-A +A

Vordering verborgen gebreken redelijke termijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 28/06/2016
A.R.: 
A/12/5249, A/15/12477

Sinds de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015 (BS 22 oktober 2015 de zogenaamde Potpourri I-wet) dient de rechtbank de ontvankelijkheid van de vordering te beoordelen, alvorens over te gaan tot het bevelen van een onderzoeksmaatregel.

Artikel 875bis, eerste lid Ger.W.: “Behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van een ontvankelijkheidvoorwaarde, kan de rechter een onderzoeksmaatregel slechts bevelen nadat de betrokken vordering ontvankelijk werd verklaard.”

De vordering wegens licht verborgen gebreken dient ingesteld te worden binnen een redelijke termijn.

“De proceduretermijn is de concrete termijn waarbinnen de opdrachtgever (in dit geval de hoofdaannemer) na de ontdekking van een 'licht' verborgen gebrek een aansprakelijkheidsvordering in rechte moet instellen tegen de (in dit geval onder)aannemer van de werken of diensten op grond van diens gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor dat verborgen gebrek.” (K. Uytterhoeven, “De contractuele aansprakelijkheid” in K. Deketelaere, M. Schoups en A.-L. Verbeken, Handboek Bouwrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 632).

De redelijke termijn is een proceduretermijn hetgeen de ontvankelijkheid van de vordering betreft.

Deze termijn neemt een aanvang op het ogenblik dat de opdrachtgever het bestaan van het gebrek ontdekt of had moeten ontdekken.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
121
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.D.K. BVBA / H-T.E. NV, A.T.S. BVBA, H.HVAC NV - Rolnrs.: A/12/5249, A/15/12477)

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding betekend op 11 juni 2012.

Bij tussenvonnis van 15 februari 2013 werd gerechtsdeskundige E.G. aangesteld.

Bij dagvaarding in tussenkomst en op rechtstreekse eis van de NV H.-T.E. van 18 november 2015 werd het architectenbureau T.S. in het geding betrokken;

Huidige betwisting heeft betrekking op de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgebracht door de BVBA M.D.K. tegen haar onderaannemer de NV H.HVAC.

Partijen hebben stukken en besluiten gewisseld.

Pleidooien werden gehouden en de zaak werd in beraad genomen.

I. De vorderingen
Eiseres vordert dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring veroordeeld wordt tot deelname aan het deskundige onderzoek bevolen door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 15 februari 2013 en dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring zou veroordeeld worden tot vrijwaring van eiseres voor iedere veroordeling die zij zou oplopen ten opzichte van de NV H.-T.E., in hoofdsom, interesten en kosten, met veroordeling van verweerster in tussenkomst en vrijwaring tot betaling van de gerechtskosten en uitvoerbaarverklaring van het te vellen vonnis;

Verweerster in tussenkomst en vrijwaring vordert dat de vordering van eiseres onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaard worden en dat eiseres zou veroordeeld worden tot betaling van de gerechtskosten.

II. De feiten
Op 18 februari 2008 sloot eiseres, als hoofdaannemer met verweerster in tussenkomst en vrijwaring een aannemingsovereenkomst af voor de levering en de plaatsing van ventilatie in een appartementsgebouw “De Spie”, (…).

Uit de offerte blijkt dat de totale aannemingsprijs voor deze werken 41.509,59 EUR bedroeg excl. btw.

De werken werden uitgevoerd en gefactureerd in de periode april 2008 tot september 2009.

De facturen werden betaald.

Op 11 juni 2012 ging eiseres over tot dagvaarding van haar opdrachtgeefster de NV H.-T.E. in betaling van haar openstaande facturatie.

Deze vordering werd evenwel betwist en bij vonnis van 15 februari 2013 werd een deskundige aangesteld, de heer E.G.

Door de gerechtsdeskundige werden 4 installatievergaderingen gehouden op 4 juni 2013, 10 juni 2015, 23 februari 2015 en 14 maart 2016.

Volgens eiseres zou de deskundige tijdens deze installatievergaderingen enkel vaststellingen hebben gedaan, die niet in het minst enige beoordeling inhielden.

Verweerster van haar kant wijst erop dat de deskundige in zijn verslag van de vergadering op 17 juni 2015 schreef: “Er zijn nu voldoende gegevens beschikbaar voor het opstellen van een voorverslag.”

Dit voorverslag ligt evenwel niet voor.

Eiseres wijst er verder op dat het naar aanleiding van de installatievergadering van 14 maart 2016 is dat de toen aanwezige architect T.S. zou verwezen hebben naar de mogelijke aansprakelijkheid van verweerster voor de ventilatieproblematiek.

Eiseres zou dan onmiddellijk daarop zijn overgegaan tot dagvaarding van verweerster in tussenkomst en vrijwaring.

III. Beoordeling
Middel I: de onontvankelijkheid van de vordering
Sinds de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015 (BS 22 oktober 2015 de zogenaamde Potpourri I-wet) dient de rechtbank de ontvankelijkheid van de vordering te beoordelen, alvorens over te gaan tot het bevelen van een onderzoeksmaatregel.

Artikel 875bis, eerste lid Ger.W.: “Behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van een ontvankelijkheidvoorwaarde, kan de rechter een onderzoeksmaatregel slechts bevelen nadat de betrokken vordering ontvankelijk werd verklaard.”

De vordering wegens licht verborgen gebreken dient ingesteld te worden binnen een redelijke termijn.

“De proceduretermijn is de concrete termijn waarbinnen de opdrachtgever (in dit geval de hoofdaannemer) na de ontdekking van een 'licht' verborgen gebrek een aansprakelijkheidsvordering in rechte moet instellen tegen de (in dit geval onder)aannemer van de werken of diensten op grond van diens gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor dat verborgen gebrek.” (K. Uytterhoeven, “De contractuele aansprakelijkheid” in K. Deketelaere, M. Schoups en A.-L. Verbeken, Handboek Bouwrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 632).

De redelijke termijn is een proceduretermijn hetgeen de ontvankelijkheid van de vordering betreft.

Deze termijn neemt een aanvang op het ogenblik dat de opdrachtgever het bestaan van het gebrek ontdekt of had moeten ontdekken.

Nu blijkt uit de stukken van het dossier dat de eerste klachten met betrekking tot de ventilatie reeds dateren van 2009 en door verschillende mede-eigenaars tijdens de installatievergadering van 4 juni 2013 werden geformuleerd (eigenaars S., V.P., P.- B., J. en W.).

Hieruit blijkt dat eiseres reeds veel eerder dan 14 maart 2016 (met name vanaf december 2009) op de hoogte was van de klachten betreffende de ventilatie.

Dit overschrijdt duidelijk de redelijke termijn waarbinnen verweerster aangesproken moest worden.

De vordering van eiseres is dan ook onontvankelijk.

Volledigheidshalve kan hier nog het volgende aan worden toegevoegd:

Artikel 812 Ger.W. bepaalt: “Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen maatregelen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging.”

In zijn verslag van de vergadering van 17 juni 2015 schrijft de deskundige letterlijk: “Er zijn nu voldoende gegevens beschikbaar voor het opstellen van het voorverslag.”

Hieruit blijkt dat de deskundige zich reeds een opinie heeft gevormd over de mogelijke aansprakelijkheden.

Een vordering in tussenkomst en vrijwaring kan slechts worden ingewilligd, voor zover de rechten van de verdediging van de partij tegen wie de maatregel wordt gevorderd, niet kunnen worden geschonden.

Voor zover bij een reeds gewezen vonnis een deskundigenonderzoek werd bevolen zal in concreto dienen nagegaan te worden of de reeds door de deskundige verrichte werkzaamheden de rechtspositie van de niet aanwezige partij niet nadelig kunnen beïnvloeden.

Criterium of de rechten van de verdediging gevaar lopen is niet alleen de mate waarin de deskundige reeds met de uitvoering van zijn opdracht begonnen is (P. Lemmens, “De vordering tot bindendverklaring van een reeds gewezen vonnis” (noot onder Kh. Brussel 12 maart 1981), RW 1981-82, 2624), doch eveneens het feit of de deskundige zich reeds een idee over het technisch probleem heeft kunnen vormen en zich reeds over de eventuele verantwoordelijkheden heeft uitgelaten (Kh. Brussel 26 juni 1997, T.Desk. 1997, afl. 148, 35).

Dit is thans ongetwijfeld het geval vermits de deskundige meedeelde het voorverslag te kunnen opstellen zonder ook maar één verweermiddel van verweerster te hebben gehoord.

De vordering van eiseres is dus niet alleen onontvankelijk, doch volledigheidshalve ook ongegrond.

IV. Beslissing
Na erover te hebben beraadslaagd, komt de rechtbank tot de volgende beslissing:

Verklaart de vordering van eiseres onontvankelijk en wijst haar ervan af;

Veroordeelt haar tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerster begroot op 1.440 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Noot: 

Het deskundigenonderzoek na Potpourri I: enkele tendensen” van de hand van Jachin Van Donink

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 17:16
Laatst aangepast op: vr, 02/02/2018 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.