-A +A

Vorderingen in verschillende aanleg zijn niet samenhangend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 20/03/2015
A.R.: 
C.14.0298.N

Krachtens art. 30 Ger.W. kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Krachtens art. 566, eerste lid Ger.W. kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, die, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank worden samengevoegd met inachtneming van de voorrang bepaald in art. 565, 2° tot 5° Ger.W.

Krachtens art. 565, tweede lid Ger.W., in zijn hier toepasselijke versie, geschiedt in geval van aanhangigheid de verwijzing naar de aldaar bepaalde voorrang.

De door die bepaling opgelegde voorrang veronderstelt dat de vorderingen hangende zijn voor rechtscolleges van dezelfde rang. Er is bijgevolg geen samenhang tussen vorderingen in verschillende aanleg. Dit geldt ook wanneer de beide zaken voor hetzelfde rechtscollege aanhangig zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
538
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.14.0298.N

M.I.V.B. t/ NV E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 9 november 2010 en tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 21 januari 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Art. 1050, tweede lid Ger.W. bepaalt dat tegen een beslissing inzake de bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.

Uit deze bepaling volgt dat tegen een vonnis waarbij de rechter zich enkel bevoegd of onbevoegd verklaart, geen onmiddellijk hoger beroep openstaat en een dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– de Politierechtbank te Brussel zich bij vonnis van 3 november 2008 onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van de verweerster tegen de eiseres en de zaak heeft verzonden naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;

– de verweerster tegen dit vonnis hoger beroep heeft aangetekend bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

3. Door dit hoger beroep, dat werd gericht tegen een vonnis waarbij de politierechtbank zich enkel onbevoegd had verklaard en de zaak naar de volgens haar bevoegde rechter had verwezen ontvankelijk te verklaren, schendt het bestreden vonnis van 9 november 2010 art. 1050, tweede lid Ger.W.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

4. Krachtens art. 30 Ger.W. kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Krachtens art. 566, eerste lid Ger.W. kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, die, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank worden samengevoegd met inachtneming van de voorrang bepaald in art. 565, 2o tot 5o Ger.W.

Krachtens art. 565, tweede lid Ger.W., in zijn hier toepasselijke versie, geschiedt in geval van aanhangigheid de verwijzing naar de aldaar bepaalde voorrang.

5. De door die bepaling opgelegde voorrang veronderstelt dat de vorderingen hangende zijn voor rechtscolleges van dezelfde rang. Er is bijgevolg geen samenhang tussen vorderingen in verschillende aanleg. Dit geldt ook wanneer de beide zaken voor hetzelfde rechtscollege aanhangig zijn.

6. Door te beslissen om de zaak die door de politierechtbank te Brussel naar de Rechtbank van Eerste Aanleg werd verwezen en die bijgevolg in eerste aanleg bij deze rechtbank aanhangig was wegens samenhang samen te voegen met de zaak die hierbij aanhangig was ingevolge het tegen datzelfde vonnis aangetekend hoger beroep, schendt het bestreden vonnis van 9 november 2010 de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

...

Noot: 

Onder voormeld arrest in het RW: Bart Van den Bergh, Onterechte voeging wegens samenhang, voorbarig hoger beroep tegen een vonnis inzake onbevoegdheid en de omvang van de vernietiging van een cassatiearrest (met verwijzing naar talrijke rechtspraak en rechtsleer).

Zie ook:

• B. Van den Bergh, “Het boomerang-effect van artikel 1070 Ger.W.” (noot onder Gent 21 november 2012), TBBR 2014, (211), p. 212, nr. 4;

• P. Van Rillaer, “Het hoger beroep tegen een beslissing inzake de bevoegdheid” (noot onder Cass. 13 februari 2003), RW 2002-03, (1583), p. 1585, nr. 9;

• E. Brewaeys, “’t Is maar een woord? Het eindvonnis van artikel 1050 tweede lid Ger.W.” (noot onder Cass. 24 juni 2005), RABG 2006, 363;

• B. Maes, “Het hoger beroep tegen een tussenvonnis dat een eindbeslissing bevat” (noot onder Cass. 3 mei 2012), RABG 2012, (1281), p. 1282, nr. 3;

• P. Vanlersberghe, “De draagwijdte van artikel 1050, tweede lid Ger.W.” (noot onder Cass. 3 oktober 2014), RABG 2015, (428), p. 429, nr. 5;

• G. Closset-Marchal, “Les pièges des déclinatoires de compétence” (noot onder Cass. 3 maart 2008), TBBR 2009, (226), p. 228, nr. 5;

• G. Closset-Marchal, “Après cassation d’une décision sur la compétence: à qui renvoyer?”, JT 2006, (117), p. 119, nr. 11;

• P. Taelman, “Hoger beroep tegen vonnis inzake rechtsmacht/bevoegdheid” (noot onder Antwerpen 17 november 2003), P&B 2006, 166;

• M. Piers, “De beslissing van de rechter over een exceptie van arbitrage is onmiddellijk vatbaar voor hoger beroep” (noot onder Antwerpen 7 april 2003), TBH 2004, 573;

• B. Van den Bergh, “Over cumul van vorderingen, samenhang en de aanwijzing van de bevoegde rechter” (noot onder Cass. 7 februari 2008), RW 2009-10, 192;

• P. Thiriar, “Zelfs de samenhang kent zijn grenzen” (noot onder Rb. Antwerpen, afd. Turnhout 2 juni 2014), RW 2015-16, 386;

• P. Van Orshoven, “Je n’aime pas mon sujet. De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen”, TPR 2004, (1085), p. 1135, nr. 75;

• B. Deconinck, “Dubbele aanleg en exceptie van samenhang” (noot onder Kh. Dendermonde afd. Sint-Niklaas 31 mei 1988), RW 1988-89, 1135;

• B. Van den Bergh, “De noodzaak van een beschikkend gedeelte in een vonnis of arrest” (noot onder Cass. 11 mei 2012), RW 2012-13, (1536), p. 1537, nr. 4;

• A. Meeus, “L’étendue de la cassation en matière civile” (noot onder Cass. 18 maart 1983), RCJB 1986, (262), p. 265, nr. 6

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/01/2017 - 13:55
Laatst aangepast op: vr, 27/01/2017 - 13:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.