwissel zijn belichaamd. In dit geval dient de derde houder, die dergelijke bedingen uit de onderliggende overeenkomst tussen de trekker en de acceptant m.b.t. de uitoefening van de wisselrechten heeft aangenomen, de zich daarop gesteunde verweermiddelen te laten tegenwerpen (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel II, nrs. 1432 en 1433, p. 443).

De uit een waarborgwissel ontstane wisselverbintenis blijft formeel wel een abstracte verbintenis. De houder die de wisselbrief overlegt is dus vrijgesteld van iedere andere aanvoerings- en bewijslast dan het overleggen van de als wisselbrief geldige titel waardoor hij formeel als houder gelegitimeerd is en waarin de schuldenaar zich, door zijn handtekening of door die van zijn bevoegde vertegenwoordiger tot betaling verbonden heeft.

Het is dan ook aan de schuldenaar om te bewijzen dat de wisselbrief een waarborgwissel is en de houder zich jegens hem verplicht heeft geen betaling uit die wisselbrief te vorderen zolang hij niet in gebreke is. Ingeval de schuldenaar dit bewijs levert, rust op de houder de bewijslast van de verwezenlijking van de voorwaarden voor de uitoefening van de rechten uit de waarborgwissel (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel II, APR, nr. 1434, p. 444).

Wanneer R. beweert dat de wisselbrieven in kwestie waarborgwissels zijn, dient hij te bewijzen (1) dat dit zo is, (2) dat (…) zich tegenover hem ertoe verbonden heeft geen betaling uit de wisselbrieven te vorderen zolang hij (R.) niet in gebreke was, (3) dat KBC als derde houder deze afspraken is bijgetreden bij de verkrijging van de wisselbrieven.

R. baseert zich op een aantal schriftelijke verklaringen van (…) tijdens het strafonderzoek en op diens schriftelijke verklaringen van 30 juni 1996 opgemaakt naar aanleiding van het aantekenen van het protest tegen de wisselbrieven.

De verklaring van (…) tijdens het strafonderzoek luidde o.m. als volgt:

“Wat het geval R. betreft is het zo dat hij uiteindelijk aan mij geen schuld meer had. De goederen die R. kon verkopen werden hem gefactureerd en hij heeft deze aan mij betaald per cheque of in contanten. De goederen die hij niet heeft kunnen verkopen en het voorwerp uitmaken van wissels, heeft hij aan mij teruggegeven.”

Diens schriftelijke verklaringen d.d. 30 juni 1996 zijn de volgende:

“Ik die teken, (…) zaakvoerder en eigenaar van (…) met gegevens volgens briefhoofding, verklaar hierbij dat de geprotesteerde wissel van 12 april 96 en groot 250.000 BEF (…) op naam van de heer C.R., wonende (…), vereffend werd door teruggave van de goederen; voornoemde heeft dus géén openstaande rekening meer.”

Een identieke verklaring werd opgesteld met betrekking tot de geprotesteerde wissel van 15 mei 96 (vervaldag).

Deze verklaringen van (…) lijken evenwel niet te kloppen met de gegevens vermeld op de wisselbrieven zelf: zo werd op de wisselbrief met vervaldag 10 april 1996 naast de getypte tekst “Waarde getrokken in vertegenwoordiging van (aard en hoeveelheid) volgens factu(u)r(en) nr(s)” handgeschreven toegevoegd “sportvoeding incl. 6%” fact. 330/95” en naast dezelfde getypte tekst op de wisselbrief met vervaldag 15 mei 1996 de vermelding “sportvoed (? moeilijk leesbaar) 6% BTW fact. 350/95”. Dit doet vermoeden dat de wissels niet werden uitgeschreven als waarborg voor bij R. in consignatie gegeven goederen, maar ter betaling van de erop vermelde facturen.

Daarenboven verdisconteerde (…) in het verleden regelmatig wissels die hij getrokken had op R. (zie stuk 8 bundel KBC), zonder dat blijkt dat dit waarborgwissels waren of dat zich hieronder waarborgwissels bevonden. Als de wisselbrieven al dienden tot waarborg voor de bij R. opgeslagen goederen - wat, zoals gezegd, niet bewezen wordt -, dan nog kon KBC uit het wisselverkeer tussen (…) en R. niet zomaar afleiden dat de wisselbrieven in kwestie waarborgwissels waren. Deze bewering van R. vindt geen steun in de voorliggende overtuigingsstukken.

Daarnaast bewijst R. niet dat er met betrekking tot de twee wisselbrieven in kwestie tussen hem en (…) afspraken waren gemaakt om deze niet te verdisconteren. Doch zelfs wanneer er wel afspraken zouden bestaan hebben, bewijst R. al evenmin dat KBC deze gebeurlijke afspraken zou hebben overgenomen en aanvaard bij de verkrijging van de wisselbrieven.

R. slaagt bijgevolg niet in de op hem rustende cumulatieve bewijslast ten aanzien van KBC, zodat zijn verweer, zoals gebaseerd op het waarborgkarakter van de wissels, niet kan weerhouden worden.

2.2. Het abstract karakter van de wisselbrief brengt mee dat KBC, wiens houderschap niet wordt betwist, geen verdere bewijslast draagt dan het voorleggen van de wisselbrieven. Dit abstract karakter, hoewel als zodanig niet expliciet verankerd in de wet op de wisselbrief, is de uiting van de onvoorwaardelijkheid van de wisselbrief. Overeenkomstig artikel 1, 2° van de wet op de wisselbrief (“wisselwet”) behelst de wisselbrief immers een onvoorwaardelijke betalingsopdracht die als zelfstandige verbintenis op zich zelf voldoende grondslag of procesrechtelijke oorzaak is voor de vordering tot betaling van de wisselbrief (vgl. J. Ronse, Wisselbrief en orderbriefje, Deel I, nr. 1319, p. 394). De wisselbrief is m.a.w. een zelfstandige titel van schuldvordering die aan de houder op de vervaldag een onvoorwaardelijk recht op betaling verleent voor een bepaalde som (vgl. Cass. 22 januari 1970, RW 1969-70, 1471).

2.2.1. Krachtens het beginsel van de niet-tegenstelbaarheid van de excepties (art. 17 wisselwet) kunnen zij die uit hoofde van de wisselbrief aangesproken worden, de verweermiddelen gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders van de wisselbrief in beginsel niet aan de houder tegenwerpen. R. kan bijgevolg als acceptant en schuldenaar aan KBC als houder geen verweermiddelen tegenwerpen die gegrond zijn op zijn persoonlijke rechtsverhouding met (…). Evenmin kan de acceptant de niet-wisselrechtelijke verweermiddelen, waarover hij tegenover de houder beschikt, aan deze laatste tegenwerpen.

Dit betekent dat het verweer van R. gebaseerd op de (beweerde) teruggave van de geconsigneerde goederen aan (…) waardoor de schuld van R. ten aanzien van (…) zou vereffend zijn, niet aan KBC kan tegengeworpen worden.

2.2.2. Krachtens artikel 17 in fine wisselwet kunnen zij die uit hoofde van de wisselbrief worden aangesproken, de verweermiddelen gegrond op hun persoonlijke verhoudingen tot de trekker of tot vroegere houders aan de houder wel tegenwerpen ingeval laatstgenoemde bewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld. Dit veronderstelt twee cumulatieve elementen in hoofde van de houder bij de verkrijging van de wisselbrief: kennis van het verweermiddel en kennis van het bijzonder nadeel dat de schuldenaar van het waardepapier zal oplopen, omdat hij het verweermiddel niet tegen de trekker kan uitoefenen. Weliswaar volstaat grove nalatigheid van de houder niet om aan de acceptant het voordeel van de niet-tegenstelbaarheid van de verweermiddelen te ontzeggen (vgl. Y. Moreau en P. Geortay, “Overzicht van rechtspraak. Wisselbrieven en orderbriefjes (1981-1998)”, TBH, 2001-4, randnr. 82, p. 20).

Het hof stelt vast dat R. zich ten aanzien van KBC niet beroept op de bijzondere quasi-delictuele fout van artikel 17 in fine wisselwet ( lex specialis), maar enkel op een gemeenrechtelijke quasi-delictuele fout in de zin van de artikelen 1382-1383 BW. Deze aansprakelijkheid ( lex generalis) blijft gelden, zelfs wanneer een fout in de zin van artikel 17 in fine niet voorhanden of niet bewezen is. Een fout in de zin van de artikelen 1382-1383 BW in hoofde van de houder kan zodoende door de betrokkene aan deze laatste als verweermiddel tegengeworpen worden.

2.2.2.1. In eerste instantie verwijt R. aan KBC dat zij reeds sedert begin 1995 op de hoogte was van de door (…) gepleegde malversaties en wisselruiterij (=geldcreatie zonder levering van goederen of diensten) maar hiertegen geen actie ondernam en integendeel, met kennis van zaken, toeliet dat (…) verder zijn gang ging.

Dit verweer wordt evenmin bijgetreden.

Als (…) zich sedert begin 1995 schuldig zou hebben gemaakt aan wisselruiterij, wat overigens aan de hand van de voorliggende stukken niet met zekerheid kan aangetoond worden, dan betekent dit nog niet dat KBC hieraan haar medewerking heeft verleend en dit heeft toegedekt.

Het rapport van dhr. F.V.T. d.d. 17 februari 1995 noch het verslag van dhr. J.D. d.d. 9 februari 1996 laten een dergelijk besluit toe.

(…)

2.2.3.2. R. verwijst verder naar een aantal verklaringen van (…) tijdens het strafonderzoek om de indruk te wekken dat KBC zich de onbetaalde wissels zou hebben laten uitbetalen via de rekening-courant van (…) doch ook hieromtrent faalt R. in de op hem rustende bewijslast.

Het is juist dat (…) tijdens het strafonderzoek een aantal verklaringen aflegde waarin hij beweert dat KBC ten onrechte de wisselschuldenaars aanspreekt “alhoewel zij reeds via mijn bankkredieten deze bedragen hebben verrekend”. Hij verklaart ook: “Mijn inziens had de bank achteraf niet het recht om de wissels van R. aan te bieden, gezien de bank bij de vervaldag van de wissels het geld van mijn rekening heeft afgenomen of minstens in mindering heeft gebracht op mijn kaskrediet.” (zie stuk C 2 bundel R.).

Doch KBC heeft deze bewering weerlegd in haar brief d.d. 15 januari 2001 aan de onderzoeksrechter die met het gerechtelijk onderzoek naar de praktijken van (…) belast was, en wel als volgt: (stuk C 6b bundel R.):

“De cliënt beschikte enerzijds over een krediet van 9.000.000 BEF, waaronder bankaccepten en een kaskrediet beperkt tot 4.000.000 BEF. De onbetaald gebleven wissels in disconto worden op een subrekening van dit kaskrediet geboekt. Deze subrekening vormt samen met de gewone rekening-courant de totale opname van het krediet.

Uit de tabel in bijlage blijkt duidelijk dat op datum van het debiteren van de onbetaald gebleven wissels (kolom datum debet) er onvoldoende provisie was (kolom totale opname). In sommige gevallen was er op de gewone rekening-courant wel een marge, maar in totaliteit helemaal niet. Bijvoorbeeld in het geval van de heer R., een wissel van 250.000 BEF met vervaldag 10 april, protest 15 april, debitering 19 april: op de gewone rekening-courant (DT-saldo r/c 000 D-1) is het saldo 3.732, maar in totaal (laatste kolom) bedroeg het saldo 6.209.”

(…)

Aangezien de onbetaalde wissels in kwestie niet werden overgeboekt op de rekening-courant van (…) maar los geboekt bleven op de aparte subrekening 99/601, is er geen sprake van een betaling van de wissels via boeking op de rekening-courant.

Dit verweer van R. faalt dus evenzeer.

Op grond van alle voorgaande overwegingen en vaststellingen komt het hoger beroep van R. ongegrond voor.

(…)

OP DEZE GRONDEN

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de navolgende mate, met afwijzing van het meer gevorderde als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in de mate waarin wordt beslist over de schorsing van de loop van de gerechtelijke interesten gedurende de periode van 1 april 2008 tot 7 mei 2010 en over de gedingkosten.

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw wijzende:

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en grotendeels gegrond, met afwijzing van het meer gevorderde als ongegrond.

Veroordeelt C.R. tot betaling aan de NV KBC Bank van de som van 13.760,20 EUR, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet op 12.394,68 EUR vanaf 1 oktober 1997 tot 6 november 1997 en met de gerechtelijke interesten vanaf 7 november 1997, mits schorsing van de interesten gedurende de periode van 1 april 2008 tot 7 mei 2010.

Veroordeelt C.R. en de NV KBC Bank tot respectievelijk 9/10 en 1/10 van de gedingkosten van het hoger beroep.

Begroot deze kosten als volgt:

- aan de zijde van C.R.:

rolrecht hoger beroep: 186 EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.210 EUR

- aan de zijde van de NV KBC Bank:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.210 EUR

Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 09:18
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 09:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.