-A +A

Vordering uitsluiting recht op werkloosheidsuitkeringen is in geld waardeerbare vordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: S.14.0052.N
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/04/2016

De vordering van een werkloze die strekt tot de vernietiging van de beslissing van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening waarbij hij wordt uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en waarbij het bedrag van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen die worden teruggevorderd in de bestreden administratieve beslissing is vastgesteld, betreft een in geld waardeerbare vordering (1). (1) Cass. 13 september 1999, AR S.99.0058.N, AC 1999, nr. 455 en vgl. Cass 17 maart 1980, AC 1979-80, nr. 450.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.14.0052.N
E T,
eiser,
toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van 4 juni 2014, nr G.14.0088.N,
tegen
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 13 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de eiser de uit het debat geweerde stukken eerst heeft ontdekt in de periode van 30 dagen die voorafgaat aan de rechtsdag van 10 december 2013, vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel
2. Artikel 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding dat in afwijking van de artikelen 2 en 3 de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoe-ding vaststelt voor de rechtspleging bedoeld in de artikelen 579 en 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, maakt een onderscheid tussen geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen en geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen, waarbij voor deze laatste geschillen hetzelfde tarief geldt als voor geschillen met een waarde van 620,00 euro tot 2.500,00 euro.

3. De vordering van een werkloze die strekt tot de vernietiging van de beslis-sing van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening waarbij hij wordt uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en waarbij het bedrag van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen die worden teruggevorderd in de bestreden administratieve beslissing is vastgesteld, betreft een in geld waardeerbare vordering.

4. Het arrest stelt vast dat de eiser beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen van 26 januari 2012 waarbij de eiser vanaf 29 oktober 2005 wordt uitgesloten van het recht op uitke-ringen als werknemer met gezinslast en hem slechts uitkeringen als samenwonende werknemer worden toegekend en waarbij wordt beslist de uitkeringen terug te vorderen die hij vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 onrechtmatig ontving, evenals tegen de beslissing van dezelfde datum tot terugvordering van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen ten bedrage van 20.207,49 euro, en hij de vernietiging vorderde van de beide beslissingen.

5. Het arrest dat oordeelt dat de vordering van de eiser een niet in geld waar-deerbare eis betreft, op grond dat hij "de erkenning van het recht op werkloos-heidsuitkeringen [vordert]" en de verweerder in de loop van de gerechtelijke pro-cedure geen tegeneis heeft ingesteld die ertoe strekt de eiser te veroordelen tot te-rugbetaling van onrechtmatig genoten uitkeringen, verantwoordt zijn beslissing tot toekenning van het basisbedrag voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Kosten
6. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de kosten van het ge-ding.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweerder tot de kosten.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 161,04 euro in debet.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer


VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: E.T., aan wie het voordeel van de kosteloze rechtsbijstand werd toege-kend bij beschikking van 4 juni 2014 (P.D. G.14.0088.N),

eiser tot cassatie,

TEGEN: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,

verweerster in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren bij het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer een arrest aan uw beoordeling voor te leggen dat op te-genspraak tussen de partijen op 13 maart 2014 werd uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen (2013/AA/183).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Bij aangetekend schrijven van 26 januari 2012 betekende verweer-ster aan eiser haar beslissing C29 als volgt:

1) om eiser vanaf 29 oktober 2005 uit te sluiten van het recht op uit-keringen als werknemer met gezinslast en hem slechts uitkeringen toe te kennen als samenwonende werknemer (artikelen 110 en 114 van het KB dd. 25 november 1991 op de werkloosheidsreglementering),

2) om de door eiser onrechtmatig ontvangen uitkeringen vanaf 1 ja-nuari 2009 tot en met 31 december 2011 terug te vorderen (artikelen 169 en 170 van het KB dd. 25 november 1991 op de werkloosheidsreglemente-ring),

3) om eiser uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 30 januari 2012 gedurende een periode van 13 weken (artikel 153 van het KB dd. 25 november 1991 op de werkloosheidsreglementering).

Bij aangetekende brief van 26 januari 2012 betekende verweerster aan eiser haar beslissing C31 tot terugvordering van het bedrag van euro 20.207,49 in uit-voering van hogervermelde beslissing C29 van 26 januari 2012.

2. Bij verzoekschrift van 24 april 2012 tekende eiser beroep aan tegen de administratieve beslissingen van 26 januari 2012.

Bij vonnis van 4 februari 2013 werd dit beroep verworpen door de achtste kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

3. Bij verzoekschrift van 13 maart 2013 stelde eiser hoger beroep in tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.

In het bestreden arrest van 13 maart 2014 verklaart de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 4 februari 2013 wordt bevestigd.

Tegen dit arrest wenst eiser op te komen met de volgende middelen tot cas-satie.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

 Artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 6.1 EVRM),
 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
 de artikelen 740, 748 en 772 van het Gerechtelijk Wetboek,
 de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
 het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen dat de genummerde stukken 18 tot en met 25 van het stukkenbundel van eiser ambtshalve uit het debat dienen te worden ge-weerd, en verklaren vervolgens het door eiser ingestelde hoger beroep en zijn oor-spronkelijke vordering tot vernietiging van de administratieve beslissingen van 26 januari 2012 ongegrond, zonder voormelde stukken in hun beoordeling te betrek-ken, op grond van de volgende motieven:

"4.1. Mededeling van stukken

Ter zitting van het arbeidshof van 10 december 2013 verzocht de raadsman van [eiser] om de behandeling van de zaak te verdagen teneinde [verweerster] toe te laten het dossier te herbekijken in het licht van bijko-mende stukken die werden neergelegd ter griffie op 22 november 2013 en 4 december 2013, meer bepaald de genummerde stukken 18 tot en met 25 van het stukkenbundel van [eiser]. De raadsman van [verweerster] verzette zich tegen een verdaging van de zaak en verzocht de genummerde stukken 18 tot en met 25 van het stukkenbundel van [eiser] uit het debat te weren (zie proces-verbaal terechtzitting van 10 december 2013 - kamer 4 ar-beidshof Antwerpen).

Het arbeidshof heeft partijen gehoord in verband met het verzoek van [ei-ser] tot verdaging van de zaak en het verzoek van [verweerster] om de laattijdig neergelegde stukken uit het debat te weren.

[Eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid geboden door ar-tikel 748, §2 Gerechtelijk Wetboek hetwelk bepaalt dat een partij die con-clusie heeft genomen, ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn mag verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienen stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt

Aangezien bij een beschikking, gewezen op 23 mei 2013 met toepassing van artikel 747, §2 Gerechtelijk Wetboek, de datum van de pleitzitting werd vastgesteld op 10 december 2013 en [verweerster] zich verzet tegen een verder uitstel van de zaak, kan niet ingegaan worden op het verzoek van de raadsman van [eiser] om de zaak te verdagen naar een latere zitting.

Krachtens artikel 740 Gerechtelijk Wetboek worden alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting van het debat zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.

Die bepaling impliceert dat de partij die ten aanzien van een beschikking waarbij de zaak in staat van wijzen wordt gesteld, geen conclusie meer kan nemen, noodzakelijkerwijze de mogelijkheid ontzegd wordt op een later tijdstip andere stukken neer te leggen en mee te delen dan die welke gevoegd zijn bij zijn regelmatig neergelegde conclusie.

Het arbeidshof stelt vast:
- dat bij beschikking van 23 mei 2013, in toepassing van artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, de termijnen van neerlegging en mede-deling van de conclusies van de partijen als volgt werd vastgesteld:
- conclusies voor [verweerster] uiterlijk op 22 juli 2013;
- conclusies voor [eiser] uiterlijk op 16 september 2013;
- conclusies voor [verweerster] uiterlijk op 14 oktober 2013;
- dat bij beschikking van 23 mei 2013 de datum van de pleitzitting werd vastgesteld op 10 december 2013;
- dat de beroepsconclusies voor [verweerster] tijdig werden neergelegd ter griffie van het arbeidshof Antwerpen, meer bepaald op 28 met 2013;
- dat de beroepsconclusies voor [eiser] tijdig werden neergelegd ter griffie van het arbeidshof Antwerpen, meer bepaald op 16 september 2013, met aangehecht de inventaris der stukken, genummerd van 1 tot en met 17;
- dat [verweerster] geen gebruik heeft gemaakt van de tweede conclu-sietermijn;
- dat het stukkenbundel van [eiser] ontvangen werd ter griffie van het arbeidshof Antwerpen op 22 november 2013 met bijgevoegd inventaris der stukken, genummerd van 1 tot en met 22;
- dat nog een bijkomend stukkenbundel van [eiser] met aanvullende in-ventaris der bijkomende stukken - genummerd van 23 tot en met 25 - ontvangen werd de griffie van het arbeidshof Antwerpen op 4 december 2013;

Aangezien de genummerde stukken 18 tot en met 25 van het stukkenbundel van [eiser] niet gevoegd waren bij zijn regelmatig neergelegde conclusie ter griffie van het arbeidshof Antwerpen op 16 september 2013 dienen deze stukken ambtshalve uit het debat te worden geweerd."
(Bestreden arrest, blz. 6-8)

Grieven

Krachtens artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging heeft elke procespartij het recht om de stukken waarover zij beschikt tot staving van haar vordering of verweer aan de rechter voor te leggen.

Krachtens artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek worden alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.

Artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een partij die conclusie heeft genomen, ten laatste 30 dagen voor de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn mag verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. Het verzoek wordt aan de rechter gericht door middel van een verzoekschrift waarin het nieuw stuk of feit alsook de invloed er-van op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven. Het ver-zoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. Deze vormvereisten zijn niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

Indien het nieuwe stuk of feit van overwegend belang gedurende het be-raad wordt ontdekt, kan de verschijnende partij, zolang het vonnis niet is uitgesp-roken, de heropening van de debatten vragen overeenkomstig artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek.

Noch artikel 740, noch artikel 748, §2 noch artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek laten toe dat een partij die een nieuw en ter zake dienend stuk of feit ontdekt gedurende de periode van 30 dagen die de rechtsdag voorafgaat, ter be-oordeling van de rechter voorlegt. Nochtans vereisen artikel 6.1 van het EVRM evenals het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van ver-dediging dat een partij de nieuwe en ter zake dienende stukken die zij ontdekt ge-durende de periode van 30 dagen die aan de rechtsdag voorafgaat eveneens aan de rechter kan voorleggen. Indien dit niet het geval zou zijn, zou er een niet te ver-antwoorden ongelijke behandeling bestaan tussen de partijen enerzijds die een nieuw en belangrijk stuk ontdekken tijdens de periode die voorafgaat aan de peri-ode van 30 dagen voorafgaand aan de rechtsdag of een dergelijk stuk ontdekken tijdens het beraad en de partijen anderzijds die een dergelijk stuk ontdekken in de periode van 30 dagen voorafgaand aan de rechtsdag (de artikelen 10 en 11 van de Grondwet).

Gezien artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat van deze bepaling slechts toepassing kan worden gemaakt ten laatste 30 dagen voor de rechtsdag, kan van een partij die een nieuw en ter zake dienend stuk ont-dekt gedurende de periode van 30 dagen die voorafgaat aan de rechtsdag niet worden verwacht dat zij uitdrukkelijk de toepassing vraagt van artikel 748, §2 om alsnog deze stukken aan de rechter voor te leggen.

Indien een partij derhalve aanvoert nieuwe en ter zake dienende stukken te hebben ontdekt in de periode van 30 dagen voorafgaand aan de rechtsdag, dan dient de rechter te onderzoeken of deze stukken inderdaad nieuw en ter zake die-nend zijn en kan hij er zich niet toe beperken de stukken uit de debatten te weren op grond van het enkele feit dat de procespartij niet de toepassing heeft gevraagd van artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan en meer bepaald uit de vaststellingen van het bestreden arrest, op blz. 7, blijkt dat bij beschikking van 23 mei 2013 de conclusietermijn voor eiser werd bepaald op 16 september 2013 en dat de datum van de pleitzitting werd vastgesteld op 10 december 2013, en verder dat eiser tijdig zijn beroepsconclusie neerlegde ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, meer bepaald op 16 september 2013, met aangehecht de inventaris der stukken, genummerd van 1 tot en met 17.

De raadsman van eiser richtte vervolgens een brief aan het arbeidshof waarin zij bijkomende stukken neerlegde, met name de stukken 18 tot en met 22. Deze brief was in de volgende bewoordingen opgesteld:

"...

In die zin leg ik heden overeenkomstig art. 756 in fine Ger.W. ter griffie de bundel meer van de stukken, die ik tot op heden kon bemachtigen, doch daarin ontbreken nog essentiële bewijsstukken, die de thesis van de tegen-partij volkomen weerleggen.

Het gaat meer bepaald om stukken uitgaande van de Rijksdienst voor Kin-derbijslag voor Werknemers, waaruit moet blijken dat K T, jongste dochter van cliënt, tot en met 20 juni 2010 gerechtigd was op kinderbijslag, infor-matie die van cruciaal belang is in deze procedure, aangezien het de waarachtigheid van de verklaringen van cliënt t.a.v. de tegenpartij aan-toont.

Uit de kwestieuze stukken zal blijken dat de motivatie van de tegenpartij om tot de bestreden beslissing te komen uit de lucht gegrepen is.

Rekening gehouden met wat voorafgaat meen ik dat deze zaak niet in staat is om te worden behandeld op de hoger vermelde rechtsdag, zolang die in-lichtingen, waarover de tegenpartij uiteraard kon beschikken, doch blijk-baar al dan niet opzettelijk heeft achtergehouden, in het dossier ontbreken."

Bij brief van 4 december 2013 richtte de raadsman van eiser vervolgens een nieuwe brief aan het arbeidshof te Antwerpen waarbij de stukken 23-25 werden overgemaakt.

Deze brief was opgesteld in de volgende bewoordingen:

"In hoger vermelde aangelegenheid verwijs ik naar mijn schrijven dd. 22.11.2013 met bijgaand de bundel van de stukken waarover ik tot dan ook beschikken dewelke ik overeenkomstig art. 756 Ger.W. als dan ter griffie heb neergelegd met het oog op de zitting dd. 10.12.2013.

In eerste instantie weigerde de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werk-nemers om aan cliënt essentiële bewijsstukken inzake af te leveren, waaruit zou blijken dat zijn jongste dochter, m.n. K T (°23.06.1987), na haar 18 jaar (07/2005) en tot en met het einde van haar studies (06/2010) gerechtigd is gebleven op kinderbijslag.

Gelet op het voorgaande heeft voornoemde dochter zelf de kwestieuze at-testen kinderbijslag opgevraagd aan de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, dewelke ik heden als bijkomende stukken onder de in die zin aangevulde inventaris neerleg.

Onderhavige stavingstukken werpen onmiskenbaar een totaal ander licht op deze zaak en onderbouwen de stelling ten deze van cliënt en weerleggen de motivatie dienaangaande van [verweerster]."

Ook in zijn repliek op advies van het openbaar ministerie voerde eiser aan dat de bij brieven van 22 november en 4 december 2013 overgelegde stukken nieuw waren en ter zake dienend. Eiser voerde dit aan in de volgende bewoordin-gen:

"Concluant dient vast te stellen dat het openbaar ministerie in zijn schrif-telijk advies enkel rekening houdt met de stukken uit het niet geïnventari-seerd administratief dossier van geïntimeerde, hetzij dus louter "à charge".

De stukkenbundel van geïntimeerde is onvolledig, bevat eenzijdige onge-fundeerde interpretaties, zelfs summiere telefoon notities, en gevolgtrek-kingen, die helemaal niet beantwoorden aan de realiteit, alsook verkapte informatie, waartoe enkel geïntimeerde toegang heeft, terwijl gegevens die van fundamenteel belang zijn in de besluitvorming, door geïntimeerde doelbewust, zelfs kwaadwillig zijn achtergehouden.

Wat voorafgaat betekent dat geïntimeerde inzake vals speelt en de rechten van verdediging van concluant schroomloos met de voeten treedt.

Het verloop van de beroepsprocedure op zich en de brieven van raadsman van concluant gericht aan het arbeidshof dd. 22.11.2013 en 04.12.2013 met kopie van de respectievelijk daarbij horende aanvullende inventaris van bijkomende stukken, waarvan telkenmale ook kopie werd gericht aan het openbaar ministerie, en die nog geruime tijd voor de zitting dd. 10.12.2013 werden meegedeeld, spreken voor zich.

De raadsman van geïntimeerde, die in gebreke is gebleven om de om reden van zijn afwezigheid op de inleidende zitting dd. 17.04.2013 overeenkomstig de ambtshalve gewezen beschikking dd. 23.05.2013 met toepassing van art. 747 §2 Ger.W., vooralsnog op de in conclusies dd. 16.09.2013 door appellant opgeworpen argumenten te antwoorden en dienstige stukken bij te brengen, heeft op de zitting dd. 10.12.2013 van het arbeidshof de kans schoon gezien om het arbeidshof ten verzoeken de bijkomende stukken van concluant, die op zijn minst gezegd een ander licht werpen op onderhavig geschil, te weren.

In zijn advies heeft het openbaar ministerie gesteld dat omwille van het feit dat de stukken 18 tot en met 25 van concluant laattijdig werden neergelegd en uit het debat moeten geweerd worden, en derhalve a priori partij gekozen voor geïntimeerde en diens stelling, die door deze aanvullende stukken evenwel werd tegengesproken.

Hiermede werden de door concluant met ontzaglijk veel moeite tot dan verzamelde stukken "à décharge" gewoonweg onder tafel geveegd.

Wat voorafgaat betekent dan ook dat concluant de kans niet heeft gekregen omwille van de ontoegankelijkheid in zijn hoofde van belangrijke informatie ter zake of omwille van de complexiteit om dienstige informatie te bekomen om reden van het tijdsverloop of hoe dan ook, om binnen de door het arbeidshof bij beschikking dd. 23.05.2013 gestelde termijn erin te slagen zijn stelling naar voldoening van recht te staven, terwijl dat geïntimeerde terend op een gebrekkig dossier en een procedureregeling waaraan hij geen enkele medewerking heeft verleend, met de wering uit het debat van de bijkomende stukken van concluant poogt zijn stelling staande te houden".
(Repliek op advies van 7 februari 2014, blz. 2-3).

Door de bij brieven van 22 november 2013 en 4 december 2013 overgeleg-de stukken ambtshalve uit de debatten te weren op grond van de enkele vaststel-lingen dat deze stukken niet gevoegd waren bij de regelmatig ter griffie neerge-legde conclusie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 september 2013 en dat ei-ser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid geboden door artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, hoewel eiser zich niet in de toepassingsvoorwaar-den van deze bepaling bevond nu er minder dan 30 dagen resteerden voor de rechtsdag die op 10 december 2013 was bepaald, zonder te onderzoeken of voor-melde door eiser in de periode van 30 dagen voor de rechtsdag neergelegde stuk-ken nieuw en ter zake dienend waren, schenden de appelrechters artikel 6.1 van het EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

Door voorts te beslissen dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mo-gelijkheid geboden door artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek en aldus impliciet doch zeker te beslissen dat de vormvereisten die in deze bepaling zijn opgenomen substantieel zijn, terwijl eiser met zijn brieven van 22 november 2013 en 4 december 2013 beoogde nieuwe en ter zake dienende stukken aan de beoor-deling van de rechter voor te leggen en aldus minstens impliciet doch zeker de toepassing vroeg van artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, schenden de appelrechters de bewijskracht van de brieven van 22 november 2013 en 4 decem-ber 2013, waarin eiser aanvoerde over nieuwe en ter zake dienende stukken te be-schikken en derhalve impliciet doch zeker vroeg toepassing te maken van artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) evenals artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek dat weliswaar een aantal vormvereisten voorschrijft, maar waaraan geen enkele sanctie is verbonden.

Door ten slotte aan eiser het recht te ontzeggen om gedurende de periode van 30 dagen die aan de rechtsdag voorafgaat, nieuwe en ter zake dienende stuk-ken in te dienen, hoewel het recht om nieuwe en ter zake dienende stukken in te dienen wel bestaat in de periode voorafgaand aan 30 dagen voorafgaand aan de rechtsdag en tijdens het beraad, maken de appelrechters een niet te verantwoorden onderscheid tussen personen enerzijds die een nieuw en ter zake dienend stuk of feit ontdekken in de periode voorafgaand aan 30 dagen voorafgaand aan de rechtsdag of tijdens het beraad en personen die een nieuw en ter zake dienend stuk of feit ontdekken gedurende de periode van 30 dagen voorafgaand aan de zitting, en schenden zij het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

 de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
 de artikelen 558, 1017, 1018, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek,
 de artikelen 2 en 4 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007,

Aangevochten beslissing

De appelrechters veroordelen verweerster in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek tot de gedingkosten en vereffenen deze kosten aan de zijde van eiser op euro 160,36 rechtsplegingsvergoeding, op grond van de volgende motieven:

"4.6. Kosten van het geding
[Eiser] begroot zijn gedingkosten op 240,50 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 320,65 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep.
In toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen tenzij het geding roekeloos of tergend is.

Overeenkomstig artikelen 1018, eerste lid, omvatten de kosten de rechts-plegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De bedragen van de rechtsplegingsvergoeding worden vastgelegd in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007).

In huidig geschil vordert [eiser] de erkenning van het recht op werkloos-heidsuitkeringen; aangezien [verweerster] in de loop van de gerechtelijke procedure geen tegeneis heeft ingesteld die ertoe strekt betrokkene te ver-oordelen tot terugbetaling van onrechtmatig genoten uitkeringen betreft zijn vordering een 'niet in geld waardeerbare eis'.

In artikel 4 van dit koninklijk besluit van 26 oktober 2007 worden voor vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen, de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikelen 579 en 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, vastgesteld als volgt:
* arbeidsrechtbank:
basis bedrag 109,32 euro
minimum bedrag: 89,32euro
maximum bedrag: 129,32 euro

* arbeidshof:
basis bedrag 145,78 euro
minimum bedrag: 120,78 euro
maximum bedrag: 160,78 euro

Overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 zijn de basis-, minimum- en maximum bedragen gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004); telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd.

Gelet op de term 'basisbedrag' zal de rechter in beginsel het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toekennen (H. Lamon, Verhaalbaarheid advocaten-kosten, NJW 2007, nr. 11, p. 437).

Op grond van artikel 1022, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, nadat minstens één partij hierom heeft gevraagd, afwijken van het basisbedrag in een met een bijzondere redenen omklede beslissing.

De rechter kan de vergoeding verminderen ofwel verhogen zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimum bedragen te overschrijden.
In huidig geschil reikt [eiser] geen elementen aan die zijn verzoek om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen zouden kunnen wetti-gen, zodat er geen aanleiding is om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen."
(bestreden arrest, blz. 15-16)

Grieven

Krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579,6°, 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of te-gen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen.

Krachtens artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kos-ten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022.

Deze rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De basis- minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn vastgesteld in functie van de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil (artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek) in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

Krachtens artikel 4 van dit koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vast-stelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaar-heid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, worden de basis- minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoe-ding voor rechtspleging bedoeld in de artikelen 579 en 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld als volgt:

- het (niet-geïndexeerde) basisbedrag voor vorderingen voor de arbeids-rechtbank van 620 tot euro 2500 en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen bedraagt euro 109,32 (geïn-dexeerd euro 120,25),
- het (niet-geïndexeerde) basisbedrag voor vorderingen voor de arbeids-rechtbank boven euro 2500 bedraagt euro 218,64 (geïndexeerd euro 240,50),
- het (niet-geïndexeerde) basisbedrag voor vorderingen voor het arbeids-hof van 620 tot euro 2500 en voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen bedraagt euro 145,78 (geïndexeerd euro 160,36),
- het (niet-geïndexeerde) basisbedrag voor vorderingen voor het arbeids-hof van boven euro 2500 bedraagt euro 291,50 (geïndexeerd euro 320,65).

Het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artike-len 557-562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg (artikel 2 van voormeld Koninklijk besluit van 26 oktober 2007).

Artikel 558 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer de vorde-ring verschillende punten bevat, deze worden samengevoegd tot bepaling van de bevoegdheid.

Uit voormelde bepalingen volgt dat, wanneer de vordering zowel een niet in geld waardeerbare vordering bevat als een in geld waardeerbare vordering, de rechtsplegingsvergoeding dient te worden bepaald op basis van de vordering waarvoor de hoogste wettelijke rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.

De waarde van het geschil betreffende de nietigverklaring van een admini-stratieve beslissing tot terugvordering van een bedrag wordt bepaald door het be-drag van deze terugvordering.

Uit het beroep dat eiser op 23 april 2012 instelde voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen blijkt dat eiser beroep instelde tegen "de beslissing van de directeur van de RVA te Antwerpen dd. 26/01/2012 om mij uit te sluiten uit de werkloosheid vanaf 30/01/2012 tot en met 6/5/2012, ttz. gedurende de maximale 13 weken, en terugvordering te eisen over een referteperiode van 01/01/2009 tot en met 31/12/2011 voor een bedrag van euro 20.207, zijnde het financieel verschil tussen een statuut als werkloze-gezinshoofd enerzijds, en samenwonende anderzijds".

Ook uit het verzoekschrift in hoger beroep en de beroepsconclusies van eiser blijkt dat eiser opkwam tegen de administratieve beslissing van verweerder om eiser uit te sluiten uit de werkloosheid aan eiser ter kennis gebracht op 26.01.2012 en tegen de beslissing tot terugvordering, ter kennis gebracht op dezelfde datum (blz. 8 van het verzoekschrift in hoger beroep; blz. 8-9 en 10 van de beroepsconclusies van eiser, neergelegd op 16 september 2013).

Uit de vaststellingen van het onderzochte arrest op de bladzijden 3-5 blijkt eveneens dat eiser opkwam niet al-leen tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van 26 ja-nuari 2012 waarbij eiser werd uitgesloten van het recht op uitkeringen maar even-eens tegen de beslissing van dezelfde datum tot terugvordering van de onrecht-matig ontvangen uitkeringen ten bedrage van euro 20.207,49.

De appelrechters overwegen op blz. 15 van het bestreden arrest dat eiser de erkenning van het recht op werkloosheidsuitkeringen vordert en dat verweerster in de loop van de gerechtelijke procedure geen tegeneis heeft ingesteld die ertoe strekt betrokkene te veroordelen tot terugbetaling van onrechtmatig genoten uitke-ringen. De appelrechters besluiten hieruit dat de vordering van eiser een niet in geld waardeerbare eis betreft.

Door aldus te beslissen dat eiser slechts recht heeft op de rechtsplegings-vergoeding voor een niet in geld waardeerbare eis, terwijl de eis van eiser er niet enkel toe strekte zijn recht op werkloosheidsuitkeringen te horen erkennen (dit is een niet in geld waardeerbare vordering), maar eveneens de beslissing tot terug-vordering van het bedrag van euro 20.207,49 te horen teniet doen (dit is een in geld waardeerbare vordering), laten de appelrechters na de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op basis van de vordering waarvoor de hoogste wettelijke rechtsplegings-vergoeding verschuldigd is en schenden zij alle in het middel genoemde bepa-lingen, met uitzondering van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters impliciet doch zeker beslissen dat eiser geen vordering instelde die ertoe strekte de beslissing van de directeur van het werk-loosheidsbureau tot terugvordering van onrechtmatig genoten uitkeringen ten be-lope van euro 20.207,49 te horen teniet doen, schenden de appelrechters nog de bewijskracht van de aangetekende brief van eiser van 23 april 2012 waarbij hij be-roep instelde tegen de administratieve beslissingen om hem uit te sluiten uit de werkloosheid en terugvordering te eisen van het bedrag van euro 20.207,49, en van de beroepsconclusies van eiser, inzonderheid de bladzijden 8-9 en 10 van deze beroepsconclusies, waarin eiser uitdrukkelijk opkwam tegen de beslissing tot terug-vordering van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen ten belope van euro 20.207,49 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Door op grond hiervan de beslissing van de arbeidsrechtbank waarbij aan eiser slechts rechtsplegingsvergoeding werd toegekend van euro 120,25, dit is een rechtsplegingsvergoeding op grond van een niet in geld waardeerbare vordering, te bevestigen en aan eiser wat betreft de procedure in hoger beroep eveneens slechts een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen berekend op grond van een niet in geld waardeerbare vordering, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiser dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander arbeidshof en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Noot: 

• S. Voet, «Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?»,, Kantteking RW 2010-2011, 888

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/02/2017 - 15:38
Laatst aangepast op: ma, 13/02/2017 - 15:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.