-A +A

Vordering voor leveringen in het zwart

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/01/2015
A.R.: 
C.12.0232.N

De “reguliere” Belgische rechtbanken zijn er niet om “irreguliere” handelsrelaties op een of andere wijze te bestraffen.

De partijen hebben duidelijk hun conflicten te “danken” aan niet-officiële handelsbetrekkingen, die bij essentie strijdig zijn met de openbare orde. De gerechtelijke macht is er niet om hierin tussen te komen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
910
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

‘t Z. t/ A.

Gezien het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 29 maart 2013 door ’t Z. tegen een vonnis van 27 september 2012, gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Gent.

...

Antecedenten

I.A. De oorspronkelijke vordering van A. strekt tot de veroordeling van ’t Z. tot de betaling van zes facturen voor de levering van drank en voedingswaren aan de pittazaak ’t Z.: (...).

Met een aangetekende brief van 6 december 2010 stelt de raadsman van A. ’t Z. in gebreke waarbij om betaling wordt verzocht van een bedrag van 6.659,02 euro in hoofdsom uit hoofde van de zes voornoemde achterstallige facturen, vermeerderd met een schadevergoeding gelijk aan 998,86 euro en 167,30 euro interesten.

De boekhouder van ’t Z. tekent protest aan met een fax van 13 december 2010, waarbij hij erop wijst dat de facturen waarvan betaling wordt gevorderd (net zoals in het verleden) telkens contant werden betaald bij aflevering van de goederen. Hij verzoekt om de mededeling van de leveringsbons waaruit blijkt dat de gefactureerde goederen daadwerkelijk in ontvangst werden genomen door ’t Z.

B. Met dagvaarding van 8 februari 2011 vordert A. de veroordeling van ’t Z. tot de betaling van een bedrag van 6.659,05 euro uit hoofde van de zes achterstallige facturen, vermeerderd de contractuele moratoire interesten aan 8% op jaarbasis tot de dag van de volledige betaling, alsook tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 998,86 euro (15%), vermeerderd met gerechtelijke interesten vanaf 8 februari 2011 tot de dag van de volledige betaling.

Voor de eerste rechter vordert ’t Z. de afwijzing van de vordering van A. als ongegrond. Voor de eerste rechter vraagt zij in voorkomend geval met toepassing van art. 871 e.v. Ger.W. te bevelen dat A. haar boekhouding (in het bijzonder de klantenfiche van ’t Z., de leveringsbons van 2010, de boekingen van de betalingen van 2010 en de BTW-listing van 2010) dient over te leggen alsook de h. E.S., de h. A.S., de h. I. en de h. B. onder eed te horen en A. te bevelen de volledige identiteit en de adressen van deze vier personen mee te delen aan de rechtbank, zodat deze kunnen worden opgeroepen.

C. De eerste rechter oordeelde dat ’t Z. niet aantoont dat zij de facturen waarvan betaling wordt gevorderd, binnen een redelijke termijn regelmatig en op gemotiveerde wijze heeft geprotesteerd en dat uit het gebrek aan bewijs van een tijdig en regelmatig protest dient te worden afgeleid dat ’t Z. stilzwijgend heeft aanvaard dat wat door A. de facturen werd bevestigd, overeenstemt met de overeenkomst, zodat deze facturen de overeenkomst bewijzen. Zij oordeelde voorts dat ’t Z. geen bewijs van betaling voorlegt.

Zij veroordeelde ’t Z. tot betaling van een bedrag van 6.659,05 euro, vermeerderd met de interesten van 8% op jaarbasis vanaf de respectieve vervaldata van de facturen tot de datum van integrale betaling alsook tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 665,90 euro (10%), en de gedingkosten.

De eerste rechter verminderde de gevorderde schadevergoeding en kende geen interesten toe op de schadevergoeding.

II. Kort samengevat argumenteert ’t Z., de appellante, wat volgt:

– de eerste rechter is ten onrechte niet ingegaan op het verzoek van ’t Z. tot het horen van getuigen onder eed, terwijl in handelszaken het principe geldt dat het bewijs mag geleverd worden door alle middelen van recht;

– ’t Z. heeft de facturen steeds contant betaald bij de levering en op de leveringsbonnen werd melding gemaakt van de betalingen, ’t Z. legt deze leveringsbonnen neer;

– voor het geval A. meent dat er nog andere leveringsbonnen zijn die nog betaald moeten worden, moet zij deze neerleggen;

– A. dient loyaal mee te werken aan de bewijsvoering en dient procedureel te goeder trouw te zijn; zij dient haar boekhouding voor te leggen teneinde een overzicht te krijgen van alle facturen én de hiermee corresponderende leveringsbonnen.

’t Z. vordert dan ook de inwilliging van haar hoger beroep, de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van A. als ongegrond (...).

Zij vraagt in voorkomend geval, vooraleer over de grond van de zaak te oordelen, met toepassing van art. 871 e.v. Ger.W. te bevelen dat A. haar boekhouding (in het bijzonder de klantenfiche van ’t Z., de leveringsbons van 2010, de boekingen van de betalingen van 2010 en de BTW-listing van 2010) dient over te leggen alsook de h. E.S., de h. A.S., de h. I. en de h. B. onder eed te horen en A. te bevelen de volledige identiteit en de adressen van deze vier personen mee te delen aan de rechtbank, zodat deze kunnen worden opgeroepen.

A. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vordert de integrale bevestiging van het bestreden vonnis (...).

Beoordeling

I. Het hof heeft bij de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2014 gevraagd dat zowel de appellante als de geïntimeerde hun respectieve kasboeken voor 2010 zouden voorleggen.

De appellante blijkt geen kasboek te hebben.

De boekhouder van de appellante – G. De K., accountant – schrijft in een brief van 10 november 2014 onder meer: “De firma heeft als vennootschapsvorm de Coöperatieve Vennootschap met Onbeperkte Aansprakelijkheid. Dit houdt in dat, in tegenstelling tot de BVBA, de vennoot met zijn persoonlijke bezittingen onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap. Anderzijds dient men, in tegenstelling tot de BVBA, slechts een zeer beperkte boekhouding te houden. Immers, er is toch geen beperking van de aansprakelijkheid van de zaakvoerder. Deze vennootschapsvorm is slechts aangewezen voor een zeer kleinschalige activiteit, waaronder een pitta-snack zeker te rangschikken valt. Aangezien de h. O. de enige uitbater en actieve zaakvoerder is, zou het ook om praktische redenen voor hem onmogelijk zijn elke financiële transactie onmiddellijk in een kasboek in te schrijven. Bij levering van groente, brood, pitta-vlees, frisdrank, enz ... wordt immers meestal onmiddellijk betaald, terwijl hij ook op dat ogenblik vaak klanten aan het bedienen is. De leveranciers worden dan ook bij het opmaken van de jaarrekening afgeboekt.”

Ook voor het hof blijven er nog wonderlijke en ondoorgrondelijke wegen die bepaalde handelaars bewandelen. Dat een boekhouder dergelijke zaken durft neer te schrijven is uiterst verbazend.

Een handelaar, zij het een fysieke persoon of om het even welke rechtspersoon, dient naast de gewone boeken van uitgaande en inkomende facturen, ook over een kasboek te beschikken. Het dient dan nog te beklemtoond te worden dat een dergelijk soort handel waarin de beide partijen, maar vooral de appellante actief zijn, waar bijna alles in contanten geschiedt – zie de brief van de accountant –, alleszins een kasboek dient te hebben.

II. De geïntimeerde heeft wél een kasboek. Betalingen voor de kwestieuze door hem ten laste van de appellante gevorderde facturen, worden er niet in teruggevonden.

Wél blijkt op voldoende overtuigende wijze dat er in het verleden ook facturaties / leveringen zijn geschied die niet gevorderd worden door de geïntimeerde, maar die door de appellante contant zijn betaald, evenwel ook niet opgenomen in het (bestaande) kasboek van de geïntimeerde.

De geïntimeerde doet dit af als “niet ter zake”, aangezien het volgens de geïntimeerde louter gaat over de (voormelde) zes facturen voor de periode van mei 2010 tot oktober 2010 en over de niet-betaling van die facturen: “De periode daarvoor staat niet ter discussie”.

III. Het hof acht een en ander wél ter zake. Uit de voorgelegde stukken en verklaringen wederzijds, kan met meer dan voldoende zekerheid naar echt worden besloten dat de partijen een commerciële relatie hadden die in overgrote mate “het licht” niet verdroeg.

Indien de partijen graag een handel hebben gevoerd, grotendeels op basis van contante betalingen die niet eens werden genoteerd in de boeken, dan is er uiteraard een risico dat – alleszins bij een breuk in de relaties – er bewijsproblemen van aanrekening c.q. betaling rijzen voor wat de laatste leveringen betreft.

De “reguliere” Belgische rechtbanken zijn er niet om “irreguliere” handelsrelaties op een of andere wijze te bestraffen.

De partijen hebben duidelijk hun conflicten te “danken” aan niet-officiële handelsbetrekkingen, die bij essentie strijdig zijn met de openbare orde. De gerechtelijke macht is er niet om hierin tussen te komen.

IV. In die omstandigheden is het hof van oordeel niet nader te hoeven ingaan op welke betwisting dan ook. Alle vorderingen worden afgewezen als ongeoorloofd daar strijdig met de openbare orde. Elk van de partijen zal haar eigen gerechtskosten dragen.

Noot: 

zie evenwel:

Hof van Cassatie 15/02/2016, AR S.15.0020.F

Samenvatting

Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verbiedt niet dat degene die een bedrag ontvangen heeft dat aan de fiscale en sociale overheid niet als loon werd aangegeven, tegen diegene die hem dat bedrag betaald heeft aanvoert dat het een loon betreft voor geleverd werk in uitvoering van een arbeidsovereenkomst

Tekst arrest

Nr. S.15.0020.F
SOYER & MAMET nv,
tegen
Ph. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 4 november 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verbiedt niet dat degene die een bedrag ontvangen heeft dat aan de fiscale en sociale administraties niet als loon werd aangegeven, tegen diegene die hem dat bedrag betaald heeft, aanvoert dat het een loon betreft ontvangen als tegenprestatie voor de in uitvoering van een arbeidsovereenkomst verrichte arbeid.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

(...)
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 15 februari 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 08/03/2017 - 13:10
Laatst aangepast op: ma, 25/09/2017 - 17:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.