-A +A

Vorderingen echtscheiding en aanverwante vorderingen bevoegdheid IPR

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 29/01/2015

Krachtens art. 42 WIPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende het huwelijk of zijn gevolgen, het huwelijksvermogensrecht, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, naast de gevallen vermeld in de algemene bepalingen van deze wet, indien

(1) in geval van gezamenlijke vordering, een van de echtgenoten bij het instellen van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft; (

2) de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich in België bevond, niet meer dan twaalf maanden voorafgaandelijk aan het instellen van de vordering;

(3) de echtgenoot die de vordering instelt, op het ogenblik van het instellen van de vordering sedert ten minste twaalf maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft of

(4) beide echtgenoten op het ogenblik van het instellen van de vordering Belg zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
549
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

U. t/ M.

...

I. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 25 juli 2012 gaat de vakantiekamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne (grotendeels) in op de bij dagvaarding van 23 september 2011 ingestelde vordering van Gérard M. (hierna: M.) om zodoende ten aanzien van Michèle U. (hierna: U.) de uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling te bevelen van (1) een appartement met kelder in de residentie S. te K. (aan de Zeedijk) en (2) een garage in het garagecomplex S. te K. (onder de Zeedijk), met aanwijzing van notaris Peter D. (met standplaats te K.) als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W.

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 24 oktober 2012 stelt U. (tijdig, regelmatig en derhalve ontvankelijk) hoger beroep in tegen het voormelde vonnis van 25 juli 2012.

Zij beoogt in essentie de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van M., in de eerste plaats bij gebrek aan internationale bevoegdheid of rechtsmacht van de Belgische rechter.

Minstens zou het hof de zaak moeten aanhouden totdat uitspraak is gedaan in de echtscheidingsprocedure die tussen de partijen hangt voor de Arrondissementsrechtbank te Luxemburg.

2. M. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

III. Beoordeling

1. Beide partijen hebben de Luxemburgse nationaliteit en wonen te Luxemburg.

Zij huwden te Luxemburg op 21 juli 1989.

Met een huwelijkscontract van 21 februari 2001 (verleden te Luxemburg) wijzigden zij hun huwelijksvermogensstelsel naar een stelsel tot zuivere scheiding van goederen naar Luxemburgs recht (art. 1536 e.v. Luxemburgs BW).

Bij notariële akten van 7 april 2005 en 23 december 2008 kochten zij respectievelijk het voormelde appartement met kelder en voormelde garage in onverdeelde mede-eigendom.

In zoverre deze onroerende goederen te K. (als vakantiebestemming), evenals een vakantiewoning te VSA-Florida, naar verluidt deel uitmaken van het onverdeelde huwelijksvermogen van de partijen, verkeren zij volgens M. niet in onverdeeldheid met betrekking tot andere onroerende goederen. In tegenstelling tot wat de eerste rechter aanneemt, betoogt M. dat er geen andere onverdeelde onroerende goederen zijn en meer precies dat (1) het bedoelde appartement te Luxemburg-stad toebehoort aan de (immobiliën)vennootschap naar Luxemburgs recht SCI M.; (2) het bedoelde appartement te Luxemburg-Beggen eveneens toebehoorde aan die vennootschap en intussen is verkocht en (3) de bedoelde woning te Luxemburg-Olm exclusief toebehoort aan U. (die er overigens woont). In zoverre U. aanvoert dat de inwilliging van de hier hangende vordering van M. een optimale kavelvorming met verdeling in natura belet, spreekt M. dit tegen. M. voert immers aan dat de enige onverdeelde onroerende goederen die zijn te K. en te VSA-Florida, terwijl deze goederen respectievelijk te K. en te VSA-Florida zelfstandige boedels vormen die als zodanig bezwaarlijk in natura kunnen worden verdeeld.

2. De partijen leven, naar verluidt, feitelijk gescheiden vanaf 13 november 2010.

3. Tot op heden hangt voor de Arrondissementsrechtbank te Luxemburg de bij dagvaarding van 2 december 2010 ingestelde echtscheidingsprocedure tussen de partijen, waarin volgens M. nog geen (vordering tot) gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen is begrepen (evenmin blijkens de bedoelde conclusie van U. van 10 november 2011, die hoe dan ook dateert van na het instellen van onderhavige procedure bij dagvaarding van 23 september 2011).

In zoverre U. aanvoert dat de hier hangende vordering van M. is begrepen in de te Luxemburg hangende echtscheidingsprocedure, spreekt M. dit tegen. Volgens M. is te Luxemburg geen vordering met dezelfde oorzaak en hetzelfde voorwerp hangende.

4. Anders dan de eerste rechter is het hof met U. van oordeel dat de Belgische rechter hoe dan ook (d.w.z. ongeacht of deze vordering ook reeds, gebeurlijk vooraf, de facto hangt voor de echtscheidingsrechter te Luxemburg) geen internationale bevoegdheid of rechtsmacht heeft om van de vordering van M. tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van de onroerende goederen te K. kennis te nemen.

Anders dan de eerste rechter oordeelt, kan art. 11 WIPR bezwaarlijk dienen om tot de internationale bevoegdheid of rechtsmacht te besluiten. Krachtens deze bepaling zijn, onverminderd de andere bepalingen van het WIPR, de Belgische rechters uitzonderlijk bevoegd (1) wanneer de zaak nauwe banden heeft met België en (2) een procedure in het buitenland onmogelijk blijkt of het onredelijk zou zijn te eisen dat de vordering in het buitenland wordt ingesteld. Voor zover de litigieuze vordering (gelet op de ligging van de voormelde onroerende goederen) nauwe banden heeft met België, blijkt geenszins afdoende dat een procedure in het buitenland onmogelijk is en dat het onredelijk zou zijn te eisen dat de vordering in het buitenland wordt ingesteld. Zoals reeds aangegeven, hangt tot op heden voor de Arrondissementsrechtbank te Luxemburg de bij dagvaarding van 2 december 2010 ingestelde echtscheidingsprocedure tussen de partijen, waarin minstens virtueel een gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen is begrepen. Dat het een huwelijksvermogensstelsel tot zuivere scheiding van goederen naar Luxemburgs recht betreft, doet daaraan geen afbreuk, evenmin als het gegeven dat het gewezen onverdeelde huwelijksvermogen onroerende goederen buiten Luxemburg en meer precies te K. en te VSA-Florida omvat.

Bovenal geldt art. 42 WIPR tot bepaling van de internationale bevoegdheid of rechtsmacht van de Belgische rechter inzake huwelijksvermogensrecht (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 35, nr. 53). Noch de EG-verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, noch de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van EG-verordening nr. 1347/2000, gelden tot bepaling van de internationale bevoegdheid of rechtsmacht inzake huwelijksvermogensrecht (J. Decoker en T. Kruger, “Het nieuwe IPR voor personen en familie” in H. Van Houtte (ed.), Thermiscahier internationaal privaatrecht, Brugge, die Keure, 2005, p. 37-38, nr. 35; S. Saroléa, “Commentaar bij art. 42 WIPR” in J. Erauw e.a., Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen/Brussel, Intersentia/Bruylant, 2006, 230-231).

Krachtens art. 42 WIPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende het huwelijk of zijn gevolgen, het huwelijksvermogensrecht, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, naast de gevallen vermeld in de algemene bepalingen van deze wet, indien (1) in geval van gezamenlijke vordering, een van de echtgenoten op het ogenblik van het instellen van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft; (2) de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich in België bevond, niet meer dan twaalf maanden voorafgaand aan het instellen van de vordering; (3) de echtgenoot die de vordering instelt, op het ogenblik van het instellen van de vordering sedert ten minste twaalf maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft of (4) beide echtgenoten op het ogenblik van het instellen van de vordering Belg zijn.

Hoewel de hier hangende vordering van M., ondanks het geldende huwelijksvermogensstelsel tot scheiding van goederen, strekt tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van onverdeelde onroerende goederen te K. en zodoende een vordering inzake huwelijksvermogensrecht betreft, zijn geen van voormelde vier mogelijkheden voorhanden. De partijen hebben de Luxemburgse nationaliteit en wonen te Luxemburg. Zij hebben nooit in België gewoond en er evenmin hun gewone verblijfplaats gehad.

U. werpt dan ook terecht het gebrek aan internationale bevoegdheid of rechtsmacht van de Belgische rechter op om van de vordering van M. tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van de onroerende goederen te K. kennis te nemen. Zoals aangegeven, hangt tot op heden voor de Arrondissementsrechtbank te Luxemburg de bij dagvaarding van 2 december 2010 ingestelde echtscheidingsprocedure tussen de partijen, waarbij minstens virtueel een gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen is begrepen. Dat het een huwelijksvermogensstelsel tot zuivere scheiding van goederen naar Luxemburgs recht betreft, doet daaraan geen afbreuk, evenmin als het gegeven dat het gewezen onverdeelde huwelijksvermogen onroerende goederen buiten Luxemburg en meer precies te K. en te VSA-Florida omvat. De kwestie of deze goederen respectievelijk te K. en te VSA-Florida al dan niet zelfstandige boedels vormen die als zodanig bezwaarlijk in natura kunnen worden verdeeld, is daarbij van geen tel.

De bedongen zuivere scheiding van goederen naar Luxemburgs recht neemt niet weg dat de vordering van M. tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van de onroerende goederen te K. een vordering is betreffende het huwelijksvermogensrecht in de zin van art. 42 WIPR. Het gaat, anders dan M. beweert, niet om een gemeenrechtelijke vordering die aan de kwalificatie “huwelijksvermogensrecht” zou zijn onttrokken. De bedoelde zuivere scheiding van goederen staat en valt met het huwelijkscontract van 21 februari 2001. Het blijft gaan om huwelijksvermogensrecht.

Dat de partijen met een huwelijkscontract van 21 februari 2001 (verleden te Luxemburg) hun huwelijksvermogensstelsel wijzigden naar een stelsel tot zuivere scheiding van goederen naar Luxemburgs recht heeft, anders dan M. beweert, enkel materieelrechtelijke en derhalve geen procesrechtelijke repercussie. Die rechtskeuze heeft niets te maken met de (on)bevoegdheid van de Luxemburgse of buitenlandse rechter.

5. Het hoger beroep van U. slaagt in die zin dat het hof, met hervorming van het beroepen vonnis, moet vaststellen dat de eerste rechter en het hof geen internationale bevoegdheid of rechtsmacht hebben om van de vordering van M. tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van de onroerende goederen te K. kennis te nemen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/12/2016 - 07:31
Laatst aangepast op: za, 03/12/2016 - 07:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.