-A +A

Vraag tot Handelshuurhernieuwing zonder antwoord van de verhuurderr

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/09/2014
A.R.: 
C.13.0287.N

Krachtens art. 14, eerste lid van de Handelshuurwet moet de verhuurder binnen drie maanden nadat de huurder kennis gegeven heeft van de voorwaarden waaronder hij bereid is een nieuwe huur aan te gaan, op dezelfde wijze aan de huurder kennis geven van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde, zo niet wordt de verhuurder vermoed onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen met de hernieuwing van de huur.

Uit de bepalingen van de artikelen 11, II, tweede lid, en 14, eerste en tweede lid, Handelshuurwet volgt dat de verhuurder, die een aanvraag tot hernieuwing van de hoofdhuurder gedurende drie maanden onbeantwoord laat, gelet op de bepalingen van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet, de huurhernieuwing niet meer kan beletten, maar dat zulks niet geldt wanneer de aanvraag tot hernieuwing van een onderhuurder uitgaat; artikel 14, tweede lid, bepaalt in fine immers uitdrukkelijk dat de verhuurder die tijdens de periode van drie maanden bepaald in artikel 14, eerste lid, nog geen standpunt heeft ingenomen ten opzichte van de aanvraag tot huurhernieuwing van de onderhuurder, zulks nog kan doen tijdens het geding voor de rechter; aangezien de verhuurder niet verplicht is zijn antwoord binnen de drie maanden te rekenen vanaf de aanvraag tot hernieuwing aan de onderhuurder kenbaar te maken, kan uit zijn stilzwijgen niet afgeleid worden dat hij akkoord gaat met de aanvraag tot huurhernieuwing van de onderhuurder (1); bij stilzwijgen van de verhuurder is de onderhuurder dan ook gehouden de hoofdhuurder en de verhuurder te dagvaarden binnen de termijnen bepaald in artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet (2). (1) Cass. 16 maart 1990, AR nr. 6419, AC 1989-90, nr. 428; zie in verband met het stilzwijgen van de hoofdhuurder ook Cass. 22 maart 2013, AR C.12.0315.N, AC 2013, nr. 205, met concl. van het OM. (2) Cass. 7 april 1989, AR nr. 5997, AC 1988-89, nr. 440.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0287.N
GB RETAIL ASSOCIATES nv, met zetel te 1140 Evere, Olympiadenlaan 20,
eiseres,

tegen
AVA nv, met zetel te 8580 Avelgem, Doorniksesteenweg 45,
verweerster,
mede inzake

1. TANIS bvba, met zetel te 8580 Avelgem, Kortrijkstraat 38,
in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij,

2. REDEVCO RETAIL BELGIUM gcv, met zetel te 1000 Brussel, Zaterdag-plein 1,

in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Brugge van 28 februari 2013, gewezen op verwijzing na cassa-tie bij arrest van het Hof van 3 december 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen
- artikel 11, II, tweede lid van de wet van 30 april 1951, dat is afdeling 2bis, genaamd "Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder", van hoofdstuk II van titel VIII van boek III Burgerlijk Wetboek (hierna Handelshuurwet).

Aangevochten beslissing

1. De rechtbank van koophandel te Brugge verklaart in het aangevochten vonnis de vordering van eiseres dat zij zich als onderhuurder kan beroepen op het voordeel van artikel 3, lid 3, hoofdhandelshuurovereenkomst tussen verweerster en de Comm. V Redevco Retail Belgium, ongegrond op volgende gronden:

"Als onderhuurder was (eiseres) slechts een derde in de zin van artikel 1165 Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de hoofdhandelshuurovereenkomst tussen de eigenaar/verhuurder (verweerster), en de hoofdhuurder Comm. V Redevco Retail Belguim, (...).

Uit geen enkel element blijkt dat (...) Comm. V Redevco Retail Belgium en (verweerster), respectievelijk als hoofdhuurder en verhuurder, de bedoeling zouden hebben gehad om aan (eiseres), als onderhuurder, een nieuw eigen recht toe te kennen om de huurhernieuwing rechtstreeks te verwerven.

Bovendien verhindert artikel 1165 Burgerlijk Wetboek dat een derde, buiten het geval van een beding te zijnen gunste, de uitvoering in zijn voordeel zou vorderen van een contractuele verbintenis, en dan geldt deze rechtsregel des te meer wanneer de contractpartij die zou gerechtigd zijn geweest om de uitvoering ervan te vorderen, uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het recht om zich op deze verbintenis te beroepen (...)".

Grieven

1. Overeenkomstig artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet doet het niet-aanvragen van de hernieuwing door de hoofdhuurder of het verwerpen van zijn aanvraag om redenen die hem alleen betreffen, geen afbreuk aan het recht van de onderhuurder op hernieuwing, mits de aanvraag die hij regelmatig aan de hoofdhuurder heeft gericht, op dezelfde dag en in dezelfde vormen ter kennis van de verhuurder wordt gebracht.

Wanneer de hoofdhuurder om een of andere reden de hernieuwing van zijn huurovereenkomst met de verhuurder niet aanvraagt, of deze wordt geweigerd door de verhuurder, zal de onderhuurder in beginsel ook geen huurhernieuwing verkrijgen.

Artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet werd echter ingevoerd ter bescherming van de onderhuurder om dergelijke situaties te vermijden. De wet verleent de onderhuurder een persoonlijk recht om zijn vraag tot huurhernieuwing te richten aan de verhuurder, mits hij aan de formaliteiten bepaald in artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet voldoet.

2. Niettegenstaande de afwezigheid van enige contractuele band tussen de verhuurder en de onderverhuurder, wordt deze laatste de mogelijkheid geboden zich rechtstreeks tot de verhuurder te richten om van hem hernieuwing van de huurovereenkomst te verkrijgen. Het is een recht dat hem rechtstreeks wordt toegekend door de wet. Het gaat om een eigen recht in hoofde van de onderhuurder (cf. K. Vanhove, Handelshuur, Antwerpen, Intersentia, 2012, 255, nr. 182; A. Houtekier, "Commentaar op de wet van 29 juni 1955 tot wijziging van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds", RW 1955-56, 478, nr. 18).

Het recht dat artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet verleent aan de onderhuurder ten aanzien van de verhuurder vertoont de kenmerken van een recht-streekse vordering.

3. De rechtstreekse vordering is de mogelijkheid die de wet aan de schuldeiser (de derde) van een contractpartij verleent, om rechtstreeks de medecontractant van die contractpartij aan te spreken tot nakoming te zijnen gunste van een of meer uit het contract voortvloeiende verbintenissen. De derde, titularis van het rechtstreekse vorderingsrecht, kan een vordering instellen tegen de schuldenaar van zijn eigen schuldenaar. Deze figuur veronderstelt een uitdrukkelijke wettekst die het rechtstreekse vorderingsrecht toekent aan de derde.

In artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet wordt dergelijk rechtstreeks vorderingsrecht toegekend aan de onderhuurder wanneer hij een huurhernieuwing wil verkrijgen.

Dankzij de bij wet verleende, rechtstreekse vordering krijgt de derde een eigen recht op de nakoming van een tussen anderen overeengekomen contractuele prestatie. (S. Stijns, Leerboek Verbintenissenrecht. Boek 1, Brugge, die Keure, 2005, 245, nr. 343 en 248-249, nr. 349).

4. Het rechtstreeks vorderingsrecht laat de derde als schuldeiser van een contractspartij toe om rechtstreeks de medecontractant van die contractspartij aan te spreken tot nakoming te zijnen gunste van een uit het contract voortvloeiende verbintenis. In artikel 3, lid 3, hoofdhandelshuurovereenkomst tussen verweerder en Comm. V Redevco Retail Belgium heeft de verhuurder (verweerder) uitdrukkelijk zijn recht om de huurhernieuwing te weigeren verzaakt ten voordele van de huurder (Comm.V Redevco Retail Belgium)

Door het rechtstreeks vorderingsrecht dat de onderhuurder op basis van de wet bezit, kan zij de verhuurder aanspreken tot nakoming van de verbintenis voortvloeiende uit haar contract met de hoofdhuurder. Bijgevolg kan de onderhuurder dan ook het voordeel genieten van artikel 3, lid 3, hoofdhandelshuurovereenkomst indien zij de huurhernieuwing aan de verhuurder (verweerder) notificeert.

5. In zoverre de rechtbank tot staving van haar beslissing oordeelt dat eiseres slechts een derde is ten aanzien van de hoofdhandelshuurovereenkomst en zij geen eigen recht heeft om de huurhernieuwing rechtstreeks te vorderen, schendt zij artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet aangezien deze bepaling aan de onderhuurder het recht geeft om rechtstreeks de huurhernieuwing te verkrijgen van de hoofdverhuurder met wie zij geen contractuele relatie heeft.

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen
- artikel 11, II, tweede lid en 14, eerste en tweede lid van de wet van 30 april 1951, dat is afdeling 2bis, genaamd "Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder", van hoofdstuk II van titel VIII van boek III Burgerlijk Wetboek (hierna Handelshuurwet)

Aangevochten beslissing

De rechtbank van koophandel te Brugge oordeelt dat het recht van eiseres op huurhernieuwing vervallen is en de hoofdhandelshuurovereenkomst ten einde liep op 31/01/2005 op volgende gronden:

"In de hypothese dat (eiseres) zich rechtstreeks op het artikel 3, derde alinea, hoofdhandelshuurovereenkomst zou kunnen beroepen, quod non, dan nog zou dit geen afbreuk hebben gedaan aan haar verplichting als onderhuurder om de dagvaardingsformaliteiten van artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet na te leven. Zoals S. Mosselmans, referendaris bij het Hof van Cassatie schrijft in commentaar bij het Cassatiearrest van 13/11/2003 (...) moet de discussie over de voorwaarden (modaliteiten) ‘open' blijven.

Verder: de tekst van het artikel 3, derde alinea voorziet een verzaking door de eige-naar/verhuurder aan het recht om zich tegen huurhernieuwingsaanvraag te verzetten, doch houdt absoluut geen verzaking in betreffende de aanvraagforma-liteiten.

De eigenaar/verhuurder (verweerster), kon ten tijde van het aangaan van de hoofdhandelshuurovereenkomst, niet op rechtsgeldige wijze verzaken aan de naleving door de hoofdhuurder Comm. V Redevco Retail Belgium (...) van de aanvraagformaliteiten van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet (...).

De contractuele verzaking aan het recht om zich tegen de huurhernieuwingsaan-vraag te verzetten, die derhalve op zich niet volstaat, ontslaat de begunstigde van deze voorgehouden verzaking niet van de verplichting om de wettelijke formaliteiten na te leven.

De eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de onderhuurder (eiseres) gerechtigd zou zijn om zich te beroepen op het artikel 3, derde alinea van het hoofdhandelshuurcontract.

Reeds op 17 november 2003 had Redevco middels aangetekend schrijven laten weten dat zij haar handelshuurovereenkomst niet wenste te hernieuwen. Het is duidelijk dat Redevco als hoofdhuurder - in artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet "één van hen", toen reeds afwijzend heeft geantwoord. Alsdan had (eiseres) binnen de dertig dagen moeten dagvaarden, quod non.

De algemene regel is dus als volgt: heeft een van beiden afwijzend geantwoord, dan moet de huurder binnen dertig dagen na het antwoord beiden dagvaarden. Is het eerste van de twee antwoorden afwijzend, dan doet dit de termijn lopen" (...).

Het is derhalve onjuist te stellen dat de betrachte verzaking van het recht zich te verzetten tegen de huurhernieuwingsaanvraag zou impliceren dat partijen zijn afgeweken van artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet. Aan de te volgen procedure kon niet worden verzaakt.

Ten onrechte wordt dan ook gelet op het bovenstaande voorgehouden dat het cassatiearrest d.d. 21/03/2003 niet van toepassing zou zijn in casu.

Het Hof van Cassatie besliste in dit arrest immers dat de verhuurder geen afstand kan doen van de formaliteiten voorzien in artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet (en bij uitbreiding dus ook niet van artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet).

Aldus stelt het Hof van Cassatie in haar arrest:

"Overwegende dat artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet bepaalt hoe de huurder, voor het einde van de lopende huurperiode, zijn recht op huurhernieuwing kan uitoefenen;

Dat die bepaling van dwingend recht is ten voordele van de verhuurder;

Dat de verhuurder van die dwingende bepaling geen afstand kan doen vóór het aanvangen van de daarin bepaalde termijn voor de aanvang van de huurher-nieuwing;

Dat een overeenkomst van huurhernieuwing die het aanvangen van die termijn voor de huurhernieuwingsaanvraag, de huurder niet vrijstelt van de verplichting binnen de in artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet bepaalde termijn de huurhernieuwing te vragen;

Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de huurder in het geval van een overeenkomst over een huurhernieuwing gesloten voor de in het vermelde artikel 14, eerste lid, bepaalde termijn vrijgesteld is van de verplichting nog een aanvraag tot huurhernieuwing te doen binnen die termijn, faalt naar recht".

Evident zijn deze cassatiearresten (met name d.d. 21/03/2003 en 19/06/2002) tevens relevant voor onderhavig geschilpunt met betrekking tot de toepassing van artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet (...).

Het Hof van Cassatie bevestigde opnieuw haar rechtspraak bij arrest d.d. 28/01/2005.

Het Hof van Cassatie heeft overigens herhaaldelijk bevestigd dat artikel 14 Handelshuurwet strekt tot bescherming van de verhuurder (cfr. Cass. 22 maart 2006) (...)."

Grieven

1. Artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet bepaalt: "De huurder die het recht op hernieuwing verlangt uit te oefenen, moet zulks op straffe van verval bij exploot van gerechtsdeurwaarder of bij aangetekende brief ter kennis van de verhuurder brengen, ten vroegste achttien maanden, ten laatste vijftien maanden vóór het eindigen van de lopende huur. De kennisgeving moet op straffe van nietigheid de voorwaarden opgeven waaronder de huurder zelf bereid is om de nieuwe huur aan te gaan en de vermelding bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieuwing van de huur onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen, indien hij niet op dezelfde wijze binnen drie maanden kennis geeft van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde."

Artikel 11, II, tweede lid, van diezelfde wet bepaalt: "Het niet-aanvragen van de hernieuwing door de hoofdhuurder of het verwerpen van zijn aanvraag om redenen die hem alleen betreffen, doet geen afbreuk aan het recht van de onderhuurder op hernieuwing, mits de aanvraag die hij regelmatig aan de hoofdhuurder heeft gericht, op dezelfde dag en in dezelfde vormen ter kennis van de verhuurder wordt gebracht."

2. Uit die laatste wetsbepaling volgt dat de aanvraag van de onderhuurder "regelmatig" gericht moet zijn aan de hoofdhuurder en "in dezelfde vormen" ter kennis moet gebracht worden van de verhuurder.

Hieruit volgt dat de aanvraag van de onderhuurder gedaan moet worden binnen de termijn en overeenkomstig de vormvoorschriften die in artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet voorgeschreven zijn voor een aanvraag uitgaande van de hoofdhuurder.

Dat betekent dat de aanvraag van de onderhuurder de vermelding moet bevatten dat respectievelijk de verhuurder en de hoofdhuurder geacht zullen worden met de hernieuwing van de huur onder de gestelde voorwaarden in te stemmen, indien zij niet binnen drie maanden kennis geven van hun met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde.

3. De rechtbank heeft vastgesteld dat:
- eiseres conform artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet bij aangetekende brief van 17 oktober 2003 aan de commanditaire vennootschap Redevco Retail Belgium de eerste huurhernieuwing aanvroeg;
- dat eiseres overeenkomstig artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet van de huurhernieuwingsaanvraag een kopie ter kennis bracht aan verweerster bij aangetekende brief van 17 oktober 2003.
Bijgevolg heeft de rechtbank vastgesteld dat eiseres aan de voorwaarden van artikel 11, II, tweede lid, juncto artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet heeft voldaan.

4. De rechtbank oordeelt dat eiseres vervallen is verklaard van haar recht op huurhernieuwing omdat zij niet tot dagvaarding is overgegaan van verweerder binnen de vervaltermijn bepaald in artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet.

Artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet bepaalt: "Komen partijen niet tot overeenstemming, dan moet de onderhuurder, die, om zijn rechten ten opzichte van de verhuurder te vrijwaren, zijn aanvraag, zoals bepaald in artikel 11, II, tweede lid, ter kennis van de verhuurder heeft gebracht, de hoofdhuurder en de verhuurder dagvaarden binnen dertig dagen na het afwijzend antwoord van een van beiden, of, indien een van hen niet heeft geantwoord, binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn van drie maanden".

5. In tegenstelling tot wat de rechtbank overweegt, is artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet te dezen niet van toepassing.

Artikel 14, tweede lid, van diezelfde wet bepaalt uitdrukkelijk dat de onderhuurder, de hoofdhuurder en de hoofdverhuurder moet dagvaarden indien partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Te dezen heeft de rechtbank vastgesteld dat de hoofdverhuurder (verweerder) niet heeft gereageerd op de hernieuwingsaanvraag van eiseres. In dit geval is niet voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet volgens dewelke partijen niet tot overeenstemming komen, wat veronderstelt dat de verhuurder gereageerd heeft op de huurhernieuwingsaanvraag (hetzij bevestigend, hetzij afwijzend).
Indien de hoofdverhuurder niet reageert op de huurhernieuwingsaanvraag van de onderhuurder geldt het vermoeden van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet, krachtens dewelke de verhuurder geacht zal worden in te stemmen met de hernieuwing van de huur indien hij niet binnen drie maanden kennis geeft van zijn weigering.

6. In de interpretatie die de rechtbank geeft aan vermelde wetsbepalingen zou er een tegenstrijdigheid ontstaan.

In artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet wordt aan de onderhuurder de verplichting opgelegd om in zijn aanvraag te vermelden dat de verhuurder en de hoofdhuurder, bij ontstentenis van antwoord, geacht zullen worden in te stemmen met de hernieuwing van de huur. Aangezien eiseres deze vermelding in haar aanvraag tot huurhernieuwing heeft opgenomen, werd de verhuurster (verweerster) geacht in te stemmen met de hernieuwing van de huur. Wanneer de verhuurder geacht wordt in te stemmen met de huurhernieuwing, kan niet tezelfdertijd vereist worden dat de onderhuurder deze nog moet dagvaarden.

7. Daarnaast sluit de door de rechtbank voorgestelde interpretatie van de vermelde wettelijke bepalingen niet aan bij de ratio legis ervan.

Artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet nuanceert in sterke mate het beginsel van de relativiteit van overeenkomsten (artikel 1165 Burgerlijk Wetboek) doordat het een rechtstreeks vorderingsrecht toekent aan de onderhuurder tegen de verhuurder bij een aanvraag tot huurhernieuwing.

Dit recht strekt tot bescherming van de onderhuurder wanneer hij geconfronteerd wordt met de situatie waarbij de hoofdhuurder de hernieuwing van zijn huurover-eenkomst niet aanvraagt of verkrijgt. Wanneer de hoofdhuurder de hernieuwing van zijn huurovereenkomst niet aanvraagt, of deze wordt geweigerd door de ver-huurder, zal de onderhuurder in beginsel ook geen huurhernieuwing kunnen be-komen.

Artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet voorziet in een oplossing voor dit probleem en strekt dus overduidelijk tot bescherming van de onderhuurder.

8. De onderhuurder krijgt dit rechtstreekse vorderingsrecht tegen de hoofdverhuurder enkel onder bepaalde voorwaarden die beschreven staan in artikel 11, II, tweede lid en artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres aan de formaliteiten in vermelde bepalingen heeft voldaan.

Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat de aanvraag van eiseres tot huur-hernieuwing gericht aan de hoofdhuurder en de verhuurder de vermelding bevat dat respectievelijk de verhuurder en de hoofdhuurder geacht zullen worden met de hernieuwing van de huur onder de gestelde voorwaarden in te stemmen, indien zij niet binnen drie maanden kennis geven van hun met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde.

In dit geval bepaalt artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet dat wanneer de verhuurder de aanvraag tot hernieuwing van de huurder gedurende drie maanden onbeantwoord laat, hij de huurhernieuwing niet meer kan beletten.

9. De onderhuurder moet de hoofdverhuurder niet dagvaarden wanneer hij reeds de formaliteiten van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet heeft vervuld en de hoofdverhuurder gedurende minstens drie maanden niet reageert op de hernieuwingsaanvraag. De toepassing van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet maakt immers elke vereiste tot dagvaarding overbodig en zonder voorwerp.

Het zou tegenstrijdig zijn enerzijds te vereisen dat de onderhuurder in zijn aanvraag vermeldt dat de verhuurder en de hoofdhuurder bij ontstentenis van antwoord geacht worden in te stemmen met de huurhernieuwing en anderzijds te vereisen dat indien de verhuurder en de onderhuurder niet hebben geantwoord binnen de antwoordtermijn van drie maanden de verhuurder en de hoofdhuurder moet dagvaarden binnen een door de wet bepaalde periode.

Dergelijke interpretatie zou leiden tot een tegenstrijdigheid in de toepassing van artikel 11, II, tweede lid en artikel 14, eerste en tweede lid, Handelshuurwet, wat niet de bedoeling van de wetgever kan geweest zijn.

Door te oordelen dat het recht op huurhernieuwing van eiseres vervallen is doordat ze verweerder niet heeft gedagvaard terwijl deze haar aanvraag drie maanden onbeantwoord liet, geeft de rechtbank een verkeerde interpretatie van de artikelen 11, II, tweede lid, 14, eerste en tweede lid, Handelshuurwet en schendt zij vermelde wetsbepalingen, zodat de aangevochten beslissing niet naar [recht] verantwoord is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Krachtens artikel 11, II, tweede lid, Handelshuurwet doet het niet-aanvragen van de hernieuwing door de hoofdhuurder of het verwerpen van zijn aanvraag om redenen die hem alleen betreffen, geen afbreuk aan het recht van de onderhuurder op hernieuwing, mits de aanvraag die hij regelmatig aan de hoofdhuurder heeft gericht, op dezelfde dag en in dezelfde vormen ter kennis van de verhuurder wordt gebracht.

Krachtens artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet moet de huurder die het recht op hernieuwing verlangt uit te oefenen, zulks op straffe van verval bij exploot van gerechtsdeurwaarder of bij aangetekende brief ter kennis van de verhuurder bren-gen, ten vroegste achttien maanden, ten laatste vijftien maanden vóór het eindigen van de lopende huur. De kennisgeving moet op straffe van nietigheid de voor-waarden opgeven waaronder de huurder zelf bereid is de nieuwe huur aan te gaan en de vermelding bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieu-wing van de huur onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen, indien hij niet op dezelfde wijze binnen drie maanden kennis geeft ofwel van zijn met rede-nen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde.

Krachtens artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet moet, wanneer partijen niet tot overeenstemming komen, de onderhuurder, die, om zijn rechten ten opzichte van de verhuurder te vrijwaren, zijn aanvraag, zoals bepaald in artikel 11, II, tweede lid ter kennis van de verhuurder heeft gebracht, de hoofdhuurder en de verhuurder dagvaarden binnen dertig dagen na het afwijzend antwoord van een van beiden, of, indien een van hen niet heeft geantwoord, binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn van drie maanden. De verhuurder die zijn houding ten opzichte van de onderhuurder niet heeft bepaald, kan in de loop der instantie en binnen de termijnen die hem door de rechter worden toegestaan, zijn recht van terugneming inroepen of de hernieuwing afhankelijk stellen van andere voorwaarden.

2. Uit deze bepalingen volgt dat de verhuurder, die een aanvraag tot hernieu-wing van de hoofdhuurder gedurende drie maanden onbeantwoord laat, gelet op de bepalingen van artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet, de huurhernieuwing niet meer kan beletten, maar dat zulks niet geldt wanneer de aanvraag tot hernieuwing van een onderhuurder uitgaat. Artikel 14, tweede lid, bepaalt in fine immers uit-drukkelijk dat de verhuurder die tijdens de periode van drie maanden van artikel 14, eerste lid, nog geen standpunt heeft ingenomen ten opzichte van de aanvraag tot huurhernieuwing van de onderhuurder, zulks nog kan doen tijdens het geding voor de rechter.

Aangezien de verhuurder niet verplicht is zijn antwoord binnen de drie maanden te rekenen vanaf de aanvraag tot hernieuwing aan de onderhuurder kenbaar te ma-ken, kan uit zijn stilzwijgen niet afgeleid worden dat hij akkoord gaat met de aan-vraag tot huurhernieuwing van de onderhuurder.

Bij stilzwijgen van de verhuurder is de onderhuurder dan ook gehouden de hoofd-huurder en de verhuurder te dagvaarden binnen de termijnen bepaald in artikel 14, tweede lid, Handelshuurwet.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste middel

3. De appelrechters oordelen niet alleen dat de eiseres ten aanzien van de hoofdhandelshuurovereenkomst een derde is in de zin van artikel 1165 Burgerlijk Wetboek en dat dit artikel verhindert dat een derde, buiten het geval van een be-ding te zijnen gunste, in zijn voordeel de uitvoering zou vorderen van een contrac-tuele verbintenis.

Zij oordelen op vergeefs bekritiseerde wijze ook: "In de hypothese dat (de eiseres) zich rechtstreeks op het artikel 3, derde alinea van de hoofdhandelshuuroveren-komst zou kunnen beroepen, quod non, dan nog zou dit geen afbreuk hebben ge-daan aan de verplichting, als onderhuurder, om de dagvaardingsformaliteiten van artikel 14, tweede lid HHW na te leven".

4. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
Vordering tot bindendverklaring.

5. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring die de eiseres heeft ingesteld.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 852,43 euro, voor de verweerster op 444,98 euro en voor de tweede tot gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij op 258,06 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 28/10/2016 - 17:54
Laatst aangepast op: vr, 28/10/2016 - 17:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.