-A +A

Vrijwillige onverdeeldheid en vordering tot uitonverdeeldheidtreding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 20/03/2013
A.R.: 
C.08.0018.F

Artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling, is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

 Nr. C.08.0018.F
1. J.-M. H.,
2. P. G.,
tegen
1. D. W.,
2. LE CABINET MÉDICAL OPHTALMOLOGIQUE, B.T.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 22 juni 2007.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren twee middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 577-2, 815 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt het hoger beroep van de eisers, bevestigt volledig het beroepen vonnis, verwijst de zaak naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, nadat het eerst de vervanging had bevolen van de door de beroepen beslissing aangestelde deskundige, verwerpt, met toepassing van die beslissing, de tegenvordering van de eisers, op grond dat, ook al hebben de gedingpartijen geen enkele vennootschap opgericht, "[zij] samen de litigieuze laser hebben aangekocht; dat het Belgische recht van mede-eigendom steunt op artikel 577bis van het Burgerlijk Wetboek, dat van toepassing is bij ontstentenis van bijzondere bepalingen of overeenkomsten, d.w.z. bij ontstentenis van elke andersluidende wilsuiting, ofwel in een bijzondere wet, ofwel in overeenkomsten of testamenten (R.P.D.B., trefwoord Propriété, nr. 274); onder dat artikel vallen onder meer alle onverdeeldheden met betrekking tot roerende of onroerende zaken en met name die welke ontstaan zijn naar aanleiding van een gezamenlijke aankoop (R.P.D.B., ibidem, nr.279); paragraaf 8 van dat artikel vermeldt dat de verdeling van de gemeenschappelijke zaak gebeurt volgens de re-gels die bepaald zijn in de titel Erfenissen, dus de artikelen 815 e.v. van het Bur-gerlijk Wetboek (R.P.D.B., nr. 295); uit die analyse volgt dat de eerste rechter terecht beslist heeft die artikelen toe te passen, vastgesteld heeft dat het goed niet makkelijk te verdelen was en een deskundige heeft ingeschakeld om de waarde ten tijde van de breuk te ramen, namelijk op 1 december 2001", en dat hij de tegen-vordering van de eisers verworpen heeft.

Grieven

Hoewel artikel 577-2, § 1, van het Burgerlijk Wetboek (oud artikel 577bis vóór de wet van 30 juni 1994 die de nummering heeft gewijzigd) bepaalt dat, "bij ontstentenis van overeenkomsten en van bijzondere bepalingen de eigendom van een zaak die onverdeeld aan verscheidene personen toebehoort, geregeld wordt als volgt" en hoewel paragraaf 8 van die bepaling ook vermeldt dat "de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen is aan regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen", is artikel 815 van dat wetboek slechts van toepassing op een gewone en toevallige, in hoofdzaak precaire, onverdeeldheid, en geenszins op de vrijwillige mede-eigendom, die overeenstemt met de toestand waar twee of meer rechtssubjecten vrijelijk en zonder dwang beslissen in hoofdzaak een roerende of onroerende onverdeeldheid tussen hen tot stand te brengen, die wordt geregeld door de wilsautonomie en door artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de wil van de partijen tot wet strekt, zodat de rechter, niet met toepassing van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, de verdeling kon bevelen van het goed dat gezamenlijk was aangekocht en zich in een toestand van vrijwillige on-verdeeldheid bevindt.

Daaruit volgt dat het arrest, dat om de redenen die het vermeldt, niet vaststelt dat de toestand van onverdeeldheid waarin de partijen zich met betrekking tot het litigieuze toestel bevonden, voortvloeide uit een toevallige en onvrijwillige toestand maar, integendeel, aanneemt dat hij ontstaan is uit de wilsovereenstemming om het gezamenlijke goed aan te kopen en met betrekking daartoe uitdrukkelijk een mede-eigendom tot stand te brengen, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de verweerders die naar hun goeddunken konden beëindigen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek), dat de verdeling van de gemeenschappelijk zaak bevolen moest worden met toepassing van de artikelen 577-2 en 815 van het Burgerlijk Wetboek (schending van die bepalingen) en dat een deskundige diende te worden aangesteld om de waarde van het gemeenschappelijke goed te ramen ten tijde van de beslissing van de verweerders, waarbij de tegenvordering van de eisers niet gegrond was.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Artikel 815 Burgerlijk Wetboek, waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling, is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.

Het arrest, dat vaststelt dat rechtsvordering van de verweerders "strekt tot de ver-effening van de onverdeeldheid van de partijen met betrekking tot [een] toestel" dat zij "samen hebben aangekocht" en waarvan "[zij] gebruik maakten in de uit-oefening van hun beroep", schendt voornoemd artikel 815 wanneer het beslist dat de verdeling van de gemeenschappelijke zaak overeenkomstig die bepaling moet worden bevolen.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel
De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Noot: 

Noot onder Hof van Cassatie, 1e Kamer – 20 september 2013, De Keyser L. RW 2014-2015, 618

Samenvatting van deze noot:

Art. 815 BW, eerste lid stelt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling.

Deze bepaling is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.

Toepassing: “een goed dat partijen “samen hebben aangekocht” en waarvan “zij gebruik maakten in de uitoefening van hun beroep”, kan geen aanleiding geven tot een vordering tot de verdeling van de gemeenschappelijke zaak

Deze regel ten deze toegepast door het Hof van Cassatie geeft in de rechtsleer aanleiding tot controverse. De auteur bespreekt de rechtsvraag of het recht uit art. 815 BW om te allen tijde de verdeling te vorderen van toepassing is op vrijwillige onverdeeldheden.

Art. 815 BW wordt principieel toepasselijk geacht op onverdeeldheden, ongeacht het vermogensbestanddeel waarop de onverdeeldheid betrekking heeft (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf, Mechelen, Kluwer, 2011, p. 10, nr. 11).

Definitie van de onverdeeldheid:

De onverdeeldheid is de samenloop van verschillende houders van een zakelijk recht van dezelfde aard op hetzelfde goed, zonder dat de aandelen materieel verdeeld zijn (P. De Decker, “Artikel 882 BW: schuldeisers binnen de verdeling, zwak of machtig?”, RW 2012-13, 83; S. Snaet en A. Verbeke, “Mede-eigendom en onverdeeldheid” in V. Sagaert en A. Verbeke, Goederenrecht, Brugge, die Keure, 2011, 47; H. Vandenberghe en S. Snaet, Mede-eigendom in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Zakenrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 1997, p. 102, nr. 50).

Verschillende soorten onverdeeldheden:

Onverdeeldheden worden volgens de wijze van hun ontstaan ingedeeld in:

1. Toevallige onverdeeldheid

2. Vrijwillige onverdeeldheid

3. Gedwongen onverdeeldheden

(B. Tilleman, A.-L. Verbeke en V. Sagaert, Vermogensrecht in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 68, nr. 130).

Oude stelling:

1. de vordering tot onuitverdeeldheidtreding in toepassing van art. 815 B.W. is enkel toepasselijk op onverdeeldheden door nalatenschappen.

2. Bij uitbreiding is vordering tot onuitverdeeldheidtreding mogelijk op overige toevallige onverdeeldheden maar niet op de vrijwillige onverdeeldheden.

Vrijwillige onverdeeldheid is immers een contractuele verbintenis waarbij de bindende kracht van de gesloten overeenkomsten (art. 1134, eerste lid BW) primeert op artikel 815 B.W.
(F. Laurent, Principes de droit civil belge, X, Brussel, Bruylant, 1878, p. 264-267, nrs. 233-234; H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 1975, p. 1037, nr. 1165a, B; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 18-19, nrs. 18-20; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 73, nr. 7; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 22-23, nr. 17; Gent 12 maart 2009, www.juridat.be; Brussel 2 april 2008, www.juridat.be; Luik 23 januari 2008, JT 2008, 272; Brussel 18 oktober 2006, JT 2006, 793, noot D. Sterckx; Gent 8 mei 2003, NjW 2003, 971, noot BW; Rb. Gent 26 juni 2012, RW 2013-14, 1471; Rb. Charleroi 28 juni 2002, RNB 2002, 845; Rb. Tongeren 6 maart 1991, TBBR 1991, 402; Rb. Brussel 14 januari 1975, JT 1975, 229).

Moderne stelling

1. De vordering tot onuitverdeeldheidtreding is mogelijk is voor elke vormen van toevallige onverdeeldheid (V. Sagaert, “De beëindiging van vrijwillige onverdeeldheden. Ja, maar of neen, tenzij?” in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, Gent, Larcier, 2012, p. 82, nr. 28).

2. De vordering tot onuitverdeeldheidtreding is niet mogelijk op gedwongen onverdeeldheden heerst in de huidige doctrine eensgezindheid (vb. appartementsmedeëigendom(V. Sagaert, “De beëindiging van vrijwillige onverdeeldheden. Ja, maar of neen, tenzij?”, in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 71, nr. 3; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 13, nr. 14 A; H. Vandenberghe en S. Snaet, o.c., p. 91-94, nr. 46). Twistpunt is de toepasselijkheid van art. 815 BW op vrijwillige onverdeeldheden.

3. ook de vrijwillige onverdeeldheden vallen onder de toepassing van 815 B.W. (D. Lechien en R. Pirson, “L’article 815 du Code civil et l’indivision volontaire à titre principal” in P. Dehan (ed.), La copropriété, Brussel, Bruylant, 1985, 228-253; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 20-21, nrs. 21-24; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 74-75, nr. 9, J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon. Technieken van vermogensafscheiding en vermogensovergang in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblo, 2014, p. 247-248, nr. 342; E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 97, nr. 118; E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, p. 217, nr. 352; J. Hansenne, Les biens, II, Luik, Collection scientifique de la Faculté de droit de l’Université de Liège, 1996, p. 888-889, nr. 883; W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 379, nr. 698; A. Verbeke, “Scheiding van goederen en onverdeeldheden. Over de rechtsgeldigheid van een TIGV”, T.Not. 2011, 179 e.v.), keerde het tij door kritische analyses van Kokelenberg en Romain (J. Kokelenberg, “Enige verdeelde bedenkingen omtrent onverdeeldheid”, TBBR 1997, (238) 243-259; J.-F. Romain, “Copropriété et autonomie de la volonté: de la copropriété volontaire à titre principal et l’application de l’article 815 du Code civil” in Les copropriétés, Brussel, Bruylant, 1999, 7-63).

 

Edoch lijkt het te kort door de bocht om zomaar (elke) vordering om uit onverdeeldheidtreding toe te staan voor vrijwillige onverdeeldheid.

Het in de bijdrage besproken arrest van het Hof van Cassatie gaat onder meer uit van de stelling art. 815 BW niet toepasselijk is op vrijwillige onverdeeldheden.(N. Carette, “Actuele ontwikkelingen zakenrecht 2013” in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, Antwerpen, Intersentia, 2014, (51) 66, nr. 19a; J.-F. Romain, “Copropriété et autonomie de la volonté: de la copropriété volontaire à titre principal et l’application de l’article 815 du Code civil” in Les copropriétés, Brussel, Bruylant, 1999, p. 57, nr. 35 en p. 62, nr. 36).

Quid met het principe van openbare orde (algemeen rechtsbeginsel) dat contracten van onbepaalde duur te allen tijde kunnen worden opgezegd?(Cass. 16 oktober 1969, Arr.Cass. 1970, 167, RCJB 1970, 527; I. Claeys en L. Phang, “Van bepaalde duur naar onbepaalde duur en terug”, TPR 2008, p. 396, nr. 21; L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 814).

Blijft de vraag of dit algemeen rechtsbeginsel ook van toepassing is op overeenkomsten tot vestiging van een zakelijk recht (V. Sagaert en A. Apers, “Kroniek privaat vastgoedrecht (2010-2013)” in V. Sagaert (ed.), Themis vastgoedrecht, Brugge, die Keure, 2014, 9), wordt deze vraag door sommige rechtsleer terecht bevestigend beantwoord (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 16, nr. 16 en p. 26-27, nr. 35; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 79-80, nr. 21; N. Carette, o.c., in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, p. 67, nr. 19b).

De auteur onderzoekt of het besproken arrest gevolgen heeft voor de maatschap?

Het antwoord is geruststellend neen, maar de rationele juridische denkwijze van de auteur is een verhelderende wandeling die ons laat kennismaken met de regels inzake de ontbinding van de maatschap, zowel mbt de actieve maatschap als de ontbonden maatschap.

Art. 815 BW is van toepassing op een ontbonden maatschap. (art. 55 W.Venn).Maar aangezien een maatschap ook ontstaat door een overeenkomst stelt zich terecht de vraag of deze stelling nopens de toepasselijkheid van 815 BW ook op de maatschap slaat overeind blijft door het besproken cassatiearrest. Over de problematiek inzake de “verdeling van de maatschap” zie H. Braeckmans en R. Houben, Handboek Vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 55, nr. 78, p. 162, nr. 291 en p. 166, nr. 297; J. Vananroye, o.c., p. 241-244, nr. 338); Cass. 17 december 1853, Pas. 1854, I, 82; M.E. Storme, o.c., TPR 1998, p. 791-792, nr. 138; J. Kokelenberg, o.c., TBBR 1997, p. 247, nr. 10; F. Laurent, o.c., X, p. 260, nr. 228; D. Lechien en R. Pirson, o.c., in P. Dehan (ed.), La copropriété, 232-233; J. Vananroye, “Vermogensstructuur, aansprakelijkheid en verhaalbaarheid in de maatschap” in Knelpunten van 30 jaar vennootschapsrecht, Antwerpen, Biblo, 1999, (205), p. 216, nr. 15; J. Vananroye, “Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap”, TRV 2014, p. 252, nr. 45.

Hoe dan ook kan de verdeling van het actief en passief van een maatschap slechts gevorderd na ontbinding van de maatschap (Cass. 12 juni 1841, Pas. 1841, I, 223; Rb. Gent 21 juni 2011, RW 2013-14, 708).

Dee ontbinding van de maatschap wordt geregeld door art. 39, 43 en 45 W.Venn. Art. 39-5o W.Venn. (B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Kalmthout, Biblo, 1997, p. 26-27, nr. 5).

Art. 815 BW is niet van toepasselijk op actieve boedels. De maatschap is een voorbeeld van een actieve boedel (J. Vananroye, o.c., p. 254, nr. 346/1; M.E. Storme, o.c., TPR 1998, p. 792, nr. 138).

Quid vordering tot onuitverdeeldheidtreding uitgaan van schuldeisers van één van de deelgenoten

Schuldeisers kunnen een vordering instellen op grond van 815 B.W. inzake hereditaire onverdeeldheden. Maar quid met de conventionele onverdeeldheden?

Primeert het recht van verhaal van de schuldeisers om verhaal te nemen op het vermogen van hun schuldenaar (art. 7 en 8 Hyp.W.), dan wel de niet-tegenwerpelijkheid van overeenkomsten (art. 1165 BW), die hoe dan ook art. 7 en 8 Hyp. Wet tempert.

Schuldeisers kunnen nooit meer rechten in naam van hun schuldenaar uitoefenen dan de rechten die een schuldenaar heeft. Zo zal een schuldeiser art. 1561 Ger.W. dienen te respecteren en een conventionele onverdeeldheid voor een maximumtermijn van 5 jaar aangegaan dienen te respecteren en dus niet eerder gedwongen de onverdeeldheid kunnen vorderen. (V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 81-82, nrs. 26-27).

De auteur citeert de meerderheidstelling in rechtsleer en rechtspraak stellende dat de beperking van de conventionele onverdeeldheid tot maximum vijf jaar mbt de tegenwerpelijkheid van de overeenkomsten geldt voor iedere onverdeeldheid, ongeacht de oorsprong (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 27-23, nr. 29 en p. 36, nr. 51; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 81-82, nrs. 26-27; N. Carette, “Actuele ontwikkelingen zakenrecht 2013” in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, p. 69-70, nr. 19, c); A. Verbeke, o.c., T.Not. 2011, 187-188; E. Dirix, o.c., in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, p. 217, nr. 352).

Er bestaat geen wettelijke mogelijkheid (wettige) om een conventionele onbeslagbaarheid in het leven zou roepen, (V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 82, nr. 28).

Maar schuldeisers kunnen geen vordering instellen tot openbreking of ontbinding, laat staan vereffening van actieve boedels, zoals een maatschap.

Onderscheid zaak- en boedelgemeenschap

Een zaakgemeenschap is een onverdeeldheid van één (of meer) afzonderlijke goed(eren) “ut singuli”.

Een boedelgemeenschap bestaat uit een geheel van zaken (eventueel slechts één zaak) waarin zowel actieve als passieve bestanddelen aanwezig zijn en die kan wisselen van samenstelling

(H. Casman, “Enkele open vragen omtrent beschikkingsbevoegdheden over onverdeelde zaken” in Liber Amicorum Prof. Dr. G. Baeteman, Antwerpen, Kluwer, 1997, p. 4-5, nrs. 2-3; M.E. Storme, “Noch terugwerking, noch overdracht: bij verdeling of aanwas verkrijgt men niets wat men al niet heeft; tegelijk een bijdrage over gesamthand in ons recht”, TPR 2004, p. 656, nr. 2).

Elke verdelingsaanspraak is ondeelbaar. Een (vordering tot) beëindiging van de onverdeeldheid is slechts mogelijk met instemming van door alle deelgenoten en dient te slaan op het geheel van alle onverdeelde actieve en passieve elementen (H. Casman, o.c., in Liber Amicorum prof. dr. G. Baeteman, p. 8, nr. 8).

Een in-natura-verdeling, is slechts mogelijk voor boedelgemeenschappen.

In een zaakgemeenschap kan weliswaar één goed worden verdeeld, maar deze verdeling brengt niet de automatische verdeling van de andere goederen met zich mee. (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 11-12, nr. 12).

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Gent, 24 december 2015, RW 2016-2017, 1588

Samenvatting

De wilsautonomie belet een vordering tot onverdeeldheid van ee vrijwillige mede-eigendom. Partijen kunnen afwijken van art. 815 eerste lid BW om van de duurtijd en opzegging of beëindiging af te wijken van de regel van art. 815, eerste lid BW dat de uitonverdeeldheidtreding te allen tijde kan worden nagestreefd en van de regel van art. 815, tweede lid BW dat afwijkende overeenkomsten slechts kunnen verbinden voor vijf jaar. Een gebeurlijk gebrek aan een dienstige regeling met betrekking tot de duurtijd en opzegging of beëindiging heeft niet tot gevolg dat de conventionele of vrijwillige onverdeeldheid zonder meer moet blijven duren. In dit geval zal moeten worden nagegaan wat de onderliggende bedoeling was van de conventionele of vrijwillige onverdeeldheid. Bij gebrek aan een actuele bedoeling kan de uitonverdeeldheidtreding worden nagestreefd.

Tekst arrest

G.

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

Nicole, Jean en Françoise G. zijn de drie kinderen van Robert G. en Joanna W., allebei overleden te O., respectievelijk op 10 november 1992 en 4 februari 1999.

Bij wijze van dading met een notariële akte van 29 maart 2002 beëindigen de drie kinderen G. in der minne de vereffening-verdeling van het ouderlijke vermogen.

Blijkens deze akte blijven Nicole en Jean G. in onverdeeldheid m.b.t. een handelsruimte op het gelijkvloers van een appartementsgebouw te O. Françoise G. heeft haar aandeel in de handelsruimte afgestaan aan haar zus en broer.

II. Beroepen vonnis

1. Bij dagvaarding van 18 november 2014 stelt Nicole G. onderhavige procedure in. Zij vordert in essentie de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling van de handelsruimte (artt. 1207 e.v. Ger.W.), na de openbare verkoop ervan door een aan te wijzen notaris-vereffenaar.

2. Jean G. neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering, minstens in zoverre Nicole G. de openbare verkoop nastreeft, aangezien Jean G. aangeeft het aandeel van Nicole G. in de handelsruimte te willen inkopen.

3. Bij voorlopig uitvoerbaar vonnis van 8 januari 2015 gaat de Rechtbank van Eerste Aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, in op voormelde vordering om zodoende de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling te bevelen m.b.t. de handelsruimte (artt. 1207 e.v. Ger.W.), met aanwijzing van notaris D.M. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W.

...

In zoverre Nicole G. de openbare verkoop van de handelsruimte nastreeft, acht de rechtbank haar vordering, bij gebrek aan akkoord van Jean G. (art. 1209, § 3 Ger.W.), voorbarig.

De rechtbank verleent aan Jean G. akte van zijn voornemen om het aandeel van Nicole G. in de handelsruimte in te kopen, met dien verstande dat het hoe dan ook aan de notaris-vereffenaar toekomt dit voornemen, zo mogelijk, te concretiseren.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift van 11 februari 2015 stelt Jean G. hoger beroep in tegen het vonnis van 8 januari 2015. Met zijn hoger beroep beoogt Jean G., met hervorming van het beroepen vonnis, de (integrale) afwijzing van de oorspronkelijke vordering van Nicole G. (...).

2. Nicole G. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep als ontvankelijk maar ongegrond en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met verder voorbehoud, inzonderheid aangaande de schade die zij lijdt ingevolge de blokkering van de zaak door Jean G.

...

IV. Beoordeling

...

2. Ten gronde is het hof in de lijn van de redengeving in het beroepen vonnis van oordeel dat:

– de gegevens (1) dat de drie kinderen G. bij wijze van dading met een notariële akte van 29 maart 2002 in der minne de vereffening-verdeling van het ouderlijke vermogen hebben beëindigd en (2) dat blijkens deze akte Nicole en Jean G. in onverdeeldheid blijven m.b.t. de gelijkvloerse verdieping van een appartementsgebouw te O., geen conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid meebrengen;

– een overeenkomst tot beëindiging van een toevallige onverdeeldheid waarbij twee van de drie deelgenoten de onverdeeldheid in beperkte mate aanhouden immers als zodanig geen conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid meebrengt;

– derhalve met toepassing van art. 815, eerste lid BW kan worden ingegaan op de vordering van een van de twee in onverdeeldheid gebleven deelgenoten tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling;

– voor zover toch een conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid aan de orde is, art. 815, eerste lid BW niet (zonder meer) kan dienen als grondslag voor deze vordering tot uitonverdeeldheidtreding (zie ook: Cass. 20 september 2013, RW 2014-15, 618, noot L. De Keyser, TBBR 2014, 489, noot L. Saveur, T.Not. 2014, 224, noot C. Engels; R. Jansen, “Art. 815 BW” in Comm. Erf. 2011, p. 16-17; V. Sagaert, “De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?” in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2015, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 97-98, nrs. 8-10);

– het in voorkomend geval immers gaat om een conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid, die de deelgenoten vrij kunnen invullen, ook qua bedoeling en duurtijd;

– de in art. 815, eerste lid BW bedoelde noodzaak om de onverdeeldheid onverkort te (kunnen) beëindigen bij een conventionele onverdeeldheid als zodanig niet speelt;

– de wilsautonomie primeert, terwijl art. 577-2, § 8 juncto art. 815 BW inzake een conventionele onverdeeldheid slechts een aanvullend karakter vertonen (R. Jansen, “Art. 815 BW” in Comm. Erf. 2011, p. 18-19, nr. 19);

– met een regeling qua duurtijd en beëindiging kan worden afgeweken van (1) de regel van art. 815, eerste lid BW dat de uitonverdeeldheidtreding te allen tijde kan worden nagestreefd en (2) de regel van art. 815, tweede lid BW dat afwijkende overeenkomsten slechts kunnen verbinden voor vijf jaar;

– het eventuele gebrek aan een dienstige regeling qua duurtijd en beëindiging, zoals in casu, echter niet maakt dat de vrijwillige onverdeeldheid zonder meer moet blijven duren (R. Jansen, “Art. 815 BW” in Comm. Erf. 2011, p. 7-8, nr. 5 en p. 18-19, nr. 19);

– in die optiek moet worden nagegaan wat de onderliggende bedoeling was van de voorliggende conventionele onverdeeldheid;

– enige bedoeling niet afdoende blijkt en hoe dan ook is teloorgegaan, omdat de handelsruimte blijkbaar al menige tijd leeg staat en van overheidswege wordt aangepakt met een leegstandsheffing, zodat Nicole G. de uitonverdeeldheidtreding kan nastreven (zie ook: Cass. 6 maart 2014, RW 2013-14, 1625, noot D. Michiels, TBBR 2014, 261, noot F. Peeraer, 487, noot L. Saveur, T.Not. 2014, 231, noot C. Engels; V. Sagaert, “De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?” in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2015, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 101-104, nrs. 18-22).

Het principaal hoger beroep slaagt niet.

Het beroepen vonnis verdient derhalve bevestiging in zoverre de eerste rechter ingaat op de vordering van Nicole G tot (1) uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling m.b.t. de handelsruimte (artt. 1207 e.v. Ger.W.), met (2) aanwijzing van notaris D.M. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W. en (3) precisering dat de partijen in gelijke mate moeten instaan voor de provisionering van de aangewezen notaris-vereffenaar (art. 1210, § 5 Ger.W.).

3. Het beroepen vonnis verdient eveneens bevestiging in zoverre de eerste rechter:

– het punt van de vordering van Nicole G. tot openbare verkoop van de handelsruimte voorbarig acht, bij gebrek aan akkoord van Jean G. (art. 1209, § 3 Ger.W.);

– aan Jean G. akte verleent van diens voornemen om het aandeel van Nicole G. in de handelsruimte in te kopen, met dien verstande dat het hoe dan ook aan de notaris-vereffenaar toekomt dit voornemen, zo mogelijk, te concretiseren.

Een vordering die ertoe strekt in het kader van een aanwijzingsbeslissing reeds de voorafgaande verkoop te bevelen, kan, bij gebrek aan akkoord van de deelgenoten, niet worden ingewilligd (art. 1209, § 3 Ger.W.; Ch. Declerck en S. Vangoetsenhoven, “Verzegeling, boedelbeschrijving en gerechtelijke vereffening-verdeling – Capita selecta” in A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh (eds.), Themis-cahier familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2013, p. 67-68, nr. 28; A. Michielsens, “De gerechtelijke verkoping van onverdeelde goederen” in H. Casman en Ch. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 109, nr. 1 en p. 111, nr. 4; A. Wylleman, “De rol van de notaris en van de raadslieden in de nieuwe procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling – De verkoop of toewijzing van de goederen van de te verdelen boedel” in U. Gent (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, XX, Brugge, die Keure, 2012, p. 72, nr. 7).

Voorts speelt art. 1224 Ger.W. In casu was er in de aanwijzingsfase (in de zin van de artt. 1207-1210 Ger.W.) noch een afdoende akkoord tot verkoop (hetzij uit de hand hetzij openbaar) noch een afdoende akkoord tot overname door Jean G. van het onverdeelde aandeel van Nicole G. (in de handelsruimte). In die optiek lag geen sluitend (deel)akkoord voor waarvan akte kon worden verleend met toepassing van art. 1209, §§ 2-3 Ger.W.

4. Het hof verleent tot slot akte aan Nicole G. van het door haar geformuleerde voorbehoud aangaande de schade die zij lijdt ingevolge de blokkering van de zaak door Jean G.

...

Rechtspraak

• Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen), 30/11/2017, R.A.B.G., 2018/3, p. 244-249

samenvatting:

Elk beding waarbij het vrij verkeer van de goederen wordt beperkt moet immers voldoen aan een dubbele geldigheidsvereiste: 1) beperkt zijn in de tijd en 2) ingegeven door een wettig belang. Hieruit wordt afgeleid dat, de duurtijd in principe niet langer mag zijn dan voor de realisatie van het doel noodzakelijk is.

Bovenstaande beperkingen gelden dus ook voor overeenkomsten om gedurende een bepaalde tijd in onverdeeldheid te blijven.

Daarnaast geldt het rechtsbeginsel dat contracten van onbepaalde duur opzegbaar moeten zijn.

Wanneer een overeenkomst van onbepaalde duur werd gesloten, zal de verdeling slechts gevorderd kunnen worden, met inachtneming van een redelijkevooropzeg en onder voorwaarde om de uitdrukkelijke of stilzwijgende wil van de partijen te eerbiedigen om de onverdeeldheid te handhaven met het oog op het gemeenschappelijk of individueel doel dat met deze onverdeeldheid werd nagestreefd. Bij de beoordeling hiervan dient dus rekening gehouden te worden met de gemeenschappelijke bedoeling van partijen.

Tekst vonnis

(D.G. / H.C. - Rolnr.: 17/5088/A)

1. Procedure
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

- de inleidende dagvaarding, betekend op 3 oktober 2017;

- de neergelegde besluiten en stukken.

Ter zitting van 13 november 2017 werden partijen gehoord.

De wet op het taalgebruik in gerechtszaken is nageleefd.

2. Situering van het geschil - Vordering
Bij akte verleden voor notaris Patrick Vandeputte met standplaats te Antwerpen op 17 december 2014 hebben C.H. en D.G. elk voor de onverdeelde helft volgend onroerend goed aangekocht:

Stad Antwerpen, achtste afdeling, in een gebouw gelegen (…), volgens titel en ten kadaster gekend onder sectie (…), nummer (…), met een oppervlakte van 223m².

Op de eerste verdieping en tweede verdieping: het duplex-appartement gemerkt “A.1”, omvattende:

- in privatieve en uitsluitende eigendom: op de eerste verdieping: inkomhal, apart toilet, woonruimte met open keuken, badkamer, slaapkamer, terras, private trap naar de tweede verdieping; op de tweede verdieping: slaapkamer met TV-ruimte, badkamer, terras.

- in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid; 40/100 in de gemene delen van het gebouw, waaronder de grond.

Op de tweede en derde verdieping: het duplex-appartement gemerkt “A.2”, omvattende:

- in privatieve en uitsluitende eigendom: op de tweede verdieping: inkomdeur, woonkamer met open keuken, trap naar de derde verdieping; op de derde verdieping: slaapkamer, badkamer, terras;

- in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid: 25/100 in de gemene delen van het gebouw waaronder de grond.

Op 3 oktober 2017 is D.G. overgegaan tot dagvaarding van H.C. waarbij zij vordert om een notaris aan te stellen om over te gaan tot de vereffening-verdeling van de onverdeeldheid die tussen hen bestaat met betrekking tot voormeld onroerend goed. Zij vraagt tevens om H.C. te veroordelen tot de kosten van het geding en om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. Beoordeling
3.1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. Er dienen zich evenmin ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid aan.

3.2. Uit de beschikbare gegevens en stukken blijkt dat tussen de partijen een onverdeeldheid bestaat, met betrekking tot het hierboven omschreven onroerende goed.

D.G. beroept zich op artikel 815 BW luidens hetwelk niemand kan genoodzaakt worden om in onverdeeldheid te blijven.

H.C. stelt dat artikel 815 BW niet van toepassing is op een vrijwillige onverdeeldheid.

Er bestaat geen enkele twijfel over het feit dat artikel 815 BW toepassing krijgt in het geval van de gewone of toevallige eigendom.

De gedwongen mede-eigendom valt evenwel volledig buiten de toepassingssfeer van artikel 815 BW. De wet regelt immers dat statuut voor gebouwen of groepen van gebouwen, i.e. onroerende goederen, op een uitdrukkelijk wijze (art. 577-3 tot 577-14 BW), zodat daarover niet de minste betwisting kan bestaan.

Aangezien er geen welbepaald onderdeel van het onroerend goed werd aangekocht door partijen, is de regeling aangaande de gedwongen mede-eigendom van gebouwen evenmin van toepassing op hun onderlinge verhouding.

In dit geval is er sprake van een vrijwillige onverdeeldheid, die tot stand gekomen is doordat partijen samen een onverdeeld aandeel van 2 appartementen hebben verworven, bij notariële akte verleden voor notaris Vandeputte te Borgerhout op 17 december 2014.

Men verstaat immers onder vrijwillige mede-eigendom die rechtsvorm van mede-eigendom die door de onderscheiden eigenaars gewild is en die daartoe een overeenkomst sluiten. Dat contract laat hun toe de mede-eigendom te organiseren zoals zij dat wensen.

Artikel 815 BW is echter geplaatst onder de titel “Erfenissen” in het Burgerlijk Wetboek. Het zou in strijd zijn met artikel 1134 BW, op basis waarvan overeenkomsten partijen tot wet strekken om artikel 815 BW toe te passen op vrijwillige onverdeeldheden (zie in deze zin, waarbij de rechtbank zich aansluit Cass. 20 september 2013, AR.C.08.0018.F, www.cass.be)

Of aan de vrijwillige onverdeeldheid een einde kan worden gesteld moet derhalve blijken uit de overeenkomst.

Dit is eveneens in overeenstemming met artikel 577-2 BW, aangezien hierin uitdrukkelijk wordt bepaald dat deze regeling geldt bij ontstentenis van overeenkomsten.

H.C. verwijst weliswaar naar voormelde cassatierechtspraak, zonder te verduidelijken op welke overeenkomst zij zich baseert op basis waarvan niet tot vereffening-verdeling zou kunnen worden overgegaan.

In huidig geval ligt geen overeenkomst voor waarin een duurtijd van de onverdeeldheid is overeengekomen.

Het is nochtans een algemeen rechtsprincipe dat contracten van onbepaalde duur eenzijdig kunnen opgezegd worden.

Elk beding waarbij het vrij verkeer van de goederen wordt beperkt moet immers voldoen aan een dubbele geldigheidsvereiste: 1) beperkt zijn in de tijd en 2) ingegeven door een wettig belang. Hieruit wordt afgeleid dat, de duurtijd in principe niet langer mag zijn dan voor de realisatie van het doel noodzakelijk is.

Bovenstaande beperkingen gelden dus ook voor overeenkomsten om gedurende een bepaalde tijd in onverdeeldheid te blijven.

Daarnaast geldt het rechtsbeginsel dat contracten van onbepaalde duur opzegbaar moeten zijn.

Wanneer een overeenkomst van onbepaalde duur werd gesloten, zal de verdeling slechts gevorderd kunnen worden, met inachtneming van een redelijke vooropzeg en onder voorwaarde om de uitdrukkelijke of stilzwijgende wil van de partijen te eerbiedigen om de onverdeeldheid te handhaven met het oog op het gemeenschappelijk of individueel doel dat met deze onverdeeldheid werd nagestreefd. Bij de beoordeling hiervan dient dus rekening gehouden te worden met de gemeenschappelijke bedoeling van partijen.

Uit de verklaringen van partijen en uit de stukken blijkt dat het de bedoeling was van partijen om gezamenlijk te investeren in een onroerend goed, maar dat de verstandhouding tussen hen beiden dusdanig verstoord is, dat het niet mogelijk is om dit onroerend goed nog verder samen te beheren.

Uit niets blijkt dat de bedoeling van partijen was om voor een bepaalde vaststaande periode in onverdeeldheid te blijven en dat geen van hen zou kunnen vragen om de onverdeeldheid stop te zetten.

Bovendien blijkt dat H.C. geen probleem heeft met de verkoop op zich van de onroerende goederen, maar dat zij zich verzet tegen een gerechtelijke uit onverdeeldheid treding.

Zoals hierboven uiteengezet is D.G. in deze perfect gerechtigd om de vereffening-verdeling te vorderen en is er geen enkele reden waarom de gerechtelijke vereffening-verdeling niet zou kunnen worden bevolen. Gelet op de ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen en het gegeven dat H.C. doorgaans in Brazilië zou verblijven, kan het niet aan D.G. verweten worden dat zij een gerechtelijke vereffening-verdeling nastreeft.

De vordering tot vereffening-verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden is dan ook ontvankelijk en gegrond. De rechtbank stelt ambtshalve een notaris-vereffenaar aan.

3.3. Conform artikel 1214, § 1 Ger.W. zal de notaris-vereffenaar in eerste instantie proberen om partijen te verzoenen.

3.4. Eisende partij vraagt om de aan te stellen notaris te gelasten met de veiling van een onroerend goed afhangende van de nalatenschap.

Op deze vordering kan niet ingegaan worden.

In het aanstellingsvonnis kan enkel de verkoop worden bevolen als alle partijen daarover akkoord gaan. In ontkennend geval is het aan de notaris zelf, indien hij na zijn aanstelling vaststelt dat niet tot gevoeglijke verdeling kan worden overgegaan, om zonder verdere machtiging van de rechtbank tot verkoop over te gaan (zie art. 1224 Ger.W.).

3.5. De rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen tussen partijen zodat de ene partij geen rechtsplegingsvergoeding aan de andere hoeft te betalen, gelet op de aard van het geding.

Er is geen reden om af te wijken van artikel 1210, § 5 Ger.W. dat bepaalt dat alle partijen in gelijke mate instaan voor de provisionering van de notaris-vereffenaar.

3.6. Verzet en hoger beroep tegen een vonnis van de familierechtbank hebben op grond van de wet slechts een schorsende werking inzake de staat van personen of de formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk en het verbod op het huwelijk van minderjarigen.

4. Beslissing
De rechtbank stelt vast dat de wet op het taalgebruik in gerechtszaken is nageleefd en doet uitspraak op tegenspraak waarbij alle verdere en strijdige middelen worden verworpen.

De vordering wordt ontvankelijk verklaard.

De rechtbank zegt voor recht dat op verzoek van de meest gerede partij en in aanwezigheid, minstens na behoorlijke oproeping van de andere partijen, zal overgegaan worden tot vereffening en verdeling van de onverdeeldheden die tussen hen bestaan met betrekking tot volgende onroerende goederen:

Stad Antwerpen, achtste afdeling, in een gebouw gelegen (…), volgens titel en ten kadaster gekend onder sectie (…), nummer (…), met een oppervlakte van 223m².

Op de eerste verdieping en tweede verdieping: het duplex-appartement gemerkt “A.1”, omvattende:

- in privatieve en uitsluitende eigendom: op de eerste verdieping: inkomhal, apart toilet, woonruimte met open keuken, badkamer, slaapkamer, terras, private trap naar de tweede verdieping; op de tweede verdieping: slaapkamer met TV-ruimte, badkamer, terras;

- in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid; 40/100 in de gemene delen van het gebouw, waaronder de grond.

Op de tweede en derde verdieping: het duplex-appartement gemerkt “A.2”, omvattende:

- in privatieve en uitsluitende eigendom: op de tweede verdieping: inkomdeur, woonkamer met open keuken, trap naar de derde verdieping; op de derde verdieping: slaapkamer, badkamer, terras;

- in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid: 25/100 in de gemene delen van het gebouw waaronder de grond.

De rechtbank stelt hierbij notaris Marie-Hélène De Meester, met standplaats te Antwerpen-Berchem, aan als notaris-vereffenaar.

De rechtbank wijst de partijen er op dat zij de mogelijkheid hebben om bij de opening van de werkzaamheden met de notaris-vereffenaar geheel of gedeeltelijk het tijdschema voor het verdere verloop van de gerechtelijke verdeling overeen te komen (art. 1217 Ger.W.). Indien geen akkoord wordt bereikt over een tijdschema, gelden de termijnen voorzien in artikel 1218 van het Gerechtelijk Wetboek, behalve in het geval van afwijking, met het akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar.

De rechtbank vestigt tevens de aandacht op artikel 1220 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij uittreksel luidt als volgt:

“§ 1. Behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen termijnen of de in artikel 1218, § 1 en § 2 bepaalde termijnen zijn aangebracht.

§ 2. Indien de notaris-vereffenaar niet binnen de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen handelt, kan elk van de partijen bij gewone brief neergelegd bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld, om de oproeping van de notaris-vereffenaar en de partijen verzoeken.”

Het anders- en meergevorderde wordt afgewezen als ongegrond.

De gerechtskosten - na compensatie van de rechtsplegingsvergoedingen - worden ten laste van de massa gelegd, deze worden in hoofde van D.G. bepaald op 374,53 EUR dagvaardingskosten.

Ook de kosten van vereffening-verdeling op zich worden ten laste van de massa gelegd.

De rechtbank stelt vast dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 21/12/2014 - 16:15
Laatst aangepast op: zo, 11/03/2018 - 22:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.