-A +A

Vordering van de ouders wegens administratieve geldboete van hun kind bij de Raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 21/10/2014
A.R.: 
228.841

Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om in eigen naam bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beslissing waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd. Om regelmatig een dergelijk beroep in te stellen, dient hij te worden vertegenwoordigd door diegenen die het gezag over zijn persoon uitoefenen.

Krachtens deze bepalingen dienen beide ouders, wanneer zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, ook gezamenlijk als zijn vertegenwoordigers op te treden.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1468
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

N.G. e.a. t/ Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn

Arrest nr. 228.841

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 december 2012, strekt tot de nietigverklaring van de beslissingen van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 3 en 27 september 2012 betreffende het opleggen van een administratieve geldboete aan D.M.K.M.N.

...

V. Ontvankelijkheid van het beroep

...

6.1. Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om in eigen naam bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beslissing waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd. Om regelmatig een dergelijk beroep in te stellen, dient hij te worden vertegenwoordigd door diegenen die het gezag over zijn persoon uitoefenen.

6.2. Art. 373 BW bepaalde, op het ogenblik van het instellen van het voorliggende beroep, met betrekking tot de uitoefening van dat gezag het volgende:

“Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.

“Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

“Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.

“De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen”.

Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij volgens art. 374, eerste lid BW het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in art. 373, tweede lid BW bepaalde vermoeden. De bevoegde rechtbank kan in welbepaalde gevallen de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend aan één van beide ouders opdragen.

6.3. Met betrekking tot de vertegenwoordiging van de niet-ontvoogde minderjarige bepaalde art. 376 BW op het ogenblik van het instellen van het voorliggende beroep het volgende:

“Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.

“Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

“Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

“De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden”.

Krachtens deze bepalingen dienen beide ouders, wanneer zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, ook gezamenlijk als zijn vertegenwoordigers op te treden.

6.4. Een annulatieberoep instellen is een daad van beschikking. De Raad van State, waaraan het objectief vernietigingsberoep is toevertrouwd, kan niet worden beschouwd als een “derde” zoals bedoeld in art. 373 en 376 BW en hij dient, desnoods ambtshalve, de ontvankelijkheid van het beroep te onderzoeken. Het vermoeden van instemming, ingesteld bij diezelfde bepalingen, gaat dus niet op wanneer één ouder een annulatieberoep instelt, terwijl het ouderlijk gezag door beide ouders samen wordt uitgeoefend.

Het annulatieberoep, ingesteld door slechts één ouder wanneer beiden het ouderlijk gezag uitoefenen, is dan ook onontvankelijk.

6.5. In de voorliggende zaak blijkt uit niets dat verzoekster en de vader van haar minderjarige zoon niet gezamenlijk het ouderlijk gezag zouden uitoefenen.

Nadat verzoekster er door de staatsraad-rapporteur tijdig schriftelijk van op de hoogte is gebracht dat zij daarover op de terechtzitting zou worden bevraagd, verklaart de raadsman van verzoekster ter terechtzitting dat hij het bewijs niet kan voorleggen dat verzoekster alleen drager is van het ouderlijk gezag ten aanzien van verzoeker.

Bijgevolg stelt de Raad van State ambtshalve vast dat verzoekster niet alleen het voorliggende beroep namens haar minderjarige zoon op een ontvankelijke wijze vermocht in te stellen.

7.1. De ouders van een niet-ontvoogde minderjarige kunnen in geschillen over een administratieve geldboete die is opgelegd aan hun minderjarig kind, bij de Raad van State niet enkel als wettelijke vertegenwoordigers van dit kind de nietigverklaring van die geldboete vorderen. Zij beschikken als dragers van het ouderlijk gezag tevens over een persoonlijke vordering. Maar ook in dat geval – corollarium van de rechten en plichten van het ouderlijk gezag – dienen zij gezamenlijk op te treden.

7.2. In de voorliggende zaak heeft verzoekster het beroep alleen ingesteld.

Bijgevolg stelt de Raad van State ambtshalve vast dat verzoekster, omdat zij als enige ouder in rechte is getreden, terwijl niet blijkt dat zij alleen het ouderlijk gezag ten aanzien van de persoon van haar minderjarige zoon toegewezen heeft gekregen, het voorliggende beroep niet ontvankelijk heeft ingesteld.

...

Noot: 

Voor het onderscheid tussen een proceshandeling en een administratief beroep zie: Raad van State, 9e Kamer – 27 oktober 2014, RW 2014-2015, 1507

M.V. t/ Vrij Katholiek Secundair Onderwijs X

Arrest nr. 228.936

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2013, strekt tot de nietigverklaring van: “de beslissing genomen door:

1. De delibererende klasse[n]raad van het (...) college, klas 4e Handel, van 26 juni 2013, waarbij [aan M.V.] een C-attest wordt toegekend [...];

2. De VKSO X, genomen op 26 augustus 2013, waarbij wordt beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”.

...

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

A. Regelmatig uitputten van het georganiseerd beroep

...

Beoordeling

7. De verwerende partij betwist terecht niet dat een schoolbestuur als administratieve overheid, of zoals te dezen optredend zoals een administratieve overheid, een derde is in de zin van art. 373 en 376 BW.

Ten opzichte van zulke derden te goeder trouw “wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt”, aldus art. 373, tweede lid BW.

Art. 376 BW, waaraan de verwerende partij refereert, formuleert specifieke regels met betrekking tot het beheer van de goederen van de minderjarige – te dezen niet ter zake, aangezien het een beslissing over de opvoeding en de opleiding betreft – en het optreden als haar vertegenwoordiger wat, naar het oordeel van de Raad van State, betrekking heeft op proceshandelingen in de strikte zin en niet op de uitoefening van het georganiseerd administratief beroep dat volgens vaste rechtspraak van de Raad geen proceshandeling is.

Eén ouder alleen vermag bijgevolg als betrokken persoon het recht van overleg te doen gelden of de beroepscommissie te adiëren.

8. De exceptie faalt.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 14/05/2015 - 13:28
Laatst aangepast op: za, 16/05/2015 - 11:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.