-A +A

Vrijstelling nalatigheidsinterest successierechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 10/01/2013
A.R.: 
F.12.0081.N

Art. 141bis Wetboek van Successierechten bepaalt dat in bijzondere gevallen, de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder de door hem bepaalde voorwaarden vrijstelling mag verlenen voor alle in art. 81 bedoelde interesten of voor een deel ervan.

De gewestelijke directeur die beslist over een dergelijk verzoek tot vrijstelling, moet het wettelijk begrip “bijzonder geval” eerbiedigen, maar beschikt, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1065
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.12.0081.N

J.T. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 11 mei 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Art. 569, eerste lid, 32o Ger.W., volgens welk de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, houdt geen verband met de in dit onderdeel aangevoerde grief inzake het al dan niet discretionaire karakter van de bevoegdheid van de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, inzake vrijstelling van de verwijlinteresten betreffende niet-betaalde successierechten.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt art. 141bis Wetboek van Successierechten dat, in bijzondere gevallen, de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder de door hem bepaalde voorwaarden vrijstelling mag verlenen voor alle in art. 81 bedoelde interesten of voor een deel ervan.

De gewestelijke directeur die beslist over een dergelijk verzoek tot vrijstelling, moet het wettelijk begrip “bijzonder geval” eerbiedigen, maar beschikt, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.

Het onderdeel dat, in zoverre het ontvankelijk is, uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De in art. 569, eerste lid, 32o Ger.W. bepaalde volstrekte bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van art. 141bis Wetboek van Successierechten, is niet relevant om de aard te bepalen van de bevoegdheid die de gewestelijke directeur aan die laatstgenoemde bepaling ontleent noch, bijgevolg, om de omvang van het toezicht door de rechter op de uitoefening van die bevoegdheid vast te stellen.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Noot: 

zie ook de noot onder dit arrest in het RW waarbij verwezen werd naar verschillende afwijkenede standpunten in de rechtsleer mbt deze rechtsvraag en de memorie van het parket-generaal, waarin naar deze afwijkende rechtsleer werd verwezen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/03/2015 - 20:22
Laatst aangepast op: ma, 02/03/2015 - 20:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.