-A +A

Vrijwillige onverdeeldheid en vordering tot uitonverdeeldheidtreding van gekruist vruchtgebruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 22/10/2015
A.R.: 
C.08.0018.F

Samenwonenden gaan soms mbt de woning over tot een constructie van vrijwillige onverdeeldheid van de naakte eigendom met gekruist vruchtgebruik. De bedoeling hiervan (oorzaak) is het instandhouden van de samenwooning. Indien de samenwoning beëindigd iskan ondanks art. 1134 en 617 BW de uitonverdeeldheid worden gevorderd.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/15
Pagina: 
1103
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen
1. De partijen zijn gewezen feitelijk samenwonende partners.

De relatie is begin 2012 ten einde gelopen.

2. De partijen hebben gedurende hun relatie, middels een notariële akte van 28 oktober 1998, een woning te M. aangekocht. De prijs bedroeg 3.750.000 BEF (thans: 92.960,07 EUR), waarin een voorschot ten bedrage van 425.000 BEF (thans: 10.535,47 EUR) is begrepen.

Blijkens voormelde akte kopen de partijen elk ten belope van een onverdeelde helft, terwijl (1) M.N. de ene helft in naakte eigendom verwerft en de andere helft in vruchtgebruik en (2) D.G. de andere helft in naakte eigendom verwerft en de ene helft in vruchtgebruik. Het betreft een zogeheten clausule van gekruist vruchtgebruik (W. Pintens et al., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 1263, nr. 2486).

De aankoop gebeurt mede (1) middels financiering en (2) beweerdelijk middels inbreng door M.N. van eigen gelden ingevolge de verkoop van een eigen woning te B. Omtrent de concrete draagwijdte van een en ander is er discussie.

3. Of er, benevens de woning te M., tussen de partijen nog substantiële onverdeelde lichamelijke elementen te verdelen zijn, is onduidelijk. Of de partijen reeds in der minne zijn overgegaan tot verdeling van de inboedel, is eveneens onduidelijk.

Verder rijst tot op heden discussie omtrent gebeurlijke vorderingen die de partijen ten aanzien van elkaar hebben inzonderheid omwille van (1) de beweerde meer­inbreng door M.N. en de mate waarin die meerinbreng al dan niet de lasten van de gewezen feitelijke samenwoning zou hebben overstegen, (2) de woonstvergoeding die M.N. moet voldoen aangezien hij de woning exclusief gebruikt/bewoont sinds het vertrek van D.G. op 5 januari 2012 en de aldus ingetreden feitelijke scheiding en (3) de recuperatie door M.N. van gebeurlijk met betrekking tot de woning exclusief gedragen lasten.

II. Beroepen vonnis
1. Bij dagvaarding van 25 juni 2012 initieert D.G. onderhavige procedure.

Zij vordert verder bij conclusie en met verder voorbehoud (1) de uitonverdeeldheidtreding met betrekking tot de onverdeelde elementen, inzonderheid de woning te M., (2) de gerechtelijke vereffening-verdeling van die onverdeelde elementen (artt. 1207 e.v. Ger.W.), na de openbare verkoop van de woning te M., aangezien een verdeling in natura niet mogelijk is en (3) een provisie ten bedrage van 5.000 EUR meer interesten op de woonstvergoeding ten laste van M.N.

D.G. stelt centraal dat de gezamenlijke aankoop van de woning te M.N. weliswaar kadert binnen een conventionele onverdeeldheid, maar dat de grondslag waarop de onverdeeldheid teruggaat en meer precies de feitelijke samenwoningsrelatie is teloor gegaan, derwijze dat zij de uitonverdeeldheidtreding kan nastreven. De aankoopakte voorziet niet in een specifieke regeling qua duurtijd en/of opzegging/beëindiging van de bedoelde onverdeeldheid.

In die optiek wil D.G. doen zeggen voor recht dat artikel 1134 BW, waarop M.N. zich beroept tot handhaving van de onverdeeldheid, in casu niet als dusdanig speelt.

(…)

2. M.N. neemt conclusie tot afwijzing van de vordering van D.G. (…).

3. Bij voorlopig uitvoerbaar vonnis van 23 mei 2013 (…) gaat (…) de rechtbank van eerste aanleg te Brugge in op de punten van de vordering van D.G. tot (1) uitonverdeeldheidtreding met betrekking tot de onverdeelde elementen, inzonderheid de woning te M. en (2) gerechtelijke vereffening-verdeling van die onverdeelde elementen (artt. 1207 et seq. Ger.W.), met aanwijzing van notaris M. als notaris-vereffenaar in de zin van artikel 1210, § 1 BW.

(…)

Daar waar D.G. de openbare verkoop van de woning te M. nastreeft, acht de rechtbank haar vordering, bij gebrek aan akkoord van M.N. (art. 1209, § 3 Ger.W.), voorbarig.

De overige punten van de vordering van D.G. (ver)wijst de rechtbank hetzij af hetzij door naar de notaris-vereffenaar.

(…)

III. Hogere beroepen
1. Bij verzoekschrift van 26 juli 2013 stelt M.N. hoger beroep in tegen het vonnis van 23 mei 2013.

Met zijn hoger beroep beoogt M.N., met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van de vordering van D.G. (…).

2. D.G. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (…) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met verder voorbehoud.

(…)

IV. Beoordeling
(…)

3. Ten gronde is het hof in de lijn van de redengeving in het beroepen vonnis van oordeel dat:

artikel 815, eerste lid BW niet (zonder meer) kan dienen als grondslag voor de vordering van D.G. tot uitonverdeeldheidtreding met betrekking tot de onverdeelde elementen, inzonderheid de woning te M. (zie ook Cass. 20 september 2013, RW 2014-15, 618, noot L. De Keyser, TBBR 2014, 489, noot L. Saveur en T.Not. 2014, 224, noot C. Engels; R. Jansen, “Art. 815 BW.”, Comm.Erf. 2011, 16-17, nrs. 16-17; V. Sagaert, “De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?” in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2015, Antwerpen, Intersentia, 2015, 97-98, nrs. 8-10);
het immers gaat om een conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid, die de deelgenoten vrij kunnen invullen/moduleren, ook qua bedoeling en duurtijd;
de in artikel 815, eerste lid BW bedoelde noodzaak om de onverdeeldheid onverkort te (kunnen) beëindigen bij een conventionele/vrijwillige onverdeeldheid niet als dusdanig speelt;
de wilsautonomie primeert, terwijl artikel 577-2, § 8 juncto artikel 815 BW inzake een conventionele/vrijwillige onverdeeldheid slechts een aanvullend karakter vertonen (R. Jansen, “Art. 815 BW.”, Comm.Erf. 2011, 18-19, nr. 19);
middels een regeling qua duurtijd en opzegging/beëindiging kan worden afgeweken van (1) de regel van artikel 815, eerste lid BW dat de uitonverdeeldheidtreding te allen tijde kan worden nagestreefd en (2) de regel van artikel 815, tweede lid BW dat afwijkende overeenkomsten slechts kunnen verbinden voor 5 jaar;
het gebeurlijke gebrek aan een dienstige regeling qua duurtijd en opzegging/beëindiging, zoals in casu, niet maakt dat de conventionele/vrijwillige onverdeeldheid zonder meer moet blijven duren (R. Jansen, “Art. 815 BW.”, Comm.Erf. 2011, 7-8, nr. 5 en 18-19, nr. 19);
anderzijds, zoals reeds aangegeven, artikel 815, eerste lid BW niet zonder meer kan dienen als grondslag voor een vordering tot uitonverdeeldheidtreding;
in die optiek moet worden nagegaan wat de onderliggende bedoeling was/is van de voorliggende conventionele/vrijwillige onverdeeldheid;
die bedoeling, anders dan M.N. wil voordoen, niet zonder meer strekt tot wederbelegging van eigen gelden ingevolge de verkoop van een eigen woning te B. en/of tot een persoonlijke woonzekerheid, maar wel tot bestendiging van de feitelijke samenwoningsrelatie;
die bedoeling is teloor gegaan ingevolge de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie;
D.G. terecht centraal stelt dat de gezamenlijke aankoop van de woning te M. weliswaar kadert binnen een conventionele onverdeeldheid, maar dat de bedoeling/grondslag waarop de onverdeeldheid teruggaat en meer precies de feitelijke samenwoningsrelatie is teloor gegaan, derwijze dat zij de uitonverdeeldheidtreding kan nastreven (zie ook Cass. 6 maart 2014, RW 2013-14, 1625, noot D. Michiels, TBBR 2014, 261, noot F. Peeraer en 487, noot L. Saveur en T.Not. 2014, 231, noot C. Engels; V. Sagaert, “De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?” in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2015, Antwerpen, Intersentia, 2015, 101-104, nrs. 18-22).
Het beroepen vonnis verdient derhalve bevestiging daar waar de eerste rechter ingaat op de vordering van D.G. tot (1) uitonverdeeldheidtreding met betrekking tot de onverdeelde elementen, inzonderheid de woning te M. en (2) gerechtelijke vereffening-verdeling van die onverdeelde elementen (art. 1207 et seq. Ger.W.), met aanwijzing van notaris M. als notaris-vereffenaar in de zin van artikel 1210, § 1 BW (…).

4. Het gegeven dat de aankoopakte van 28 oktober 1998 een clausule van gekruist vruchtgebruik bevat, doet geen afbreuk aan voormelde redengeving.

Dergelijke clausule staat niet zonder meer gelijk met een regeling qua duurtijd en opzegging/beëindiging van de bedoelde conventionele/vrijwillige onverdeeldheid, die hoe dan ook niet kan blijven duren.

De onderliggende bedoeling van de voorliggende conventionele/vrijwillige onverdeeldheid overkapt de beëindigingswijzen van vruchtgebruik in de zin van de artikelen 617 et seq. BW, waarbij levensonderhoud tot de dood van de vruchtgebruiker(s) centraal staat, terwijl een termijnbepaling mogelijk is (zie dienaangaande R. Dekkers en E. Dirix, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht - Zekerheden - Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, 183, nr. 457 en 234-235, nrs. 590 en 592; zie voorts M. Muylle, De duur en beëindiging van zakelijke rechten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 394-399, nrs. 560-564 en 419 et seq., nrs. 596 et seq.).

De onderliggende bedoeling van de voorliggende conventionele/vrijwillige onverdeeldheid strekt tot bestendiging van de feitelijke samenwoningsrelatie. Is die bedoeling teloor gegaan ingevolge de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie, dan kan uitonverdeeldheidtreding worden nagestreefd. Een vordering in die zin botst niet met artikel 1134 BW en evenmin met de artikelen 617 et seq. BW. De beëindiging van het vruchtgebruik brengt overigens, bij een clausule van gekruist vruchtgebruik, niet noodzakelijk een einde aan de onverdeeldheid met betrekking tot het aangekochte goed (S. Maes, “Bedingen van aanwas en tontine: opnieuw rechtsfiguren uit grootvaders tijd?”, NJW 2008, 384, nr. 35).

5. M.N. en D.G. vechten het beroepen vonnis niet aan daar waar de eerste rechter het punt van de vordering van D.G. tot openbare verkoop van de woning te M. voorbarig acht, bij gebrek aan akkoord van M.N. (art. 1209, § 3 Ger.W.).

Een vordering die ertoe strekt in het raam van een aanwijzingsbeslissing reeds de prealabele verkoop te bevelen, kan, bij gebrek aan akkoord van de deelgenoten, niet worden ingewilligd (art. 1209, § 3 Ger.W.; Ch. Declerck en S. Vangoetsenhoven, “Verzegeling, boedelbeschrijving en gerechtelijke vereffeningverdeling. Capita selecta” in A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh (eds.), Themis-cahier familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2013, 67-68, nr. 28; A. Michielsens, “De gerechtelijke verkoping van onverdeelde goederen” in H. Casman en Ch. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 109, nr. 1 en 111, nr. 4; A. Wylleman, “De rol van de notaris en van de raadslieden in de nieuwe procedure tot gerechtelijke vereffeningverdeling. De verkoop of toewijzing van de goederen van de te verdelen boedel” in U.Gent (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, XX, Brugge, die Keure, 2012, 72, nr. 7).

Voorts speelt artikel 1224 Ger.W.

In casu is er noch een afdoende akkoord tot verkoop (hetzij uit de hand hetzij openbaar) noch een afdoende akkoord tot overname door M.N. van het onverdeelde aandeel van D.G. (in voormelde woning). In die optiek ligt geen sluitend (deel)akkoord voor waarvan akte kan worden verleend met toepassing van artikel 1209, § 2-3 Ger.W.

6. M.N. en D.G. vechten het beroepen vonnis evenmin aan daar waar de eerste rechter het punt van de vordering van D.G. met het oog op een woonstvergoeding doorverwijst naar de notaris-vereffenaar.

Die doorwijzing omvat de hele discussie omtrent gebeurlijke vorderingen die de partijen ten aanzien van elkaar hebben inzonderheid omwille van (l) de beweerde meer­inbreng door M.N. en de mate waarin die meerinbreng al dan niet de lasten van de gewezen feitelijke samenwoning zou hebben overstegen, (2) de woonstvergoeding die M.N. moet voldoen aangezien hij de woning exclusief gebruikt/bewoont sinds het vertrek van D.G. op 5 januari 2012 en de aldus ingetreden feitelijke scheiding en (3) de recuperatie door M.N. van gebeurlijk met betrekking tot de woning exclusief gedragen lasten.

7. Het hoger beroep van M.N. slaagt niet (…).

 

Noot: 

Béatrice Verlooy, Einde feitelijke samenwoning en vordering tot uitonverdeeldheidtreding betreffende onverdeelde naakte eigendom woning met “gekruist vruchtgebruik” of “Istas”-tontine, R.A.B.G., 2016/15, p. 1108-1112

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2016 - 17:49
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 13:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.