-A +A

VZW die kosteloos palliatieve zorgen en diensten versrekt is een onderneming

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 27/04/2015

Een vzw met een doel dat niet winstgevend is, zoals een cultureel doel, bevordering van de jongerencultuur, een louter artistiek doen is geen onderneming in de zin van artikel 573 lid één Gerechtelijk Wetboek.

Let wel, sommige VZW's zijn wel ondernemingen, zoals bv. hospitalen, zie noot onder deze uitspraak

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
640
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Verwerende partij is een vzw. Met betrekking tot het maatschappelijk doel stellen de statuten onder artikel 2.1: “Doel. De vzw heeft tot doel meer kleur te brengen in de jongerencultuur van de gemeente, dit zowel door het uitgaansleven als andere animatie.

Met betrekking tot de activiteiten stellen de statuten onder artikel 2.2:
“Activiteiten. Tot de concrete activiteiten waarmee deze doeleinden van de vzw worden verwezenlijkt, behoren onder meer:
• organiseren van openbare danspartijen
• organiseren van culturele evenementen
• daarnaast kan de vzw alle activiteiten ontplooien die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële en niet winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet winstgevende doelstellingen.
Het doel en de aard van de activiteiten zijn dus duidelijk niet winstgevend.

Bovendien volgt uiteraard zelf van de rechtspersoonlijkheid die verwerende partij heeft aangenomen dat zij geen winst beoogt. Bijgevolg is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 573 gerechtelijk werd wat de bevoegdheid betreft en is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om kennis te nemen van betwistingen met betrekking tot deze vzw.

Zie ook rechtbank Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) 27 april 2015 NJW 2016,640
 

Noot: 

VZW die palliatieve zorgen verstrekt is een onderneming, Rb. Eerste Aanlag Oost-Vlaanderen-Afdeling Gent, 27 april 2015, NJW 2016, 640

 

Vzw palliatieve thuiszorg Gent Eeklo, eiseres

tegen

ADG verweerder

[…]

II Feiten en vordering

De eiseres is een vereniging zonder winstoogmerk. Zij runt een multidisciplinaire begeleidingéqupe die instaat voor de begeleiding van palliatieve patiënten die thuis verblijven, meer bepaald door het bieden van advies en ondersteuning aan andere zorgverstrekkers.

Zoals de andere bestaande palliatieve thuiszorgequipes die ressorteren onder een van de 15 regionale samenwerkingsverbanden inzake palliatieve zorg, wordt de eiseres in hoofdzaak gesubsidieerd door de bevoegde overheid.

Daarnaast is de eiseres voor de financiering van haar werking ook afhankelijk van giften (schenkingen en legaten).

De schenkingen aan de eiseres zijn voor de schenkers in principe fiscaal aftrekbaar, daartoe dient de eiseres evenwel een (periodiek hernieuwbare) erkenning te bekomen van de FOD financiën, die telkens geldig is voor een periode van drie jaar.

De verweerster is de gewezen accountant van de eiseres. Naar eigen zeggen heeft de eiseres in het verleden op de verweerster ook een beroep gedaan om voor haar het fiscaal erkenningsdossier te beheren en de nodige aanvragen te doen.

De eiseres voert aan dat de verweerder zich niet (behoorlijk) van deze opdracht heeft gekweten, want sinds 2012 bleek zijn geen erkenning meer te hebben voor het afleveren van fiscale attesten voor de aftrek van giften.

[…]

3. Volgens de termen van zijn synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 27 februari 2015, vraagt de verweerder van zijn kant de rechtbank in eerste plaats om zich (materieel) onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, nu het om een geschil tussen ondernemingen gaat. […]

III Beoordeling

In principe neemt de rechtbank van eerste aanlegkennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep in het Hof van Cassatie komen (zie artikel 568, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). Dit noemt men de zogenaamde volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.

Het is echter de rechtbank van koophandel die in eerste aanleg kennis neemt van (onder meer) de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking heeft op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doen en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen (zie artikel 573, eerste lid, ten eerste Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel twee wet 26 maart 2014 tot wijziging van het gerechtelijk wet en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij andere stand is met het oog op de toekenning van de bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies (hierna de wet natuurlijke rechter) inwerkinggetreden op 1 juli 2014 (zie artikel 17)).

Het begrip onderneming is evenwel niet eenduidig. Aan de suggestie van de Raad van State (in zijn advies bij het voorontwerp van wet dat geleid heeft tot de voormelde wet natuurlijke rechter) om, ter wille van de rechtszekerheid, aan dit begrip een meer uniforme en ondubbelzinnige invulling te geven (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14, nummer 53-3076/1, pagina 22 - 26) werd door de wetgever geen gevolgen verleend (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14 nummer 53-307611, pagina 13).

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet natuurlijke rechter valt niettemin af te leiden dat het hier bedoelde conceptonderneming voortbouwt op het begrip onderneming uit de toenmalige wet marktpraktijken derhalve hoofdzakelijk is gesteund op het duurzaam nastreven van een economisch doen, wat ruimer is dan het vroegere criterium “winstbejag” en op die manier beter aansluit bij het begrip onderneming zoals dat zowel in het nationaal recht als in het recht van de Europese Unie bestaat (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14 nummer 53-3076/1 pagina 7-8 en nummer 53-3076/4, pagina vijf)..

Het gaat om een nieuw centraal begrip in het economisch recht dat overeenstemt met de definitie van artikel I. 1 van het (recent ingevoerde) wetboek van economisch recht (zie parlementaire stukken 2013 - 14, nummer 53-3076/4 pagina 14).

Volgens de algemene definities van het wetboek van economisch recht is een onderneming (inderdaad) elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen (zie artikel I,1.1° wetboek economisch recht).

Die definitie is rechtstreeks ontleend aan deze van artikel 2.1° van de (toenmalige) wet marktpraktijken (zie parlementaire stukken 2012-2 1013 nummer 53-2836/1, pagina vijf), die een onderneming eveneens omschrijft als: elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft alsmede zijn verenigingen (zie artikel 2,1° wet marktpraktijk een).

Uit de parlementaire voorbereiding van die laatste wetten volgt dat een onderneming moet worden begrepen als een zelfstandige en duurzame organisatie waarbinnen een of meerdere personen met behulp van de materiële en immateriële middelen, goederen of diensten produceren of verdelen, zodat als criterium voor het bestaan van een “onderneming” uitsluitend de aard van de activiteit geldt, waarmee de wetgever overigens uitdrukkelijk wilde aansluiten bij recente cassatieuitspraak over het (oude) begrip “verkoper” (zie parlementaire stukken 2009-2010, nummer 52-2340/1, pagina 12 - 13 en parlementaire stukkenkamer 2012-2013, nummer 53-2836/1, pagina vijf).

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarnaar de wetgever destijds expliciet verwees, iemand die een dienst te koop aanbiedt of verkoopt niet te handelen met winstoogmerk om te kunnen worden beschouwd als verkoper in de zin van de toenmalige handelspraktijkenwet, maar is de aard zelf van de activiteit of gestelde handeling ter zake determineren, en dit zelfs ongeacht of er een tegenprestatie verschuldigd is door degene aan wie de dienst ten goede komt, zodat ook iemand die gratis diensten aanbiedt onder de definitie van een verkoper kan vallen (zie onder meer cassatie 13 september 2002, A.C. 2002, nummer 449).

Bij de invoering van de wet natuurlijke rechter zocht de wetgever ook nadrukkelijk aansluiting bij het begrip onderneming uit het Europees recht (zie hoger). Volgens het Europees Hof van Justitie is een “onderneming” elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, waarbij onder “economische activiteit” moet worden verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt (zie onder meer: of van Justitie 19 februari 2002, C-309199, Wouters en andere op curia.be).

Actoren uit de zogenaamde social profit sector, zoals ziekenhuizen, zullen derhalve meestal onder het begrip “onderneming” en (dus) voortaan onder de algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel vallen. Ook ziekenhuizen streven immers op een duurzame wijze een economisch doel na, zij het vaak ter ondersteuning van hun principiële altruïstische doelstellingen (zie onder meer: Allemeersch en T. Reingraber, “de bevoegdheidherverdeling” in B Allemeersch, P. Taelman e.a. (eds), Nieuwe Justitie, Antwerpen, Intersentia, 2014, pagina (47) 66, nummer 30). Dat zulke actoren in hoofdzaak of zelfs uitsluitend zijn aangewezen op fondsen van overheidswege om hun werking te financieren, verandert daaraan niets.

2. Uit dit alles volgt dat ook de eiseres wel degelijk kan/moet worden opgevat als een onderneming in de zin van artikel 573 eerste lid,1° (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek. Ook de eiseres is immers een (rechts)persoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft in de zin van diezelfde wetsbepaling.

De eiseres levert een aanvullende bijdrage in de ondersteuning en palliatieve verzorging van terminale patiënten die hun laatste levensfase thuis willen doorbrengen en thuis willen sterven, teneinde deze verzorging in het thuismilieu dezelfde kwaliteitsgaranties te geven als de verzorging van zulke patiënten bij opname in het ziekenhuis. Meer bepaald levert de eiseres deze aanvullende bijdrage door het geven van adviezen over palliatieve verzorging aan de zorgverstrekkers van de eerste lijnen, ondergeschikt, ook effectieve ondersteuning aan de patiënt zelf en die andere zorgverstrekkers.

Op die manier biedt de eiseres onmiskenbaar diensten aan op een bepaalde markt, namelijk de markt van de palliatieve thuiszorg-en ontplooit zij, anders dan op het eerste gezicht mag lijken, wel degelijk economische activiteiten.

Dat de eiseres de rechtsvorm heeft van een vereniging zonder winstoogmerk en (dus) geen winst nastreeft met haar activiteiten, doet daaraan geen afbreuk.

Zelfs het feit dat de eiseres voor haar tussenkomsten geen enkele vergoeding mag aanrekenen, noch aan de betrokken zorgverstrekkers, noch aan de patiënt zelf of zijn omgeving, met andere woorden haar diensten gratis aanbiedt, verandert daaraan niets.

Wat telt, is, dat de eiseres diensten aanbiedt op een bepaalde markt (zie hoger)-en derhalve economisch actief is. De uitgebreide overeenkomst die de eiseres op 27 januari 2011 een gesloten met het RIZIV (die ook voor haar tal van rechten en verplichtingen bevat), toont dit overigens op zich reeds aan.

De wijze waarop de eiseres haar werking financiert, met name niet door middel van rechtstreekse tegenprestaties vanwege de ontvangers van de door haar verstrekte diensten, maar wel door subsidies van overheidswege (die weliswaar gelimiteerd zijn, maar blijkbaar worden aangevuld met particuliere giften), is daarbij niet relevant.

Ook het feit dat de eiseres haar activiteiten slechts kan/mag ontplooien binnen een specifiek en vrij strikt wettelijk en reglementair kader (onder meer in een welbepaalde geografische sector, zodat ook elke concurrentie uitgesloten is), maakt geen verschil: die activiteiten zijn en blijven hoe dan ook economisch van aard (zie hoger).

Samen met de eiseres wil de rechtbank gerust aannemen dat de “de echte vzw’s”(sic), dit wil zeggen de vzw’s die niet actief op de markt opereren en geen rentabiliteit van de uitgeoefende activiteit (mogen) ogen maar alleen maatschappelijke waarden ter har te willen nemen, geen ondernemingen zijn.

Maar anders dan zijzelf willen (doen) geloven is de eiseres niet zo een “echte vzw’s”. De eiseres behartigt immers niet alleen maatschappelijke waarden, maar biedt ook diverse diensten aan op een bepaalde markt, namelijk de markt van de palliatieve thuiszorg

Als zodanig is de eiseres wel degelijk een onderneming-ook al heeft zij geen winstoogmerk en stelt ze haar diensten gratis ter beschikking aan wie daarvan gebruik wenst te maken.

Dat de eiseres blijkbaar ook ingeschreven is in de kruispuntbank van ondernemingen (onder het nummer 0439.787.706), is op zichzelf weliswaar niet doorslaggevend-maar wel indicatief. Wie vaststelling bevestigt alleen maar de juistheid van de bovenstaande analyse. Ook het feit dat de eiseres in het verleden blijkbaar een beroep heeft gedaan (en nog steeds doet?) .

Op een accountant (met name de verweerder, althans tot voor kort) om haar boekhoudkundige en fiscale verplichtingen te vervullen, is evenmin determinerend-maar zet de kwalificatie van de eiseres als onderneming (die op duurzame wijze “economische activiteiten” ontplooit nogmaals graag bij.

3. Samen met de verweerder dient de rechtbank dan ook te besluiten dat de eiseres wel degelijk op duurzame wijze een economisch doel nastreeft en (dus) kan/moet worden beschouwd als een onderneming in de zin van artikel 573 eerste lid,,1° (nieuw) van het gerechtelijk wetboek.

Ook de verweerder is, als accountant een onderneming in de zin van de voormelde wetsbepaling (niet betwist). Het huidige geschil heeft bovendien betrekking op een (beweerde) handeling die de verweerder heeft verricht in het kader van de verwezenlijking van zijn economisch doel.

In de gegeven omstandigheden is (inderdaad) de rechtbank van koophandel materieel bevoegd om kennis te nemen van dit geschil. De door de verweerder opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is derhalve gegrond. De rechtbank die de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, die de vordering te gronde zal beoordelen en zich vervolgens ook zal uitspreken over de gerechtskosten (zie artikel 660 gerechtelijk met).

Op deze gronden,
de rechtbank,

[…]

Verklaart zich materieel om bevoegd om kennis te nemen van de huidige vordering van de vzw palliatieve zorgen Gent Eeklo tegen ADG;

verwijst de zaak naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, die over deze vordering zal oordelen, inclusief over de kosten

Noot: Claudia Van Severen, het ondernemingsbegrip als aanknopingspunt van de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, NJW 2016 pagina 642

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 05/12/2016 - 12:53
Laatst aangepast op: ma, 05/12/2016 - 12:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.