-A +A

Vordering tot verdeling van vrijwillige onverdeeldheid - wegvallen oorzaak onverdeeldheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 09/03/2017

Met betrekking tot vrijwillige onverdeeldheden kan de verdeling (van een vrijwillige) onverdeeldheid enkel gevraagd worden indien de overeenkomst dit toestaat of indien het nagestreefde doel, dat de ratio van de overeenkomst vormde, bereikt is en de afgesproken bestemming van het gemeenschappelijk goed blijkbaar geen reden van bestaan (meer) heeft.

Te dezen oordeelde het Hof:

– art. 815, eerste lid BW niet (zonder meer) kan dienen als grondslag voor de vordering tot uitonverdeeldheidtreding m.b.t. de onverdeelde vastgoedelementen 

– het immers gaat om een conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid, die de deelgenoten vrij kunnen invullen, ook qua bedoeling en duurtijd;

– de in art. 815, eerste lid BW bedoelde noodzaak om de onverdeeldheid onverkort te (kunnen) beëindigen bij een conventionele onverdeeldheid als zodanig niet speelt;

– de wilsautonomie primeert, terwijl art. 577-2, § 8 juncto art. 815 BW inzake een conventionele onverdeeldheid slechts een aanvullend karakter vertoont (R. Jansen, «Art. 815 BW» in Comm. Erf. 2011, p. 18-19, nr. 19; 

– door middel van een regeling qua duurtijd en opzegging kan worden afgeweken van (1) de regel van art. 815, eerste lid BW dat de uitonverdeeldheidtreding te allen tijde kan worden nagestreefd en (2) de regel van art. 815, tweede lid BW dat afwijkende overeenkomsten slechts kunnen verbinden voor vijf jaar;

– het gebeurlijke gebrek aan een dienstige regeling qua duurtijd en opzegging, niet meebrengt dat de conventionele onverdeeldheid zonder meer moet blijven duren;

– het gebrek aan een uitdrukkelijke regeling qua duurtijd en opzegging ingeval de onverdeeldheid kadert binnen een samenwoningsrelatie en/of een professionele samenwerkingsrelatie eigenlijk kan neerkomen op een conventionele onverdeeldheid met een impliciete duurtijd die afhankelijk is van de relatie(s) 

–  art. 815, eerste lid BW niet zonder meer kan dienen als grondslag voor een vordering tot uitonverdeeldheidtreding;

– in die optiek moet worden nagegaan wat de onderliggende bedoeling is van de voorliggende conventionele onverdeeldheid;

– die bedoeling kan bestaan uit meer dan een investering in opbrengsteigendommen om op termijn schuldenvrij vastgoed over te houden, die terzelfdertijd kan strakken of strekt tot bestendiging van de feitelijke samenwoningsrelatie en tegelijk enigszins de professionele samenwerkingsrelatie;

– die bedoeling is te dezen teloorgegaan ingevolge de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie;

– de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie aan de conventionele onverdeeldheid iedere (redelijke) zin heeft ontnomen;

– wanneer  de bedoeling waarop de onverdeeldheid teruggaat (te dezen de feitelijke samenwoningsrelatie en de professionele samenwerkingsrelatie) teniet gaat de  uitonverdeeldheidtreding kan worden nagestreefd.

Een vordering die ertoe strekt in het kader van een aanwijzingsbeslissing reeds de voorafgaande verkoop te bevelen, kan, bij gebrek aan akkoord van de deelgenoten, niet worden ingewilligd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1704
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R. t/ G.
...
I. Beroepen vonnis

Bij voorlopig uitvoerbaar vonnis van 18 februari 2016 gaat de familiekamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, deels in op de vordering van G. tegen R.

De bij dagvaarding van 12 november 2015 ingestelde vordering van G. strekte tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de artt. 1207 e.v. Ger.W.) van drie onroerende goederen. Het betreft meer precies (1) een appartementsgebouw van drie appartementen te Wilrijk; (2) een handelsruimte op het gelijkvloers van een (appartements)gebouw te Gent en (3) een woning te Waasmunster. De drie onroerende goederen behoren R. en G. toe in onverdeelde mede-eigendom.

Deels ingaande op de vordering van G. beveelt de rechtbank de uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van het appartementsgebouw te Wilrijk en de handelsruimte te Gent, met aanwijzing van notaris M. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 Ger.W.
De rechtbank gaat niet in op de vordering van G. in zoverre zij ook betrekking heeft op de woning te Waasmunster, gelet op het aanwasbeding dat in de aankoopakte is opgenomen. Gelet op de toepasselijke uitstapregeling, die vooralsnog niet in acht is genomen, acht de rechtbank de vordering van G. m.b.t. de woning te Waasmunster voorbarig.
...
II. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift van 25 maart 2016 stelt R. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 18 februari 2016. Met zijn beperkt hoger beroep beoogt R., met gedeeltelijke hervorming van het beroepen vonnis, de integrale afwijzing van de vordering van G., inzonderheid in zoverre zij (ook) betrekking heeft op het appartementsgebouw te Wilrijk en de handelsruimte te Gent.
...

2. G. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk maar ongegrond).
Bij wijze van incidenteel hoger beroep beoogt G. met gedeeltelijke hervorming van het beroepen vonnis, de integrale inwilliging van haar vordering, inzonderheid in zoverre zij (ook) betrekking heeft op de woning te Waasmunster.
...
III. Beoordeling

1. De partijen zijn gewezen feitelijk samenwonende partners (met hetzelfde domicilie). Zij hebben tegelijk een professionele samenwerkingsrelatie.
De relatie is gestart in 1992 en geëindigd eind 2014-begin 2015.

2. De partijen hebben gedurende hun relatie drie onroerende goederen aangekocht.

2.1. Bij notariële akte van 16 juni 2005 kopen de partners R.-G. elk ten belope van een onverdeelde helft in volle eigendom een appartementsgebouw met drie appartementen te Wilrijk. De prijs bedraagt 153.000 euro.

2.2. Bij notariële akte van eveneens 16 juni 2005 kopen de partners R.-G. elk ten belope van een onverdeelde helft in volle eigendom een handelsruimte op het gelijkvloers van een (appartements)gebouw te Gent. De prijs bedraagt 150.000 euro.

2.3. Bij notariële akte van 19 januari 2011 kopen de partners R.-G. elk ten belope van een onverdeelde helft in volle eigendom een woning te Waasmunster. De prijs bedraagt 300.000 euro.

3. Enkel in deze laatste aankoopakte wordt uitdrukkelijk voorzien in een bijzondere onverdeeldheid «om het feitelijke samenwonen te organiseren en de langstlevende te beschermen bij het overlijden van een van hen».

In die optiek wordt het aangekochte goed als een doelvermogen beschouwd en geldt een aanwasbeding, dat bij wijze van kanscontract meebrengt dat het aandeel in volle eigendom van de eerststervende optioneel aanwast bij het aandeel in volle eigendom van de langstlevende. Het aanwasbeding loopt voor stilzwijgend verlengbare periodes van twee jaar (vanaf 19 januari 2011), maar met uitdrukkelijke opzeg door een verklaring voor een notaris uiterlijk drie maanden vóór het einde van een lopende periode van twee jaar. Een gezamenlijke wijziging of beëindiging van het kanscontract is evengoed mogelijk bij notariële akte, zodat opnieuw een gewone onverdeeldheid geldt.

Bij notariële akte van 20 september 2016 wordt de opzeg van G. vastgesteld, waarna betekening plaatsvindt aan R. bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 oktober 2016.

Op die manier heeft G. de toepasselijke uitstapregeling in acht genomen, zodat m.b.t. de woning te Waasmunster (1) de bijzondere onverdeeldheid is vervangen door een gewone onverdeeldheid en (2) haar vordering tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling moet worden ingewilligd, temeer nu R. zich in zoverre niet meer verzet.

Ter terechtzitting van 23 februari 2017 beamen beide partijen dat m.b.t. de woning te Waasmunster tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling kan worden overgegaan door toedoen van notaris M. (als notaris-vereffenaar).

Het hof verleent hen hiervan akte, zodat elke verdere juridische discussie over de onverdeelde woning te Waasmunster overbodig wordt.

Naar aanleiding van de uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling moet het lopende krediet bij de bank F. worden verwerkt. Dit krediet is gewaarborgd deels door een hypotheek en deels door een hypothecair mandaat. Bijkomend moeten de gegevens worden verwerkt dat R. (1) de woning op exclusieve wijze gebruikt sinds de relatiebreuk eind 2014-begin 2015 en de aldus ingetreden feitelijke scheiding en (2) gebeurlijk exclusief bepaalde lasten draagt (art. 577-2, §§ 3, 5 en 7 BW).

4. Rest inzonderheid de discussie over de door G. beoogde uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening verdeling van het appartementsgebouw te Wilrijk en de handelsruimte te Gent.

R. verzet zich en beklemtoont dat het gaat om opbrengsteigendommen. Zij zijn in 2005 aangekocht grotendeels door middel van een (hypothecair) krediet bij de bank C. De drie appartementen van het appartementsgebouw te Wilrijk worden verhuurd. De maandelijkse huuropbrengst ten bedrage van ongeveer 1.750 euro wordt aangewend tot delging van de kredietlast en de vaste kosten (i.h.b. op het vlak van fiscaliteit en verzekering) m.b.t. de twee opbrengsteigendommen. De handelsruimte op het gelijkvloers van het (appartements)gebouw te Gent wordt verhuurd aan de BVBA F., en dit met een op 30 oktober 2012 geregistreerde handelshuurovereenkomst.

De BVBA F. baat er een bar/bordeel uit. De maandelijkse huuropbrengst ten bedrage van 1.500 euro wordt aangewend tot delging van de kredietlast (bij de bank B) en de vaste kosten (i.h.b. op het vlak van fiscaliteit en verzekering) m.b.t. de woning te Waasmunster.

In die optiek voert R. aan dat het gaat om een doelvermogen. Het is de vanzelfsprekende bedoeling om op termijn schuldenvrij vastgoed over te houden. De opbrengsteigendommen kaderen derhalve in een doelbewuste vermogensrechtelijke en professionele context. Volgens R. gaat het bijgevolg niet op dat G. dit doelvermogen abrupt en eenzijdig opblaast. R. vervolgt dat het doelvermogen, wars van de relatiebreuk, verder nut blijft behouden.
G. stelt daartegenover dat de relatiebreuk allerminst aan haar eenzijdige toedoen is te wijten.

Zij beklemtoont van haar kant dat elke verdere samenwerking, gelet op de relatiebreuk en de tegendraadse houding van R., compleet verkeerd loopt. Hetzelfde geldt voor de BVBA F. (waar G. uitstapt). De onmogelijk gemaakte samenwerking zal tot wanbeheer en op die manier waardeverlies van de opbrengsteigendommen leiden. Hoe dan ook is de door R. centraal gestelde «bedoeling om op termijn schuldenvrij vastgoed over te houden» verbonden aan elk opbrengsteigendom en fnuikt een vereffening-verdeling van de opbrengsteigendommen deze bedoeling geenszins, integendeel.

5. Het hof is (...) van oordeel dat:

– art. 815, eerste lid BW niet (zonder meer) kan dienen als grondslag voor de vordering van G. tot uitonverdeeldheidtreding m.b.t. de onverdeelde vastgoedelementen (zie ook: Cass. 20 september 2013, RW 2014-15, 618, noot L. De Keyser, TBBR 2014, 489, noot L. Saveur, T.Not. 2014, 224, noot C. Engels; R. Dekkers en E. Dirix, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht – Zekerheden – Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 121, nr. 290; R. Jansen, «Art. 815 BW» in Comm. Erf. 2011, p. 16-17, nrs. 16-17; V. Sagaert, «De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2016, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 97-98, nrs. 8-10);

– het immers gaat om een conventionele en derhalve vrijwillige onverdeeldheid, die de deelgenoten vrij kunnen invullen, ook qua bedoeling en duurtijd;

– de in art. 815, eerste lid BW bedoelde noodzaak om de onverdeeldheid onverkort te (kunnen) beëindigen bij een conventionele onverdeeldheid als zodanig niet speelt;

– de wilsautonomie primeert, terwijl art. 577-2, § 8 juncto art. 815 BW inzake een conventionele onverdeeldheid slechts een aanvullend karakter vertoont (R. Jansen, «Art. 815 BW» in Comm. Erf. 2011, p. 18-19, nr. 19; vgl. J. Verstraete, «De vordering om uit onverdeeldheid te treden – Vrijwillige versus toevallige onverdeeldheid», T.Not. 2014, 193-194);

– door middel van een regeling qua duurtijd en opzegging kan worden afgeweken van (1) de regel van art. 815, eerste lid BW dat de uitonverdeeldheidtreding te allen tijde kan worden nagestreefd en (2) de regel van art. 815, tweede lid BW dat afwijkende overeenkomsten slechts kunnen verbinden voor vijf jaar;

– het gebeurlijke gebrek aan een dienstige regeling qua duurtijd en opzegging, zoals in casu, niet meebrengt dat de conventionele onverdeeldheid zonder meer moet blijven duren (R. Jansen, «Art. 815 BW» in Comm. Erf. 2011, p. 7-8, nr. 5 en p. 18-19, nr. 19; B. Verheye, «De slangenkuil van art. 815 BW» (noot onder Gent 29 oktober 2015), RW 2016-17, p. 866, nr. 7);

– het gebrek aan een uitdrukkelijke regeling qua duurtijd en opzegging ingeval de onverdeeldheid kadert binnen een samenwoningsrelatie en/of een professionele samenwerkingsrelatie eigenlijk kan neerkomen op een conventionele onverdeeldheid met een impliciete duurtijd die afhankelijk is van de relatie(s) (R. Jansen, «Art. 815 BW» in Comm. Erf. 2011, p. 28-29, nr. 40; B. Verheye, «De slangenkuil van art. 815 BW» (noot onder Gent 29 oktober 2015), RW 2016-17, p. 866, nr. 8; zie ook: N. Carette en J. Van de Voorde, «Rechtsmisbruik in het zakenrecht – capita selecta» in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen (eds.), Rechtsmisbruik, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 92-94, nr. 24);

– anderzijds, zoals reeds aangegeven, art. 815, eerste lid BW niet zonder meer kan dienen als grondslag voor een vordering tot uitonverdeeldheidtreding;

– in die optiek moet worden nagegaan wat de onderliggende bedoeling was van de voorliggende conventionele onverdeeldheid;

– die bedoeling, anders dan R. het wil doen voorkomen, niet zonder meer neerkomt op investering in opbrengsteigendommen om op termijn schuldenvrij vastgoed over te houden, maar wel strekt tot bestendiging van de feitelijke samenwoningsrelatie en tegelijk enigszins de professionele samenwerkingsrelatie;

– die bedoeling is teloorgegaan ingevolge de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie;

– de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie aan de conventionele onverdeeldheid iedere (redelijke) zin heeft ontnomen;

– G. terecht centraal stelt dat de gezamenlijke aankoop van de opbrengsteigendommen weliswaar kadert binnen een conventionele onverdeeldheid, maar dat de bedoeling waarop de onverdeeldheid teruggaat en meer precies de feitelijke samenwoningsrelatie en de professionele samenwerkingsrelatie is teloorgegaan, zodat zij de uitonverdeeldheidtreding nastreven (zie ook: Cass. 6 maart 2014, RW 2013-14, 1625, noot D. Michiels, TBBR 2014, 261, noot F. Peeraer, 487, noot L. Saveur, T.Not. 2014, 231, noot C. Engels; V. Sagaert, «De beëindiging van conventionele onverdeeldheden. Nee, of toch?» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2015, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 101-104, nrs. 18-22, zie voorts: L. Pottier en N. Bourgeois, «De beëindiging van vrijwillige onverdeeldheden: verdeeldheid binnen de notariële praktijk?» in A. Wylleman (ed.), Rechtskroniek voor het Notariaat, XXIX, Brugge, die Keure, 2016, 14-18).

R. tracht daarbij vergeefs de draagwijdte van de gewezen feitelijke samenwoningsrelatie te minimaliseren en tegelijk de draagwijdte van de professionele samenwerkingsrelatie te maximaliseren. Dat een professioneel oogmerk primeerde boven de samenwoningsrelatie, klopt niet. R. kan bezwaarlijk zonder meer de klemtoon leggen op de volgens hem beoogde investering in opbrengsteigendommen om op termijn schuldenvrij vastgoed over te houden.

De investering strekte veeleer tot bestendiging van de feitelijke samenwoningsrelatie en tegelijk enigszins de professionele samenwerkingsrelatie. Zoals aangegeven, wordt de huuropbrengst van de handelsruimte te Gent aangewend voor de kredietlast en de kosten van de (te verdelen) privéwoning te Waasmunster. Die bedoeling is teloorgegaan ingevolge de beëindiging van de feitelijke samenwoningsrelatie.

De investering in opbrengsteigendommen los van de beëindigde relatie handhaven heeft geen (redelijke) zin (meer). De relatie is verkorven, ongeacht (de discussie over) de door G. gehekelde tegendraadse houding van R. (met gebeurlijke omkadering in een strafrechtelijke context) en ongeacht de discussie over het rekeningenbeheer door R. en/of G. (met gebeurlijke privé-uitgaven). Inzoverre G. bijgevolg de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling nastreeft, botst zij niet met art. 1134 BW.

Het beroepen vonnis verdient derhalve bevestiging, zij het op grond van voormelde andersluidende redengeving, in zoverre de eerste rechter ingaat op de vordering van G. tot (1) uitonverdeeldheidtreding m.b.t. het appartementsgebouw te Wilrijk en de handelsruimte te Gent en (2) gerechtelijke vereffening-verdeling van deze onverdeelde vastgoedelementen (artt. 1207 e.v. Ger.W.), met (3) aanwijzing van notaris M. als notaris-vereffenaar in de zin van art. 1210, § 1 BW. Daarbij past de precisering dat de partijen in gelijke mate moeten instaan voor de provisionering van de aangewezen notaris-vereffenaar (art. 1210, § 5 Ger.W.).

6. De partijen beamen ter terechtzitting van 23 februari 2017 dat zij het beroepen vonnis niet aanvechten in zoverre de eerste rechter het punt van de vordering van G. tot openbare verkoop van de onverdeelde vastgoedelementen voorbarig acht, bij gebrek aan akkoord van beide partijen (art. 1209, § 3 Ger.W.).

Een vordering die ertoe strekt in het kader van een aanwijzingsbeslissing reeds de voorafgaande verkoop te bevelen, kan, bij gebrek aan akkoord van de deelgenoten, niet worden ingewilligd (art. 1209, § 3 Ger.W.; Ch. Declerck en S. Vangoetsenhoven, «Verzegeling, boedelbeschrijving en gerechtelijke vereffening-verdeling – Capita selecta» in A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh (eds.), Themis-cahier familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2013, p. 67-68, nr. 28; A. Michielsen, «De gerechtelijke verkoping van onverdeelde goederen» in H. Casman en Ch. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 109, nr. 1 en p. 111, nr. 4; A. Wylleman, «De rol van de notaris en van de raadslieden in de nieuwe procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling – De verkoop of toewijzing van de goederen van de te verdelen boedel» in U. Gent (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, XX, Brugge, die Keure, 2012, p. 72, nr. 7).

Voorts speelt artikel 1224 Ger.W. In casu is er noch een afdoende akkoord tot verkoop (hetzij uit de hand hetzij openbaar) noch een afdoende akkoord tot overname door de ene deelgenoot van het onverdeelde aandeel van de andere deelgenoot. In die optiek ligt geen sluitend (deel)akkoord voor waarvan akte kan worden verleend met toepassing van art. 1209, §§ 2-3 Ger.W.

7. Voormelde redengeving brengt mee dat het hoger beroep faalt en dat het incidenteel hoger beroep van G. slaagt, zodat het hof, gelet op de bijkomende elementen (i.h.b. de bedoelde opzeg van G. in het najaar van 2016), met gedeeltelijke hervorming van het beroepen vonnis, overgaat tot integrale inwilliging van de vordering van G., inzonderheid in zoverre zij (ook) betrekking heeft op de woning te Waasmunster.

Anders dan R. nodeloos hekelt, heeft het incidenteel hoger beroep van G. wel degelijk een (aangehouden) voorwerp en verdient het beoordeling, gelet op de bijkomende elementen, inzonderheid de bedoelde opzeg van G. in het najaar van 2016. G. handhaaft, gelet op de bijkomende elementen, terecht haar vordering tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling m.b.t. de woning te Waasmunster.

De concretisering van de uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling m.b.t. de woning te Waasmunster komt aan de notaris-vereffenaar toe. Bij gebrek aan akkoord, is een bevel tot voorafgaande verkoop hic et nunc niet aan de orde (art. 1209, § 3 Ger.W.).

Noot: 

Van den Brande, de duurtijd va een overeenkomst om in conventionele onnverdeeld te blijven, RABG, 2014/15, 1054, noot onder rb. Gent, 3 apil 2012, RABG 2014/15, 1046

• Rb. Antwerpen 26 novermber 2014, RABG 2015/4, 293

Een onverdeeldheid kan slechts beëindigd door:

ofwel de instemming van alle deelgenoten
ofwel door één van de deelgenoten wanneer de onverdeeldheid geen enkel nut meer heeft ter verwezelijking van het doel waartoe zij werd bedongen.

Zolang een vrijwillige onverdeeldheid een nut heeft voor één van de deelgenoten kan geen vordering worden gesteld op grond van artikel 815 BW om uit onverdeeldheid te treden. Dit zou immer in strijd zijn met artikel 1134 B.W.

zie ook: Cass. 20 september 2013, RW 2014-15, 618, noot L. De Keyser; Cass. 6 maart 2014, RW 2013-14, 1625, noot D. Michiels; Gent 29 oktober 2015, RW 2016-17, 860, noot B. Verheye.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 19:31
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 19:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.