-A +A

Vrije school heeft contractvrijheid maar mag geen kinderen op basis van geslacht weigeren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/02/1996

Een vrije onderwijsinstelling is geen onderdeel van het bestuurlijk apparaat en kan in beginsel weigeren om met iemand te contracteren. Daarbij moeten evenwel de grenzen van de grondwettelijke en de verdragsrechtelijke normering van deonderwijsverstrekking in acht worden genomen en moet de weigering desgevallend de toets van het rechtsmisbruik doorstaan.

Het internationaal verdragsrecht verbiedt elke discriminatie op grond van het geslacht. Deze bepalingen zijn voldoende precies om rechtstreeks afdwingbaar te zijn. Zij gelden voor de burgers, niet alleen tegenover de overheid maar ook t.a.v. alle instanties die de realisering van het recht op onderwijs mee behartigen. Art. 24, § 3 en 4, van de Grondwet verplicht alle onderwijsinstellingen om op gelijke wijze deze verdragsbepalingen te eerbiedigen.

De toegang tot een onderwijsinstelling afhankelijk stellen van het geslacht van het kind is arbitrair, nu dit geslacht in geen enkele relevante verhouding staat tot de onderwijsverstrekking.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
260
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. e.a. t/ V.Z.W. Schoolcomité M.

§ 1. Omtrent de rechtspleging

...

2. Blijkens de inleidende deurwaardersakte, die op 4 augustus 1995 werd betekend, werd dagvaarding gegeven aan «de V.Z.W. Schoolcomité M. Inrichtende Macht, Vrije Basisschool M., in het bijzonder register van de rechtbank van eerste aanleg te L. gekend onder het identificatienummer (...)», en vervolgens werd vermeld dat betekening verricht werd: 1° op haar zetel te E. (...) — 2° aan de voorzitter van de gedaagde partij, zijnde de heer E. wonende te (...).

Die formulering laat er geen twijfel over bestaan dat appellanten hun vordering enkel richten tegen de V.Z.W. Schoolcomité M., en dat de betekening van de akte gebeurde op twee adressen: dat waar de zetel gevestigd was, en dat waar de voorzitter van de vereniging woont.

In het petitum van de dagvaarding werd trouwens enkel een veroordeling gevorderd tegen ‘gedaagde‘.

In de bestreden beschikking werden derhalve ten onrechte twee partijen als gedaagde aangewezen: de heer E. was geen verwerende, noch aanwezige partij.

Met dat standpunt van appellanten is niet onverenigbaar het feit dat zij in hoger beroep de heer E. als geïntimeerde aanwijzen.

De bestreden beschikking bevat immers ten laste van appellanten een veroordeling ten voordele van de heer E., en zij kunnen die beschikking op dat punt niet laten hervormen zonder diegene die — zelfs ten onrechte — als partij werd aangewezen — en in dit geval zichzelf als partij aandiende — in het geding te betrekken.

3. Het hoger beroep is derhalve gegrond in zoverre in de bestreden beslissing de heer E. als gedaagde partij werd aangewezen en appellanten werden veroordeeld tot betaling aan hem van 3.900 frank rechtsplegingsvergoeding.

§ 2. De dringende noodzakelijkheid en de bevoegdheid van de kort gedingrechter

1. In zoverre geïntimeerde V.Z.W. M. opwerpt dat de eis niet ontvankelijk is bij gebrek aan urgentie, en dat de kort gedingrechter niet bevoegd was; omdat een definitieve maatregel werd gevorderd, dient overwogen dat die grieven niet de ontvankelijkheid of de bevoegdheid, maar wel de gegrondheid van de vordering betreffen.

2. Appellanten hebben zich in het dagvaardingsexploot beroepen op de dringende noodzakelijkheid en zodoende was de kort gedingrechter wel degelijk bevoegd om kennis te nemen van hun eis (Cass., 11 mei 1990, T.B.H., 1990, 774, met noot D. Lindemans).

Waar aangevoerd wordt dat de gevorderde maatregel geen voorlopig karakter heeft, dient overwogen te worden dat, anders dan V.Z.W. M. voorhoudt, de eventuele inschrijving van de kinderen van appellanten geen onomkeerbare gevolgen met zich brengt, vermits geïntimeerde de gevolgen van de inschrijving kan ongedaan maken wanneer de bodemrechter zou oordelen dat zij in kort geding ten onrechte tot inschrijving werd veroordeeld.

Appellanten hebben de inschrijving uitdrukkelijk «ten voorlopige titel» gevorderd, en dus beslist niet om een definitieve maatregel verzocht.

De desbetreffende opwerping van die geïntimeerde is dus ongegrond.

3. Er is dringende noodzakelijkheid voorhanden als bedoeld in artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen, en wanneer met de gewone rechtspleging het geschil niet tijdig zou kunnen opgelost worden (Cass., 21 mei 1987, Pas., 1987, I, 1160).

Dat appellanten ageerden in het zicht van een nieuw schooljaar en inmiddels alle tijd hadden om een bodemrechter te adiëren, is niet dienend om de urgentie te verwerpen, nu niet wordt betwist dat appellanten met toepassing van de gewone rechtspleging, niet tijdig een uitspraak over hun vordering konden bekomen.

Evenmin is relevant dat de kinderen van appellanten door geïntimeerdes houding geen onherroepelijke schade zouden ondergaan.

Te dezen staat vast dat appellanten, die hun kinderen wensen toe te vertrouwen aan het vrij onderwijs, in geen andere school te E. terecht kunnen, en daartoe ettelijke kilometers verder moeten naar andere deelgemeenten van K., van S., van K. of van H.

Het lijdt geen twijfel dat de kinderen van appellanten, waarvan er thans vijf minder dan 7 jaar zijn en drie minder dan 10 jaar, zich redelijkerwijs niet zelfstandig in het wegverkeer kunnen noch mogen bewegen, en dat de verplichting om die kinderen op grotere afstand school te laten lopen op zijn minst ernstige ongemakken met zich brengt, zowel voor de ouders als voor de kinderen.

De gevorderde prompte voorkoming van verdere ongemakken kan niet binnen het bestek van een gewone rechtspleging worden bereikt.

Er is te dezen dus wel degelijk urgentie voorhanden.

§ 3. De grond van de vordering

1. Appellanten beamen dat de door hen gewenste rechtsbetrekking met geïntimeerde V.Z.W. M. gestoeld is op de contractuele vrijheid, maar waar de geïntimeerde stelt dat zij bij gebreke aan enige andersluidende wettelijke bepaling in alle opzichten vrij is om te beslissen over de leerlingen die zij aanvaardt, houden eerstgenoemden voor dat die vrijheid niet absoluut is en integendeel beperkt wordt door de toepassing van fundamentele rechten, te meer omdat de «inrichtende macht» van de vrije scholen participeert in een openbare dienstverlening.

2. De «inrichtende machten» van het vrij onderwijs behoren niet tot enig onderdeel van het federaal of Vlaamse bestuurlijk apparaat, en zijn dus niet onderworpen aan de rechtsregels die het beheer of de benuttiging van die administratieve diensten beheersen.

Bij het aangaan van enige rechtsbetrekking geldt zodoende ook voor die «inrichtende machten» dat zij volgens het basisbeginsel van het contractenrecht volkomen vrij beslissen of zij al dan niet contracteren.

Een weigering om te contracteren zal aldus principieel gerechtvaardigd zijn.

Evenwel vormt de onderwijsverstrekking een aangelegenheid die grondwettelijk en verdragsrechtelijk genormeerd is, zodat bij het desbetreffend contracteren de grenzen van die normen dienen in acht te worden genomen.

Daarenboven zou de beoefening van die vrijheid desgevallend ook niet aan de toets van het rechtsmisbruik kunnen ontsnappen.

3. Luidens artikel 24, § 3, van de Grondwet heeft ieder recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden.

In artikel 2, 2°, van het Verdrag van New York van 19 december 1966 betreffende de economische, sociale en culturele rechten, dat door de Vlaamse Gemeenschap in de Vlaamse rechtsorde ingevoerd is met ingang van 8 maart 1983 en in de Belgische rechtsorde uitwerking kreeg met ingang van 16 juli 1983, wordt de waarborg ingesteld dat de in dat verdrag erkende rechten — waaronder het recht op onderwijs uit artikel 13 — zonder enig onderscheid zullen kunnen worden uitgeoefend, en onder meer zonder discriminatie op basis van geslacht.

Bepalingen met gelijke strekking, — de erkenning van het recht op onderwijs voor elk kind, «zonder discriminatie van welke aard ook», zijn vervat in de artikelen 2 en 28 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, dat zowel in de Belgische (27.1.1992) als de Vlaamse rechtsorde (23.7.1991) werd ingevoerd.

In artikel 29,1°,d van dit laatste verdrag wordt daarenboven onder meer als norm gesteld dat het onderwijs dient gericht te zijn op de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van gelijkheid van geslachten.

Uit de tekst zelf en uit de economie van die verdragsbepalingen, die overigens primeren op alle rechtsregels die door de federale en gemeenschapsoverheden werden uitgevaardigd, volgt onmiskenbaar dat bij de gewaarborgde onderwijsverstrekking de gelijkheid van de geslachten in alle opzichten dient te worden gerespecteerd.

Die verdragsregels zijn voldoende precies om als afdwingbare rechtsnorm toegepast te worden.

4. De voormelde rechtsnormen betreffen niet enkel de verhouding van de begunstigden van die fundamentele rechten tegenover de openbare overheden, maar gelden specifiek met betrekking tot het onderwijs ten aanzien van alle instanties die de realisering van het recht op onderwijs mee behartigen.

De instellingen die onderwijs aanbieden en die krachtens artikel 24, § 4, van de Grondwet overigens zelf, net als de leerlingen, gelijk zijn voor de wet of het decreet, zijn in de uitoefening van hun grondwettelijke onderwijsvrijheid gehouden tot de eerbiediging van de constitutionele rechten en tot naleving van de hoger geciteerde verdragsbepalingen.

De gelijkheid van de geslachten wordt miskend wanneer door een onderwijsinstelling de toegang tot het onderwijs enkel wordt afhankelijk gesteld van de sekse van een kind, nu die sekse op zich in geen enkele relevante verhouding staat tot de onderwijsverstrekking.

Zulk een maatregel beperkt in het algemeen het recht op onderwijs op arbitraire wijze, bekort in dit geval in het bijzonder de normale uitoefening van dat recht in functie van de levensbeschouwelijke opvoeding van de kinderen op even arbitraire wijze, en druist zodoende in tegen de voormelde rechtsnormen.

5. In dit geval wordt door de V.Z.W. M. niet betwist dat haar enige grond voor de weigering tot inschrijving berustte op het geslacht van de kinderen van appellanten.

Prima facie is zulk een maatregel onverenigbaar met de grondwettelijke en vigerende internationale normen en bijgevolg niet gerechtvaardigd.

De vordering van appellanten dient derhalve te worden ingewilligd.

Om die redenen

...

Zegt voor recht dat de heer E. ten onrechte als gedaagde partij werd gekwalificeerd;

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond,

Veroordeelt geïntimeerde V.Z.W. M. om (...) in te schrijven in de Vrije Basisschool te E. op het eerste verzoek van hun ouders, na de betekening van dit arrest.

Zegt dat ten laste van die geïntimeerde een dwangsom verbeurd wordt van 500 frank per dag en per kind waarvan zij de inschrijving weigert, te rekenen vanaf de tiende dag na de betekening van dit arrest.

Zegt dat deze beslissing ophoudt uitwerking te hebben indien appellanten de bodemrechter niet geadieerd hebben binnen de tien dagen na de door hen gevorderde inschrijving.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 28/09/2017 - 17:23
Laatst aangepast op: do, 28/09/2017 - 17:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.