-A +A

Vordering tot schadevergoeding kan door de rechter worden omgezet in vordering tot verlies van een kans

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 14/12/2017
A.R.: 
C.16.0296.N

Krachtens hun verplichting het recht te bepalen dat op de vordering van toepassing is en dit recht toe te passen, dient de rechter de vordering van de eiser te beoordelen op grond van de regels die op het voorwerp van de vordering toepasselijk zijn./

Aldus past te dezen de beroepsrechter de regeld voor de aansprakelijkheid wegens verlies van een kans toe.

Onder het voorwendsel dat de rechter het voorwerp van de vordering niet mag wijzigen of , beperken mag de rechter de vordering van eiser niet verwerpen om de reden dat deze laatste het oorzakelijk verband niet bewijst tussen de aan de verweerder verweten fouten en de schade waarvoor de eiser vergoeding vordert..

zie art. 1138, 2° Ger.W. en het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd.

De rechter die gevat door een vordering tot vergoeding van de schade ingevolge een niet verworven voordeel of een geleden nadeel, vergoeding toekent voor het verlies van een kans op het verwerven van dit voordeel of het vermijden van dit nadeel, wijzigt het voorwerp van de vordering niet. Hij is ertoe gerechtigd met eerbiediging van het recht van verdediging.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
350
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

abstract: De rechter mag het voorwerp van de vordering niet wijzigen (hetgeen gevorderd wordt) maar kan (moet) wel de rechtsregels toepassen die op het geschil toepasselijk zijn ook al wijken die af van de rechtsgronden aangehaald door de eiser. Een en ander zonder miskenning va e rechten van verdediging en dus zo nodig na heropening van de debatten.

(A. NV et al. / C.G. en Ethias NV - Rolnr.: C.16.0296.N)

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 januari 2016.

II. Cassatiemiddel

De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen
- de artikelen 774 en 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1142, 1145, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150, 1151, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk in burgerlijke zaken de partijen de grenzen van hun geschil bepalen;

- het algemene rechtsbeginsel, dat toegepast wordt in artikel 774 van het Gerechtelijk

Wetboek, krachtens hetwelk de rechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, moet bepalen welke rechtsnorm van toepassing is op de aangevoerde feiten en

op de hem voorgelegde vordering en die norm moet toepassen;

- het algemene rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging.

Bestreden beslissing
Het bestreden arrest verwerpt, door de bevestiging van het vonnis a quo, de vordering tot schadevergoeding van eisers tegen verweerder op volgende gronden:

“4.2.3. De (eisers) vorderen van de (verweerder) schadeloosstelling wegens door hem als hun raadsman begane beroepsfouten. De (verweerder) betwist dat hier zou zijn voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor (contractuele en/of quasi-delictuele) aansprakelijkheid (over de contractuele en/of quasi-delictuele grondslag van de aanspraken van de eisers, wordt tussen de partijen geen betwisting gevoerd).

4.2.4. Degene die schadevergoeding vordert bij toepassing van de artikelen 1146 en volgende Burgerlijk Wetboek en/of 1382 en volgende Burgerlijk Wetboek moet bewijzen dat door degene die hij/zij aansprakelijk acht een contractuele wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan hij/zij aanspraak maakt. De (eisers) dragen bijgevolg de bewijslast van een contractuele wanprestatie/fout/gebrek aan voorzorg van de (verweerder), van vergoedbare schade en van oorzakelijk verband tussen beide. Aangezien het hier gaat om het bewijs van rechtsfeiten, kunnen de (eisers) aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen.

4.2.5. De (eisers) vorderen hier van de (verweerder) vergoeding van door hen geleden schade die zij omschrijven als bestaande in het verlies van de schadeloosstelling waarop zij gerechtigd waren tegenover de stad Tongeren en de provincie Limburg wegens hun onwettig overheidsoptreden, verlies dat zij begroten op een bedrag van 1.358.111,76 EUR in hoofdsom, zijnde een bedrag gelijk aan het bedrag voorwerp van hun wegens verjaring afgewezen vordering tot schadeloosstelling in rechte tegen de stad Tongeren en de provincie Limburg. Meer bepaald laten zij gelden dat 'indien (de 'verweerder') de dagvaarding tijdig had uitgebracht, wat naar het oordeel van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren kon tot 1 maart 2007, (...) de stad Tongeren en/of de deputatie van de provincie Limburg tot vergoeding van de door verzoekers geleden schade (zouden) veroordeeld zijn'.

Van oorzakelijk verband tussen contractuele wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid en schade is sprake, wanneer de schade, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, niet zou zijn ontstaan zonder de contractuele wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid.

De (eisers), die daarvan de bewijslast dragen, bewijzen niet dat, zonder de aan de (verweerder) verweten contractuele wanprestaties/fouten/onzorgvuldigheden (indien bewezen), de door hen aangevoerde schade niet zou zijn ontstaan. Het staat immers niet met zekerheid vast dat, zonder die contractuele wanprestaties/fouten/onzorgvuldigheden van de (verweerder), hun vordering tot schadeloosstelling tegen de stad Tongeren en tegen de provincie Limburg zou toegekend zijn, laat staan dat dit zou gebeurd zijn voor een bedrag van 1.358.111,76 EUR in hoofdsom.

Hoogstens zouden de (eisers), zonder de aan de (verweerder) verweten contractuele wanprestaties/fouten/onzorgvuldigheden, de kans hebben gehad hun desbetreffende vordering tot schadeloosstelling tegen de stad Tongeren en tegen de provincie Limburg te zien toekennen. Maar, het verlies van de kans op het verkrijgen van schadeloosstelling is een schade wel te onderscheiden van de schade bestaande in het verlies van die schadeloosstelling zelf.

De rechter kan weliswaar vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een contractuele wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid. Maar, enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt in dat geval voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel.

Het Hof kan niets anders of niets meer dan vaststellen dat de (eisers) hier geen vergoedingvordering van (de economische waarde van) de verloren gegane kans, doch enkel de toekenning van het volledige bedrag van het verloren voordeel, terwijl dit Hof het voorwerp van de vordering niet ambtshalve mag wijzigen.

In de gegeven omstandigheden blijven de (eisers) in gebreke een afdoende bewijsvoering te doen van het oorzakelijk verband tussen de aan de (verweerder) verweten contractuele wanprestaties/fouten/onzorgvuldigheden en de schade op vergoeding waarvan zij aanspraak maken.

4.2.6. Bij gebrek aan bewijs van dat causaal verband, moet niet verder worden ingegaan op de andere toepassingsvoorwaarden (de beweerde contractuele wanprestaties/fouten/onzorgvuldigheden van de (verweerder) en de beweerde vergoedbare schade) voor (contractuele en/of quasi-delictuele) aansprakelijkheid.

Slotsom

4.2.7. De vordering tot schadeloosstelling van de (eisers) tegen de (verweerder) was, is en blijft ongegrond.”

Grieven

Eerste onderdeel

1. Het voorwerp van de vordering is wat door de eiser wordt gevorderd, het economische, sociale of morele voordeel dat de eiser nastreeft, het doel van de vordering, zoals de betaling van een som geld dan wel een schadevergoeding.

Wanneer de eiser een vergoeding vordert voor schade die hij stelt te hebben geleden door een fout begaan door de verweerder (zonder die schade te aanzien als een verlies van een kans), wijzigt de rechter niet het voorwerp van de vordering, door te oordelen dat de schade van de eiser bestaat uit een verlies van een kans en door op basis van dit oordeel de vordering te beslechten (art. 1138, 2° Ger.W., het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk in burgerlijke zaken de partijen de grenzen van hun geschil bepalen).

2. Waar de eiser het voorwerp en ook de oorzaak van zijn vordering moet aangeven, komt het de rechter toe, onder eerbieding van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten en zonder het voorwerp van de vordering of de oorzaak van de vordering te wijzigen, de toepasselijke rechtsregels te bepalen en deze toe te passen (het algemeen rechtsbeginsel, dat toegepast wordt in artikel 774 Ger.W., krachtens hetwelk de rechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, moet bepalen welke rechtsnorm van toepassing is op de aangevoerde feiten en op de hem voorgelegde vordering en die norm moet toepassen).

3. Het voorwerp van de vordering van de eisers tegen de verweerder is de betaling van een schadevergoeding van 1.358.111,76 EUR wegens de door de verweerder begane fouten.

4. Het bestreden arrest oordeelt dat de eisers niet bewijzen dat zonder de door hen aan de verweerder verweten fouten, hun vordering tot schadeloosstelling tegen de stad Tongeren en tegen de provincie Limburg zou toegekend zijn, laat staan dat dit zou gebeurd zijn voor een bedrag van 1.358.111,76 EUR in hoofdsom.

Het oordeel(t) echter tevens dat de eisers zonder de aan de verweerder verweten fouten hoogstens de kans zouden hebben verloren hun vordering tot schadeloosstelling tegen de stad Tongeren en tegen de provincie Limburg te zien toekennen.

De appelrechters onderzoeken niet of de eisers aldus een kans hebben verloren en of de eisers schade hebben geleden door het verlies van een kans, dit omdat de eisers enkel de toekenning van het volledig bedrag van het verloren voordeel vorderen en geen vergoeding van (de economische waarde van) de verloren gegane kans en het hof [van beroep] het voorwerp van de vordering van de eisers niet ambtshave mag wijzigen.

Het is in die omstandigheden (“in de gegeven omstandigheden”: p. 8 van het arrest) dat de appelrechters de vordering van de eisers afwijzen om de reden dat de eisers in gebreke blijven het oorzakelijk verband te bewijzen tussen de aan de verweerder verweten fouten en “de schade op vergoeding waarvan zij aanspraak maken” te weten een schadevergoeding van 1.358.111,76 EUR (p. 8).

5. Waar de appelrechters op grond van de feiten van de zaak, die de oorzaak vormen van de vordering van de eisers, oordelen dat de eisers “hoogstens (...) zonder de aan (de verweerder) verweten contractuele wanprestaties (...) de kans (zouden) hebben gehad hun desbetreffende vordering tegen de stad Tongeren en tegen de provincie Limburg te zien toekennen” en dus hoogstens een kans zouden hebben verloren, zouden zij, in tegenstelling tot wat zij beslissen, niet het voorwerp van de vordering van de eisers wijzigen door de door deze laatsten aangevoerde schade te aanzien als een verlies van een kans en door de vordering van deze laatsten te aanzien als een vordering tot vergoeding van een schade wegens het verlies van een kans.

Krachtens hun verplichting het recht te bepalen dat op de vordering van toepassing is en dit recht toe te passen, dienden de appelrechters de vordering van de eisers te beoordelen op grond van de regels die gelden voor de aansprakelijkheid wegens verlies van een kans, en konden zij zich niet, onder het voorwendsel dat zij het voorwerp van de vordering zouden wijzigen, beperken tot de verwerping van de vordering van de eisers om de reden dat deze laatsten het oorzakelijk verband niet bewijzen tussen de aan de verweerder verweten fouten en de schade van 1.358.111,76 EUR waarvoor zij vergoeding vorderen.

6. De appelrechters hebben op onwettige wijze geoordeeld dat zij het voorwerp van de vordering van de eisers zouden wijzigen indien zij die vordering zouden aanzien als een vordering tot schadevergoeding wegens het verlies van een kans (schending van art. 1138, 2° Ger.W. en van het algemene rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd).

Zij hadden de verplichting, nu zij van mening zijn dat de eisers hoogstens een verlies van een kans als schade zouden kunnen aanvoeren, de vordering van de eisers te beoordelen als een vordering tot vergoeding van de schade wegens het verlies van een kans en op die vordering de regels inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid toe te passen (regels vervat in respectievelijk de art. 1142, 1145, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150, 1151 en de art. 1382 en 1383 BW).

Door dit niet te doen onder het voorwendsel dat zij het voorwerp van de vordering van de eisers zouden wijzigen, schenden zij de wetsbepalingen en de algemene rechtsbeginselen waarvan het middel de schending aanvoert (met uitzondering van het algemene rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging).

Tweede onderdeel

Noch de verweerder, noch de verzekeraar van de verweerder (de tussenkomende partij) hebben in hun conclusies opgeworpen dat de vordering van de eisers moet worden verworpen onder meer om de reden [dat] de eisers als schade geen verlies van een kans aanvoeren. De tegenpartijen hebben integendeel in hun conclusies de vordering van de eisers ook beoordeeld vanuit het oogpunt van een verlies van een kans.

De eisers dienden zich niet eraan te verwachten dat de appelrechters ambtshalve hun vordering zouden verwerpen omdat zij als schadevergoeding de toekenning vorderen van de som van 1.358.111,76 EUR, zijnde het volledig bedrag van de schadevergoeding die zij in hun procedure tegen de stad Tongeren en de provincie Limburg hebben gevorderd, en niet een vergoeding nastreven voor het verlies van de kans die zijn hadden om in die procedure te slagen.

Door de vordering van de eisers te verwerpen op grond van het ambtshalve opgeworpen middel dat de eisers geen schade wegens verlies van een kans vorderen, zonder de eisers in de gelegenheid te stellen zich over dit middel te verdedigen, hebben de appelrechters het recht van verdediging van de eisers geschonden (schending van het algemene rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging).

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het voorwerp van de vordering is het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt.

De rechter die gevat door een vordering tot vergoeding van de schade ingevolge een niet verworven voordeel of een geleden nadeel, vergoeding toekent voor het verlies van een kans op het verwerven van dit voordeel of het vermijden van dit nadeel, wijzigt het voorwerp van de vordering niet. Hij is ertoe gerechtigd met eerbiediging van het recht van verdediging.

2. De appelrechters die oordelen dat “het hof niets anders of niets meer kan vaststellen dan dat de eisers hier geen vergoeding vorderen van (de economische waarde van) de verloren gegane kans, doch enkel de toekenning van het volledige bedrag van het verloren voordeel, terwijl dit hof het voorwerp van de vordering niet ambtshalve mag wijzigen” en zodoende ontkennen dat zij gerechtigd zijn de vordering tot vergoeding van het verlies van de kans ambtshalve in het debat te brengen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Omvang van cassatie

3. De vernietiging van de beslissing dat het de rechter niet toegelaten is ambtshalve de vergoeding van de gevorderde schade gedeeltelijk toe te kennen op grond van het verlies van een kans dient te worden uitgebreid tot de beslissing waarbij het door de eiseres ingestelde hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard, deze beslissing zijnde vanuit het oogpunt van de omvang van de cassatie geen onderscheiden beschikking en tot alle overige beslissingen die er het gevolg van zijn.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Verklaart het huidig arrest gemeen aan de NV Ethias.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

C.16.0296.N
Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:

1. Eisers tot cassatie komen op tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen gewezen op 18 januari 2016. Door eisers wordt er één middel aangevoerd.

2. Het middel.

A. De relevante feiten.

Verweerder trad op als advocaat voor eisers in het raam van een aantal administratieve procedures voor de Raad van State betreffende een beoogde vergunning voor de renovatie van een handelspand, gelegen achter het Kanunnikenhuis en de Basiliek te Tongeren.

Nadat zij de vergunning op 4 maart 2003 verkregen, gelastten eisers verweerder een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de stad Tongeren en de provincie Limburg wegens het aanhoudend onwettig weigeren van de vergunning.

Deze aansprakelijkheidsvordering, ingesteld bij exploot van 20 juni 2007, werd door de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren bij vonnis van 15 oktober 2008 onontvankelijk verklaard wegens verjaring. Het Hof van beroep Antwerpen bevestigde deze beslissing bij arrest van 15 juni 2010.

Vervolgens stelden eisers, bij dagvaarding van 4 oktober 2012, een aansprakelijkheidsvordering in tegen verweerder. Zij vorderden vergoeding van de schade wegens verlies van het recht op schadevergoeding tegenover de stad Tongeren en de provincie Limburg, die veroorzaakt werd door de door verweerder begane professionele fouten. Het bedrag dat eisers lastens verweerder vorderden betrof een schadevergoeding gelijk aan het bedrag dat eisers zouden hebben verkregen in geval van volledig welslagen van hun vordering tegen de stad Tongeren en de provincie Limburg.

De nv Ethias, aansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder, kwam vrijwillig tussen in de procedure voor de Rechtbank van eerste aanleg Turnhout. Verweerder vorderde, voor het geval de vordering van eisers gegrond zou worden verklaard, Ethias te veroordelen tot betaling van alle bedragen waartoe hij ten opzichte van eisers zou worden veroordeeld.

Bij vonnis van 25 oktober 2013 verklaarde de Rechtbank van eerste aanleg Turnhout de vordering van eisers ongegrond en de tussenvordering van verweerder zonder voorwerp.

Eisers tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis, waarna verweerder incidenteel beroep instelde.

Bij arrest van 18 januari 2016 bevestigde het Hof van beroep Antwerpen het beroepen vonnis.

B. Eerste onderdeel

Probleemstelling

Het probleem in het eerste onderdeel betreft de vraag of een rechter, die geroepen wordt om een vordering tot schadevergoeding te beoordelen inzake de uiteindelijke geleden schade, het voorwerp van de vordering wijzigt zo hij een vergoeding zou toekennen voor het verlies van een kans indien de benadeelden geen zulkdanige vordering stelden.

Eisers tot cassatie menen dat de rechter in die omstandigheden het voorwerp van de vordering niet wijzigt en derhalve het beschikkingsbeginsel niet schendt.
Beoordeling.

Ik deel het standpunt van de eisers tot cassatie niet.

Twee punten dienen aan een onderzoek te worden onderworpen. Er is enerzijds de "gemiste kans" als schadepost tegenover de "uiteindelijk geleden schade".

Anderzijds zijn er de aspecten "oorzaak" en "voorwerp" van een vordering.

a. De "gemiste kans" als schadepost.

Uit Uw rechtspraak komt naar voren dat een eiser die aanspraak wenst te maken op een schadevergoeding het bewijs moet leveren van het causaal verband dat er moet zijn tussen de gevorderde schade en de fout van verweerder(1). Dit betreft het conditio sine qua non aspect.

Zo de vordering van de benadeelde betrekking heeft op de uiteindelijk geleden schade dan moet er dus zekerheid zijn over de vraag of deze schade zich tevens zou hebben voorgedaan zonder de fout van de verweerder, waarbij alle andere omstandigheden hetzelfde blijven(2).

Bij de "gemiste kans" gaat het over de mogelijkheid, die bestond om de schade te vermijden of het voordeel te verwerven, die verloren is gegaan door de fout. Het causaal verband tussen de fout en de uiteindelijk geleden schade kan niet worden aangetoond, maar de benadeelde kan aantonen dat hij een reële kans had om de uiteindelijk geleden schade te vermijden en dat ingevolge de fout die kans verloren is gegaan(3). Het betreft dus de mogelijkheid dat de schade zich zou voordoen zonder de fout van de verweerder, dus een mogelijkheid van schade, geen zekerheid. Vandaar dat men spreekt van "kans".

Zo kan de onzekerheid bijvoorbeeld afhangen van, zoals in casu, een niet met stelligheid te voorspellen beslissing van een rechtscollege(4). Een vordering voor de uiteindelijk geleden schade zou hier dus struikelen over het aspect dat er geen zekerheid is over het causaal verband.

De causale onzekerheid valt dus ten laste van de benadeelde(5). Om over een kans te kunnen spreken is dus vereist dat de benadeelde ook zonder de fout bloot stond aan een risico om de schade op te lopen die uiteindelijk geleden werd(6).

Om verder te gaan in huidige casus: de benadeelde zou het proces verloren hebben zelfs zonder de fout van de raadsman. Dus specifiek aan het verlies van een kans is dat de benadeelde een schadevergoeding kan krijgen ook al zou zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zijn verkregen(7).
Het verlies van een kans is dus een schade die zich onderscheidt van de onderliggende schade waarop de kans betrekking heeft(8). De gemiste kans is geen deelschadepost van de uiteindelijk geleden schade.

De schade van de gemiste kans blijft onderworpen aan de principes van het aansprakelijkheidsrecht zoals, meer specifiek, het recht op de integrale vergoeding ervan(9).

Bij het verlies van een kans gaat het over de economische waarde van de verloren kans die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze waarde kan evenwel niet bestaan uit het volledig bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of verloren voordeel(10). Inderdaad, bij de fout die het verlies van een kans tot gevolg heeft om de schade te vermijden, kan men de schadeveroorzaker niet gehouden verklaren voor de gehele onderliggende schade(11).

Bij de begroting van de schadevergoeding wordt rekening gehouden met de graad van waarschijnlijkheid van de gunstige uitkomst van de kans(12).

Benevens dat de schade niet dezelfde is, is het causaal verband tevens verschillend. Het causaal verband met het verlies van een kans is niet hetzelfde als het causaal verband met de onderliggende schade(13).

Het is niet vereist dat voor de vergoeding van een verlies van een kans dat het causaal verband tussen de fout en de uiteindelijke geleden schade is aangetoond.

Het is voldoende dat er een causaal verband is tussen de fout en het verlies van de kans om het voordeel te verwerven of de schade te vermijden(14). Bij de beoordeling van de vordering zal de rechter dienen na te gaan wat het causaal verband is tussen de aangevoerde schade en de fout. Is het causaal verband niet bewezen dan is er geen recht op vergoeding voor deze schade.

Een opgelopen schade kan inderdaad slechts vergoed worden indien de benadeelde desbetreffend een vordering tot herstel stelt. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de fout en de gevorderde schade. Het causaal verband tussen de fout en een andere schade is niet relevant(15).

b. Oorzaak en voorwerp van een vordering.

Wanneer we het hebben over het voorwerp van de vordering is het aangewezen om enkele principes van de civiele procesvoering in herinnering te brengen. Deze procesvoering wordt gekenmerkt door het accusatoir karakter ervan(16).

Het zijn dus de partijen die, in principe, er de grenzen van bepalen(17). Het is binnen deze grenzen dat de civiele rechter kan werken. Koninklijk commissaris Charles Van Reepinghen omschreef het als volgt:

"In de beschuldigende rechtspleging komt het burgerlijk geding voort uit de wil van de partijen. De eiser leidt het in op de gronden die hij heeft gekozen. Hij ziet ervan af behalve bij uitzondering, zonder verlof van de rechter, aan wie het overigens verboden is het voorwerp of de oorzaak van de vordering te veranderen. Heeft hij zich vergist in termen van de betwisting dan staat het niet aan de rechter hem er andere te suggereren; hij kan geen uitspraak doen over minder noch over meer dan hem gevraagd wordt, noch op andere gronden; het geding is buiten hem om vastgesteld.

Zonder twijfel kan hij, eens een vordering is ingeleid, niet vrij nalaten ze te berechten en enig initiatief is aan zijn oordeel overgelaten"(18).

Deze afgrenzing van het werkveld van de rechter komt tevens aan bod in de rechtspraak van Uw Hof. U oordeelde bij herhaling:

"De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de voor hem aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig zijn voorgelegd en het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt; daarbij moet hij het recht van verdediging eerbiedigen"(19).

In Uw recente rechtspraak is de term "oorzaak" niet meer aan te treffen in de omschrijving van de rechterlijke taak.

In de recente arresten omschrijft Uw Hof het als volgt:

"De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen eerbiedigt"(20).

Deze wijziging is te verklaren door het gegeven dat thans aan het begrip oorzaak een feitelijke invulling wordt gegeven(21). De oorzaak wordt gezien als het geheel van rechtsfeiten die een partij aanvoert ter staving van zijn vordering. Hier dient als rechtsfeit begrepen te worden elk feit waaraan door het objectief recht rechtsgevolgen worden gekoppeld(22). De rechter wordt dus in rem gevat(23).

Hierbij kan hij het geheel van de voorgelegde feiten in ogenschouw nemen en moet hij zich niet beperken tot deze die in het bijzonder werden aangevoerd tot staving van de vordering(24). Niettegenstaande het begrip "oorzaak" niet meer voorkomt in de omschrijving, die Uw Hof geeft aan de opdracht van de rechter, is ze nog prominent aanwezig. Dit blijkt uit de passage "op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd". De regel dat hij de oorzaak niet mag wijzigen houdt bij een feitelijke invulling in dat hij enkel mag rekening houden met de feiten die door de partijen werden aangereikt(25).

Gemakkelijkheidshalve wordt in de verdere tekst nog steeds het begrip "oorzaak" gehanteerd zij het dat er een feitelijke invulling aan moet worden gegeven.

Het voorwerp van de vordering wordt in de doctrine omschreven als datgene wat men in rechte wenst te verkrijgen. Te weten het moreel, sociaal of economisch voordeel dat men aan de rechter vraagt om toe te kennen.

Het komt de rechter toe om de vordering te kwalificeren(26).

De aandacht moet evenwel gevestigd worden op het gegeven dat het voorwerp van wat men vraagt het gevolg is van de oorzaak van de vordering die door de partij wordt aangevoerd(27).

De benadeelde legt de oorzaak aan de rechter voor met het oog op het realiseren van processueel doel. Oorzaak en voorwerp zijn dan ook onwrikbaar met elkaar verbonden. Dit heeft soms tot gevolg dat de aard van het voorwerp rechtstreeks wordt bepaald door de oorzaak van de vordering.

Zodat, indien de oorzaak gewijzigd wordt, dit ook een wijziging van het voorwerp tot gevolg heeft en dit zelfs indien het in concreto bijvoorbeeld telkens zou gaan om de betaling van een geldsom(28). Hierdoor is het dan ook van primordiaal belang dat er overeenstemming is tussen de oorzaak en het voorwerp van de vordering.

Zij dienen beiden dan ook op elkaar aan te sluiten(29).

Dus, wanneer we het hebben over het voorwerp van de vordering dan kunnen we noodgedwongen niet anders dan ook het aspect oorzaak in ogenschouw nemen.

c. Toepassing.

Uit wat hoger als principe werd aangehaald onder de rubriek schade is het duidelijk dat de uiteindelijk geleden schade en de schade van de gemiste kans twee duidelijk onderscheiden schadeposten zijn, niettegenstaande het in de beide gevallen gaat om de betaling van een geldsom. Bij de gemiste kans gaat het om de economische waarde van de verloren kans. De schade wordt uitgedrukt in een percentage van de uiteindelijke schade, in functie van de waarschijnlijkheid dat zij in verband staat met de fout van verweerder(30).

Het is tevens duidelijk dat er in die omstandigheden ook sprake is van een ander causaal verband. Het causaal verband tussen de fout en de uiteindelijk geleden schade kan niet worden vastgesteld. Er is immers de mogelijkheid dat de schade zich tevens zou hebben voorgedaan zonder de fout van verweerder. Dus is er geen vast causaal verband tussen de fout van de verweerder en de uiteindelijke geleden schade(31). Bij de schade van de verloren kans wordt aangevoerd dat de fout van verweerder tot gevolg heeft gehad dat de benadeelde de reële kans verloren heeft om de uiteindelijk geleden schade te vermijden. Het causaal verband tussen deze schade en de fout staat vast(32).

De appelrechters stellen vast en beoordelen, niet bekritiseerd, dat:

- eisers van verweerder een schadeloosstelling eisen van de door hem als raadsman begane beroepsfout zodat het aan eisers toekomt om fout, schade en oorzakelijk verband aan te tonen;

- eisers niet bewijzen dat zonder de aan verweerder verweten fout hun vordering tegen de stad Tongeren zou worden toegekend;

- eisers geen vergoeding vorderen voor het verlies van een kans op het verkrijgen van een schadevergoeding.

Uit de niet bekritiseerde vaststellingen en oordelen van de appelrechters blijkt dat de vordering van eisers betrekking had, niet op de economische waarde van de verloren kans, maar wel op de werkelijk geleden schade.

Deze twee schadeposten zijn echter duidelijk onderscheiden en betreffen zodoende een duidelijk onderscheiden voorwerp.

Het onderdeel dat aanvoert dat de rechter bij de toekenning van de schade voor het verlies van een kans het voorwerp van de vordering niet wijzigt wanneer de uiteindelijke schade wordt gevorderd, faalt naar recht.

C. Tweede onderdeel.

Het tweede onderdeel mist feitelijke grondslag daar het uitgaat van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing.

De appelrechters verwerpen de vordering van eisers niet omdat door eisers geen schade wegens verlies van een kans wordt gevorderd. De vordering van eisers wordt verworpen omdat ze niet het bewijs leveren van het causaal verband tussen de aangevoerde fout en de gevorderde schade.

Conclusie: verwerping.
__________________
(1) H. Bocken, "Verlies van een kans", NJW, 2009, p.4.
(2) H. Bocken, o.c., p. 4.
(3) I. Boone en K. Ronsijn, "Vergoeding voor het verlies van een kans na het arrest Prizrak", VAV, 2015, p.5.
(4) H. Bocken, o.c., p. 4.
(5) H. Bocken, o.c., p. 4.
(6) H. Bocken, o.c., p. 10.
(7) Cass. 15 maart 2010, AR C.09.0433.N, AC 2010, nr. 182 en Cass. 15 mei 2015, AR C.14.0269.N, AC 2015, nr. 311.
(8) I.Boone en K. Ronsijn, o.c., p. 7 en H. Bocken, o.c., p. 8
(9) N. Estienne, "La perte d'une chance dans la jurisprudence récente de la Cour de cassation: la procession d'Echternach (deux pas en arrière, trois pas en avant...)", noot onder Cass. 15 maart 2010, RCJB, 2013, p. 622.
(10) Cass. 17 december 2009, AR C.09.0190.N, AC 2009, nr. 760; Cass. 23 oktober 2015, AR C. 14.0589.F, AC 2015, nr. 623 en N. Estienne, o.c., p.661 en 622.
(11) N. Estienne, o.c., p.622.
(12) Cass. 21 oktober 2013, AR C.13.0124.N, AC 2013, nr. 537.
(13) Cass. 26 juni 2008, AR C.07.0272.N, AC 2008, nr. 406 en I. Boone en K. Ronsijn, o.c., p. 5 en 7
(14) I. Boone en K. Ronsijn, o.c., p. 7.
(15) H. Bocken, o.c., p. 8.
(16) B. Maes, "De bepaling van het voorwerp van de vordering tijdens het burgerlijk geding", in De respectievelijk rol van rechter en partijen in het burgerlijk geding, Brussel, Bruylandt, 1999, p. 50.
(17) H. Bocken, o.c., p. 7.
(18) Ch. Van Reephingen, "Verslag over de gerechtelijke hervorming", Belgisch Staatblad, Brussel, 1964, Deel I, p. 266.
(19) Zo onder anderen Cass. 27 juni 2013, AR C.11.0508.F, AC 2013, nr. 399 en Cass. 14 januari 2008, AR S.07.0030.N, AC 2008, nr. 24.
(20) Cass. 22 januari 2016, AR C.15.0259.F, AC 2016, nr. 50; Cass. 22 januari 2015, AR C.13.0602.F, AC 2012, nr. 55 en 31 oktober 2013, AR C. 13.0005.N, AC 2013, nr. 571.
(21) Zie voor een uitgebreide studie over deze feitelijke invulling ter zake de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Henkes bij het arrest van Uw Hof van 28 mei 2008 in de zaak AR. C.06.0248.F.
(22) P. Thion, o.c., p. 728 en 731.
(23) P. Thion, o.c., p. 728 en Conclusie advocaat-generaal Henkes, o.c., randnummer 22 in fine.
(24) P. Thion, o.c., p. 731.
(25) Conclusie advocaat-generaal Henkes, o.c., randnummer 28 in fine.
(26) A. Fettweis, "Manuel de procédure civile", Liège, Fac. De Droit, 1987, p. 58; B. Allemeersch, "Taakverdeling in het burgerlijk proces", Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 258 en P. Thion, o.c., p. 732.
(27) P. Thion, "Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering". NJW, 2003, p. 733; B. Maes, o.c., p. 53 ,en B. Allemeersch, o.c., p. 227.
(28) B. Maes, o.c., p. 53.
(29) P. Thion, o.c., p. 733 en 734.
(30) H. Bocken, o.c., p. 5 en I. Boone en K. Ronsijn, o.c., p. 5 en 8.
(31) H. Bocken, o.c., p. 5.
(32) I. Boone en K. Ronsijn, o.c., p. 5.
 

Noot: 

Maes, B. en Vannecke, L., « Schadevergoeding vorderen kan leiden tot de toekenning van een vergoeding voor het ambtshalve ingeroepen verlies van een kans zonder wijziging van het voorwerp van de vordering », R.A.B.G., 2018/5, p. 356-359

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 14:51
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.