-A +A

Vordering tot uitsluiting vennoot uit een CVBA

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/01/2016

De herhaalde wanbetaling van een vennoot jegens een vennootschap maakt een 'gegronde reden' in de zin van het artikel 370 W.Venn.,uit die de uitsluiting rechtvaardigt. Een loutere wanbetaling volstaat niet. Hiertoe staat de dagvaarding in betaling en zelfs de gerechtelijke uitvoering open. Maar het kan niet door de beugel, dat een vennootschap, tweemaal moet overgaan tot dagvaarding en dat zij de 2 tussengekomen vonnissen zelfs gedwongen moet laten uitvoeren om betaling te bekomen van de haar verschuldigde vergoedingen.De ingebreke blijvende vennoot kan niet blijven speculeren op gerechtelijke invordering en kan een derde maal met uitsluiting worden gevonfronteerd.

Een beperkende opsomming van de gronden van uitsluiting in de statuten, sluit niet uit dat een in gebreke blijvende partij op kennelijke andere gronden (zoals het niet naleven van wettelijke (betalings)verplichtingen, wordt uitgesloten

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
607
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V.C. / A. CVBA)

(…)

I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
1. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld bij verzoekschrift van 18 december 2013 tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, vakantiekamer, van 24 oktober 2013 in de zaak AR A/13/01146.

Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, evenmin wordt er voorgehouden dat er een betekening werd verricht.

Partijen zijn gehoord op de openbare terechtzitting van 30 november 2015 en het hof nam kennis van de neergelegde conclusies en stukken.

II. Procedure in eerste aanleg
2. Met de inleidende dagvaarding d.d. 12 juli 2013 vorderde V.C. te zeggen voor recht dat de beslissingen van de raad van bestuur van de CVBA A. genomen op 29 april 2013, 11, 12 en 14 juni 2013, zoals geacteerd bij hun respectievelijke processen-verbaal en op 25 juni 2009, waarbij werd besloten tot uitsluiting van V.C. als vennoot uit de CVBA A. en tot de toewijzing van de 149 aandelen van V.C. in de CVBA A. aan S.D., onrechtmatig zijn, nietig en geen uitwerking/waarde hebben, minstens ongegrond zijn.

V.C. vorderde tevens dat elke onrechtmatige aanwending, verkoop, toe-eigening, vervreemding en dergelijke van haar 149 aandelen in de CVBA A. nietig wordt verklaard en zonder uitwerking en dat zij terug in het bezit moet worden gesteld van haar 149 aandelen in de vennootschap.

Zij vorderde ten slotte de CVBA A. te veroordelen tot het betalen van een provisionele schadevergoeding gelijk aan 10.000 EUR, meer gerechtelijke interesten, alsook de CVBA A. te horen veroordelen tot betaling van de gedingkosten.

3. CVBA A. vorderde de afwijzing van voormelde vordering als (gedeeltelijk) onontvankelijk en ongegrond.

Zij vroeg in ieder geval de vordering tot het betalen van een provisionele schadevergoeding onontvankelijk te verklaren, minstens af te wijzen als ongegrond.

De CVBA A. vorderde ten slotte om V.C. tot betaling van de gedingkosten te veroordelen.

4. Het hier bestreden en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wees de voormelde vordering van V.C. af als ontvankelijk maar niet gegrond en veroordeelde laatstgenoemde tot betaling van de gedingkosten.

III. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
5. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de syntheseconclusies.

5.1. Kort samengevat argumenteert V.C. dat:

er in hoofde van zowel de heer S.D. als de heer Q. sprake is van een belangenvermenging waaromtrent zij in toepassing van artikelen 877 et seq. Ger.W. om de overlegging van een aantal stukken verzoekt;
niet voldaan is aan de statutaire voorwaarden om tot haar uitsluiting over te gaan nu zij naar haar oordeel geen handelingen heeft verricht die strijden met de belangen van de vennootschap;
de in de statuten voorziene uitsluitingsprocedure niet werd gevolgd.
Voor het eerst in hoger beroep vordert V.C. ook de nietigverklaring van de beslissing van de algemene vergadering van 19 maart 2013.

In het beschikkend gedeelte van haar laatst neergelegde syntheseconclusie vordert V.C.:

“Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

Het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw wijzende:

De beslissingen van de raad van bestuur van geïntimeerde CVBA A. d.d. 19 maart 2013, 29 april 2013, 11 juni 2013, 12 juni 2013 en 14 juni 2013 zoals geactueerd [sic] in hun respectievelijke processen-verbaal en 25 juni 2013 strekkende tot uitsluiting als vennoot van appellante uit de vennootschap en de toewijzing van de 149 aandelen van appellante aan de heer S.D., onrechtmatig, nietig en zonder gevolg te verklaren;

Elke onrechtmatige aanwending, verkoop, toe-eigening, vervreemding enz. van de 149 aandelen van appellante in de CVBA A. door geïntimeerde, nietig te verklaren en zonder uitwerking, en appellante terug in het bezit te stellen van haar 149 aandelen;

Geïntimeerde te veroordelen om deze inschrijving van de 149 aandelen van appellante (terug) in te schrijven in het aandelenregister en dit binnen de 48 uur na betekening van het tussen te komen arrest, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 EUR per dag vertraging;

Geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van 10.000 EUR, bedrag aan te passen en te preciseren terloops het geding, méér de gerechtelijke interesten;

Minstens, bij toepassing van de artikelen 877 et seq. Ger.W., alvorens recht te doen, akte te nemen dat geïntimeerde gesommeerd wordt om alle overeenkomsten die zij met de huidige uitbater (Eau de cologne 4711) heeft afgesloten in de debatten te brengen evenals alle briefwisseling/e-mails/fax die aan de totstandkoming van deze overeenkomst(en) vooraf gingen, dan wel, indien geïntimeerde zou nalaten om vrijwillig hieraan gevolg te geven:

zowel geïntimeerde,
de VOF 4711 B. met maatschappelijke zetel te (…) met ondernemingsnummer (…) en
de heer S.D. (gedelegeerd bestuurder van de CVBA A.) wonende te (…), dan wel
de NV I.I. met maatschappelijke zetel te (…), met ondernemingsnummer (…), vertegenwoordigd door de heer S.D. (eveneens bestuurder van de CVBA A.)
tot overlegging van stukken te bevelen, met name alle overeenkomsten die tussen hen werden afgesloten (voor én na uitdrijving van appellante) met betrekking tot de exploitatie van het in concessie van de stad Brugge gekregen onroerend goed op de markt te Brugge, evenals alle briefwisseling/e-mails/fax die aan de totstandkoming van deze overeenkomst(en) vooraf gingen.

Geïntimeerde tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding (…)”

5.2. De CVBA A. die de voormelde argumentatie en aanspraak van V.C. stellig betwist, besluit tot de afwijzing van het hoger beroep als ontvankelijk maar ongegrond, met veroordeling van V.C. tot betaling van de gedingkosten.

IV. Beoordeling
6. Zoals hiervoor al aangegeven vordert V.C. voor het eerst in hoger beroep de nietigverklaring van de beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013.

Nog afgezien van de vraag of deze eis een nieuwe vordering uitmaakt die voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld, dringt zich naar het oordeel van de vaststelling op dat deze vordering hoe dan ook ongegrond voorkomt.

Zoals ook de eerste rechter al terecht vaststelde werd het besluit tot uitsluiting van V.C. als vennoot van de CVBA A. immers niet door de voormelde buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013 genomen, maar wel door de navolgende ra(a)d(en) van bestuur genomen.

Met het enkele besluit om de procedure tot uitsluiting lastens V.C. op te starten - welke procedure naderhand en in overeenstemming met artikel 11 van de statuten door de raad van bestuur ook effectief werd opgestart en beëindigd met de beslissing tot daadwerkelijke uitsluiting van V.C. - is de buitengewone algemene vergadering haar bevoegdheid niet te buiten gegaan.

In haar synthese conclusies bevestigt V.C. overigens zelf:

“Volledigheidshalve dient overigens nog te worden opgemerkt dat in de vergadering van de raad van bestuur van 19 maart 2013 geenszins definitief, onherroepelijk en ondubbelzinnig tot de uitsluiting van appellante werd beslist (…)”

In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen enkele reden om het besluit van de buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013, dat - zoals V.C. zelf aangeeft - niet tot haar uitsluiting besliste, nietig te verklaren.

7. Op volgende relevante overwegingen oordeelde de eerste rechter dat, in tegenstelling tot wat V.C. voorhield - en thans ook nog voorhoudt - de door de raad van bestuur van de CVBA A. doorgevoerde uitsluitingsprocedure niet door enige onregelmatigheid of miskenning van de rechten van verdediging van V.C. is aangetast:

“Het met redenen omklede voorstel tot uitsluiting, waartoe werd beslist op de vergadering van de raad van bestuur van 29 april 2012, werd aan V.C. overgemaakt per aangetekende zending van 3 mei 2013.

Beide partijen laten de rechtbank in het ongewisse over het lot van bedoelde aangetekende zending.

In elk geval bewijst V.C. niet, dat zij zich in de periode van mogelijke aanbieding in het buitenland bevond, laat staan dat [CVBA A.] hiervan op de hoogte was. De rechtbank ontwaart derhalve in de gevolgde procedure géén schending van het recht van verdediging, dat V.C. kennelijk niet heeft benut.

V.C. verwijt [CVBA A.] dat bij het voorstel tot uitsluiting géén begeleidend schrijven was gevoegd, hetgeen alvast laat vermoeden, dat zij de aangetekende zending van 3 mei 2013 heeft ontvangen. Het is juist, dat [CVBA A.] simpelweg het verslag van de vergadering van de raad van bestuur van 29 april 2012 heeft verstuurd, maar hierin wordt de te volgen procedure in detail beschreven, zodat V.C. kon weten, dat zij haar opmerkingen binnen een maand moest formuleren.”

Het hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het bijtreedt en hier als hernomen beschouwt.

De door V.C. in hoger beroep ontwikkelde argumentatie is niet van aard om hieraan op enige wijze afbreuk te doen.

Mede in antwoord op deze argumentatie voegt het hof aan voormelde overwegingen alleen nog het volgende toe.

7.1. Aan de hand van de voorliggende stukken dringt zich naar het oordeel van het hof de vaststelling op dat de in artikel 11 van de statuten voorziene procedure voor uitsluiting werd gevolgd en nageleefd.

Zo werd V.C. bij voormeld aangetekend schrijven van 3 mei 2013 in kennis gesteld van het met redenen omklede voorstel tot uitsluiting en werd zij wel degelijk in de gelegenheid gesteld om binnen de maand haar schriftelijke opmerkingen en/of haar verzoek om desgevallend te worden gehoord, mede te delen.

Het met redenen omklede besluit waarbij de raad van bestuur van de CVBA A. van 11 juni 2013 effectief tot de uitsluiting van V.C. besliste, werd haar binnen de 15 dagen bij aangetekende zending ter kennis gebracht.

V.C. die reeds het voorwerp van een eerdere, met succes afgeweerde procedure tot uitsluiting had uitgemaakt, kan bezwaarlijk ernstig voorhouden dat zij het aan haar gerichte aangetekend schrijven van 3 mei 2013 - waarbij haar het met redenen omklede verslag van de raad van bestuur van 29 april 2013 werd overgemaakt - niet kon aanzien als een verzoek om binnen de maand haar bezwaren en/of opmerkingen te formuleren.

Waar, zoals vermeld, het verslag van de raad van bestuur op een omstandige en gemotiveerde wijze de redenen uiteenzet die tot het voorstel tot uitsluiting leiden, verschuilt V.C. zich vruchteloos achter het in dit verslag vermeld begeleidend schrijven dat een uitvoerige uiteenzetting van de redenen tot opstart van de uitsluitingsprocedure zou vermelden en dat zij nooit ontving.

In artikel 11 van de statuten is een dergelijk begeleidend schrijven vooreerst niet voorzien en verder was daartoe geen enkele aanleiding voorhanden nu V.C. de aan het voorstel tot uitsluiting ten grondslag liggende redenen uitgebreid kon lezen in het haar toegestuurd verslag van de raad van bestuur van 29 april 2013.

Ook naar het oordeel van het hof kan de voorgehouden miskenning van de rechten van verdediging van V.C. dan ook niet worden weerhouden.

7.2. Vermits de in artikel 11 van de statuten van de CVBA A. vermelde procedure van uitsluiting een weergave is van de uitsluitingsprocedure zoals deze wettelijk geregeld is door artikel 370 W.Venn., is het meteen duidelijk dat de door de raad van bestuur van de CVBA A. gevolgde procedure eveneens beantwoordt aan datgene wat door artikel 370, § 1, derde, vierde en vijfde lid W.Venn. en artikel 370, § 2 W.Venn. wordt voorgeschreven.

8. Artikel 370, § 1 W.Venn. bepaalt dat iedere vennoot kan worden uitgesloten om een gegronde reden of uit een andere in de statuten vermelde oorzaak.

Waar de statuten van de CVBA A. in artikel 11 bepalen dat een vennoot slechts uit de vennootschap kan worden gesloten wanneer hij ophoudt te voldoen aan de toetredingsvoorwaarden of wanneer hij handelingen verricht die strijdig zijn met de belangen van de vennootschap, sluit dit in toepassing van voormeld artikel 370, § 1 W.Venn. niet uit dat ook een andere gegronde reden de uitsluiting rechtvaardigt.

Ook indien, zoals V.C. beweert, zij geen met de belangen van de vennootschap strijdige handeling zou hebben gesteld, staat dit er niet aan in de weg dat een andere gegronde reden haar uitsluiting rechtvaardigt.

Op volgende relevante overwegingen oordeelde de eerste rechter dat er wel degelijk een gegronde reden voorhanden was die de uitsluiting van V.C. verantwoordde:

“Naar het oordeel van de rechtbank vormt de herhaalde wanbetaling van een vennoot jegens een vennootschap een 'gegronde reden' in de zin van het artikel 370 W.Venn., die de uitsluiting rechtvaardigt. Het kan niet door de beugel, dat een vennootschap, zoals in casu, tweemaal moet overgaan tot dagvaarding en dat zij de tussengekomen vonnissen van 5 juli 2012 en 20 februari 2013 zelfs gedwongen moet laten uitvoeren om betaling te bekomen van de haar verschuldigde vergoedingen.

Heeft [V.C.] blijkbaar niets geleerd uit de vorige procedure tot uitsluiting en kon zij misschien nog de illusie koesteren, dat [CVBA A.] zich telkens zou beperken tot gerechtelijke invordering, dan werd haar op de algemene vergadering van 10 december 2012 duidelijk gemaakt, dat zij haar schulden moest aanzuiveren vóór eind 2012 en zij zich in het kalenderjaar 2013 aan de afspraken moest houden. Ook na de algemene vergadering van 19 maart 2013 (…) beschikte [V. C.] nog over 2 maanden om tot regularisatie over te gaan, welke termijn niet werd benut.

[V.C.], die haar schuld, die naar verluidt tot 12.500 EUR kon oplopen, vergoelijkend 'relatief mineur' noemt, houdt voor, dat zij nimmer de belangen van de vennootschap heeft geschaad, maar verstrekt niet de minste uitleg over de reserves, waarover [CVBA A.] dan wel beschikte om haar verplichtingen jegens derden te voldoen.

In de gegeven omstandigheden kon van [CVBA A.] in redelijkheid niet worden verwacht, dat zij [V.C.] nog langer als vennoot moest dulden, weshalve het besluit tot uitsluiting niet ongedaan moet worden gemaakt.”

Ook hier verwijst het hof partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en hier als hernomen beschouwt.

Ook hier is de door V.C. in hoger beroep ontwikkelde argumentatie niet van aard om deze overwegingen te ontkrachten.

Mede in antwoord op deze argumentatie voegt het hof aan voormelde overwegingen enkel nog het volgende toe.

8.1. V.C. die een aantal [van] haar gefactureerde vergoedingen voorbehoudsloos heeft betaald, en blijkens het op 14 februari 2013 gewezen vonnis zelfs niet heeft betwist een bedrag van 9.000,16 EUR in hoofdsom verschuldigd te zijn, houdt naar het oordeel van het hof volkomen misplaatst voor dat “bic et nunc zelfs niet uitgemaakt is door welke overeenkomst partijen gebonden zijn”.

8.2. Met de gegronde reden in artikel 370 W.Venn. wordt bedoeld: een schending van de wet of de statuten en elk feit dat dermate ernstig is dat het behoud van de betrokken persoon als vennoot voor een redelijke persoon ondenkbaar is of alleszins bijzonder onwenselijk of ongepast voorkomt.

De in de voormelde overwegingen aangehaalde houding van V.C. die gekenmerkt wordt door een aanhoudende en systematische wanbetaling van de bedragen die zij aan de CVBA A. verschuldigd was en die op onmiskenbare en ernstige wijze de belangen van de vennootschap in het gedrang bracht en miskende, verantwoordt ook naar het oordeel van het hof de uitsluiting van V.C. als vennoot van de CVBA A.

9. Hiervoor werd al geoordeeld dat de door V.C. voor het eerst in hoger beroep geformuleerde vordering tot nietigverklaring van de besluiten van de buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013 ongegrond voorkomt.

Waar verder werd geoordeeld dat de procedure tot uitsluiting van V.C. zowel conform de statutaire als de wettelijke bepalingen plaatsvond, komt ook de door V.C. gevorderde nietigverklaring van de besluiten van de raad van bestuur van 29 april 2013, 11 juni 2013 en 12 juni 2013 ongegrond voor.

De beoordeling dat V.C. ingevolge de door de raad van bestuur van 12 juni 2013 besliste en rechtmatig bevonden uitsluiting geen vennoot/aandeelhouder meer is van de CVBA A. en, in toepassing van zowel de statuten als artikel 370 W.Venn., enkel nog aanspraak kan maken op de uitkering van de waarde van haar aandelen, houdt meteen in dat waar de vordering van V.C. er tevens toe strekt:

elke onrechtmatige aanwending, verkoop, toe-eigening, vervreemding van haar 149 aandelen in de CVBA A. nietig en zonder uitwerking te horen verklaren;
in het bijzonder de toewijzing van de 149 aandelen aan de heer S.D. onrechtmatig, nietig en zonder uitwerking te horen verklaren, en V.C. terug in het bezit te stellen van haar 149 aandelen;
CVBA A. te horen veroordelen om - binnen de 48 uur na betekening van het tussen te komen arrest en onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 EUR per dag vertraging - de 149 aandelen terug in het aandelenregister in te schrijven;
en CVBA A. te horen veroordelen tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van 10.000 EUR,
elk van deze vorderingen - gelet op de rechtmatig bevonden uitsluiting van V.C. ongegrond voorkomt.

Het hof gaat in de gegeven omstandigheden ook niet verder in op het door V.C. in hoofde van de heer D. en de heer Q. ingeroepen belangenconflict en de ter zake door V.C. nog geformuleerde vordering om de overlegging te horen bevelen van alle overeenkomsten - inclusief alle daaraan voorafgaande briefwisseling, e-mails en faxen - die de CVBA A. met de huidige uitbater (…) heeft afgesloten.

Nog afgezien van het antwoord op de vraag of de heer S.D. bestuurder was van de CVBA A., dringt zich immers de vaststelling op dat de heer S.D. en ook de heer Q., ten aanzien van wie V.C. nochtans een belangenconflict inroept, op geen enkel ogenblik - noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep - als partij in het geding werden betrokken.

Zelfs indien zij daartoe nog over de vereiste hoedanigheid en belang zou beschikken, kan de door V.C. op basis van voormeld beweerd belangenconflict geformuleerde vordering tot nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van 14 juni 2013 - bij gebrek aan aanwezigheid van de heer S.D. en de heer Q. als partij in het geding - niet worden ingewilligd.

Louter prima facie blijkt naar het oordeel van het hof vooralsnog uit niets dat de heer S.D. en de heer Q. bij de procedure tot uitsluiting van V.C. en bij de in dat verband getroffen beslissingen een tegengesteld belang hadden dan dat van de CVBA A. en dat zij dit eigen belang zouden hebben laten primeren op het vennootschapsbelang van de CVBA A.

Waar het vennootschapsbelang van de CVBA A. door V.C. ernstig in het gedrang werd gebracht en miskend, lijkt één en ander er op het eerste gezicht op te wijzen dat de raad van bestuur van de CVBA A., zowel met betrekking tot de ten aanzien van V.C. opgestarte en doorgevoerde uitsluitingsprocedure, als met betrekking tot de na de uitsluiting van V.C. genomen maatregelen om enerzijds het aantal vennoten terug op 3 te brengen en anderzijds de continuïteit van de uitbating te verzekeren, enkel in het belang van de CVBA A. heeft gehandeld.

10. Gelet op wat voorafgaat komt het hoger beroep van V.C. dan ook ontvankelijk maar niet gegrond voor.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd en de door V.C. voor het eerst in hoger beroep geformuleerde vordering om de besluiten van de buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013 nietig te verklaren wordt afgewezen als ongegrond.

[…]

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

[…]

Rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep van V.C. ontvankelijk maar niet gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Wijst de door V.C. voor het eerst in hoger beroep geformuleerde vordering om de besluiten van de buitengewone algemene vergadering van 19 maart 2013 nietig te verklaren af als ongegrond,

Veroordeelt V.C. tot betaling van de gedingkosten van het hoger beroep,

Aan haar zijde niet nader cijfermatig begroot nu deze te haren laste blijven,

Aan de zijde van de CVBA A. begroot op 1.320 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep,

[…]

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 18:59
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 20:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.