-A +A

Vorderingen van verschillende slachtoffers van eenzelfde dader zijn niet samenhangend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 01/10/2013

Vorderingen van verschillende slachtoffers tegen dezelfde dader(s) zijn ontoelaatbaar, omdat voor de verschillende slachtoffers andere middelen kunnen ingeroepen worden. De Class action bestaat in België nog niet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
507
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Burgerlijke Rechtbank te Gent, 7e Kamer – 1 oktober 2013

V. e.a. t/ de Heilige Stoel e.a.

...

II. Relevante feiten en voorwerp van de vorderingen

1. De 39 eisers voeren aan dat zij allen tijdens hun minderjarigheid het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik, gepleegd door bedienaars van de Rooms-Katholieke Kerk in België en hiervoor in 2010 klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend bij de onderzoeksrechter te Brussel wegens seksueel misbruik en schuldig verzuim (Operatie Kelk). Dit gerechtelijk strafonderzoek is hangend.

Blijft dan de vraag of deze erkende morele verantwoordelijkheid voor dit “onzorgvuldig zwijgen” (nog) kan leiden tot een juridische aansprakelijkheid van de verweerders voor de schade van de eisers, via de door de eisers gezamenlijk ingespannen procedure.

6.1. Rechtsmacht (art. 6 Ger.W.)

Art. 6 Ger.W. bepaalt dat de rechters in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak mogen doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

De eisers vragen de verweerders aansprakelijk te verklaren voor de persoonlijke en individuele schade van elke eiser afzonderlijk, ingevolge de op hen tijdens hun minderjarigheid gepleegde seksuele misbruiken begaan door bedienaars van de Kerk (d.w.z. de individuele bijkomende schade veroorzaakt door het foutieve “doofpotbeleid” van de verweerders) en slechts die eisers:

– wier aanvraag bij het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik ontvankelijk werd verklaard;

– of van wie Dignity in het raam die procedure de hoedanigheid van slachtoffer reeds heeft erkend vorderen een (provisionele) vergoeding voor deze schade. Zij vorderen derhalve geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking, maar een vergoeding voor de individuele schade van elke eiser veroorzaakt door de beweerde beleidsfouten van de verweerders.

Volledigheidshalve en terloops merkt de rechtbank nog op dat – in tegenstelling tot de omschrijving van de vorderingen van eisers in het beschikkend gedeelte van hun syntheseconclusie – uit volgende gegevens zou kunnen blijken dat de eisers in een eerste fase van de procedure een tussenvonnis wensen te verkrijgen waarin wordt vastgesteld dat de verweerders in het algemeen beleidsfouten hebben begaan (los van enige concrete beleidsfout, in causaal verband met de concrete schade van elke eiser), wat dan wel een uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking zou kunnen betreffen, waartoe de rechtbank geen rechtsmacht heeft: (...).

...

6.3. Samenhang

Conform art. 701 Ger.W. kunnen verschillende vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld. Deze bepaling is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat een schending ervan niet tot de nietigheid van de dagvaarding kan leiden. Overeenkomstig art. 860 Ger.W. kan een proceshandeling immers alleen nietig worden verklaard, als de wet de nietigheid ervan uitdrukkelijk heeft bevolen.

De tegenhanger van voormeld art. 701 Ger.W. is art. 856, tweede lid Ger.W., dat bepaalt dat in geval samenhangende vorderingen voor eenzelfde rechter aanhangig zijn, zij – zelfs ambtshalve – kunnen worden gevoegd. M.a.w., met art. 701 Ger.W. biedt de wetgever de mogelijkheid de exceptie van samenhang zoals bepaald in art. 856 Ger.W. te voorkomen. De rechter voert bij de toepassing van art. 701 Ger.W. het omgekeerde onderzoek van art. 856 Ger.W. indien er betwisting over de samenhang ontstaat.

Art. 30 Ger.W. bepaalt dat rechtsvorderingen als samenhangende zaken kunnen worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. De vraag of rechtsvorderingen samenhangend zijn, staat ter vrije beoordeling van de rechter.

Ter zake is de rechtbank van oordeel dat de diverse vorderingen niet samenhangend zijn aangezien er geen gevaar bestaat voor onverenigbare oplossingen van de diverse vorderingen. Het is immers bijvoorbeeld perfect mogelijk dat de vordering van de ene eiser verjaard is en van een andere niet, zodat in de ene zaak niet ten gronde kan worden geoordeeld en in de andere zaak wel, dat ten aanzien van één verweerder een concrete beleidsfout zou worden aangetoond die schade heeft veroorzaakt aan één eiser, maar niet aan een andere, enz. De eisers erkennen overigens zelf dat hun vorderingen niet samenhangend zijn, omdat zij (evenwel na tussenvonnis) de eventuele afsplitsing vragen van de zaken naar één afzonderlijke zaak per eiser (met apart rolnummer).

Blijft dan de vraag naar de sanctie voor de onterechte cumulatie van de vorderingen van eisers. Ter zake bestaan, grof geschetst, drie strekkingen in de rechtsleer en rechtspraak:

– een eerste strekking, die alle vorderingen onontvankelijk verklaart (zie o.m. Rb. Namen 22 februari 1990, JLMB 1991, 203, met afkeurende noot J. Englebert, “La citation collective, conditions et sanctions” (p. 205-208));

– een tweede strekking, die enkel de eerst aangebrachte vordering ontvankelijk verklaart en beoordeelt en de overige vorderingen onontvankelijk verklaart (zie o.m. Brussel 1 februari 2007, JLMB 2007, 881, TBBR 2007, 563, noot A. Vandeburie);

– een derde strekking, die de eerst aangebrachte vordering of de vordering waarvoor de rechter bevoegd is, beoordeelt en de overige vorderingen afsplitst door hetzij deze vorderingen naar de arrondissementsrechtbank of de bevoegde rechter te verwijzen, hetzij de procedures m.b.t. de overige vorderingen op te schorten totdat deze procedures op de rol werden gezet (zie o.m.: P. Dauw, “Commentaar bij art. 701 Ger.W.” in Comm.Ger. 2004, (...); P. Taelman en Ph. Thion, “Bundeling van vorderingen”, TPR 2003, p. 1510-1511, randnr. 19).

De rechtbank onderschrijft deze laatste stelling. Terwijl samenhangende vorderingen, die met een afzonderlijk exploot worden ingeleid, kunnen worden samengevoegd, is het immers logisch dat de omgekeerde beweging – namelijk de splitsing – wordt toegepast, wanneer niet-samenhangende vorderingen met hetzelfde exploot worden ingeleid. Deze logica wordt overigens ook – minstens impliciet – gevolgd in een arrest van het Hof van Cassatie van 17 september 1981 (RW 1982-83, 702).

De rechtbank zal thans derhalve enkel de vordering van R.V. in eigen naam (eerst aangebrachte vordering) beoordelen en de beoordeling van de 38 overige vorderingen opschorten tot deze alle afzonderlijk op de rol zijn gebracht (met betaling van het rolrecht per afzonderlijke procedure).

....

(Uittreksel uit het vonnis tegen de Heilige Stoel inzake seksueel misbruik door de Kerk voor de integrale tektst van het vonnis zie de link onder rechtspraak.)

...

Belngrijke opmerking  Tegen bovenstaand vonnis werd hoger beroep aangetekend.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/12/2013 - 22:11
Laatst aangepast op: di, 11/03/2014 - 00:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.