-A +A

Vordering tot ontbinding NV wegens ontoereikend netto-actief op vordering openbaar ministerie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 17/10/2014
A.R.: 
C.13.0604.N

Het openbaar ministerie kan een vordering tot ontbinding van een vennootschap instellen op grond van de artikelen 138bis, §1, van het Gerechtelijk Wetboek en 634 van het Wetboek van Vennootschappen; het openbaar ministerie streeft in dit geval geen gelijk na, maar de vrijwaring van de belangen van de maatschappij en van de economische openbare orde.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
690
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Openbaar Ministerie / G.V. - Rolnr.: C.13.0604.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 september 2013.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 17 juni 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Tweede onderdeel
1. Krachtens artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Krachtens artikel 138bis, § 1 Gerechtelijk Wetboek komt het Openbaar Ministerie in burgerlijke zaken tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.

3. Krachtens artikel 634 Wetboek van Vennootschappen kan, wanneer het netto-actief gedaald is tot beneden 61.500 EUR, iedere belanghebbende de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank vorderen. In voorkomend geval kan de rechtbank aan de vennootschap een termijn toestaan om haar toestand te regulariseren.

Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever beoogde dat onder de term “elke belanghebbende” ook het Openbaar Ministerie is begrepen. Bovendien vergt de openbare orde de tussenkomst van het Openbaar Ministerie wanneer het netto-actief van een vennootschap daalt onder het wettelijk minimumvermogen, aangezien een dergelijke toestand het handelsverkeer ernstig kan aantasten.

Het Openbaar Ministerie kan aldus een vordering tot ontbinding van een vennootschap instellen op grond van de artikelen 138bis, § 1 Gerechtelijk Wetboek en 634 Wetboek van Vennootschappen.

4. Het Openbaar Ministerie streeft in dat geval geen gelijk na, maar de vrijwaring van de belangen van de maatschappij en van de economische openbare orde.

5. Het openbaar ministerie dat in het algemene belang optreedt krachtens artikel 634 Wetboek van Vennootschappen is aldus onderworpen aan een bijzondere regeling die onverenigbaar is met de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtskosten die deze kosten volledig ten laste leggen van de in het ongelijk gestelde partij.

6. De appelrechter die de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtskosten toepast en op grond hiervan oordeelt dat de kosten van de procedure ten laste moeten worden gelegd van de procureur des Konings wiens vordering tot ontbinding van een vennootschap krachtens artikel 634 Wetboek van Vennootschappen werd afgewezen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

C.13.0604.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan dagvaardde de Procureur des Konings te Leuven bij deurwaardersexploot van 14 maart 2012 de N.V. EYETRONICS in ontbinding wegens ontoereikend netto-actief, zulks bij toepassing van de artikelen 633 en 634 van het Wetboek van Vennootschappen.

2. De rechtbank van koophandel te Leuven verklaarde bij vonnis van 17 april 2012 de vordering ongegrond en veroordeelde de Procureur des Konings te Leuven tot de kosten, voor de vennootschap begroot op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

3. Bij verzoekschrift, neergelegd op 22 mei 2012 ter griffie van het hof van beroep te Brussel, stelde eiser tegen dit vonnis hoger beroep in en vroeg hij het hof van beroep "het vonnis van de Rechtbank van Koophandel van 17 april 2012 teniet te doen en te zeggen voor recht dat de initiële vordering van appellant tot ontbinding van geïntimeerde ontvankelijk en weliswaar ongegrond is, doch evenwel zonder dat appellant veroordeeld wordt tot de kosten van het geding". Eiser stelde dus tegen het beroepen vonnis hoger beroep in, in zoverre hij werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

4. Op 17 juli 2012 werd de vennootschap op bekentenis in staat van faillissement verklaard.

5. Bij arrest van 9 september 2013 verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ontvankelijk, doch ongegrond, bevestigde het het beroepen vonnis, veroordeelde het het Openbaar Ministerie in de kosten van de beroepsprocedure en stelde het deze kosten vast op 0 euro in hoofde van het Openbaar Ministerie en op 0 euro in hoofde van mr. Verschuren q.q.

6. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure.

Bespreking van het eerste onderdeel van het enig cassatiemiddel

7. In het eerste onderdeel voert eiser een motiveringsgebrek aan omdat het hof van beroep niet heeft geantwoord op zijn verweer waarin hij op uitvoerige wijze de redenen uiteenzette waarom het Openbaar Ministerie, dat voor de rechtbank van koophandel was opgetreden in het algemeen belang bij toepassing van artikel 138bis, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek, niet kon worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de vennootschap, waarvan het de ontbinding had nagestreefd.

Minstens laat de overweging van het hof van beroep dienaangaande volgens eiser het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, nu zij in het ongewisse laat waarom de door eiser aangevoerde middelen en argumenten inzake de on(grond)wettigheid van de veroordeling van het Openbaar Ministerie tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding niet ter zake dienend zijn dan wel niet opwegen tegen hetgeen het hof van beroep heeft overwogen.

8. Eiser heeft in zijn syntheseconclusies het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie dat in onderhavige burgerlijke rechtspleging voor de rechtbank van koophandel optreedt krachtens artikel 138bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, dit doet in het algemeen belang en geenszins kan worden beschouwd als een partij die een "gelijk" nastreeft zoals bedoeld in artikel 1017 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, en derhalve niet kan veroordeeld worden in de kosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding.

9. Het arrest heeft dit verweer naar mijn mening niet beantwoord.

10. Minstens maakt het gebruik door de appelrechter van de loutere stijlformule dat "alle overige door het Openbaar Ministerie ingeroepen feitelijke elementen, argumenten en middelen niet ter zake dienend (zijn) en in ieder geval niet (opwegen) tegen hetgeen hiervoor door het hof werd overwogen", zonder enige motivering op dit punt, de wettigheidscontrole van Uw Hof onmogelijk.

11. Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

De overige grieven

12. De overige grieven lijken mij niet tot ruimere cassatie te kunnen leiden en derhalve geen antwoord te behoeven.

13. Conclusie: verwerping
 

Noot: 

• D. Van Gerven, Handboek Vennootschappen, Gent, Larcier, 2016, 866;

• R. Tas, Winstuitkering, kapitaalvermindering en -verlies in NV en BVBA, Antwerpen (Kalmthout), Biblo, 610-623.

• Y. De Cordt, “Dissolution des sociétés pour pertes prononcées du capital social”, RDC 2012, 62;

• J. T'kint, Les modifications apportées au droit des sociétés anonymes par la loi du 5 décembre 1984 (et par la loi du 21 février 1985), Bruxelles, Larcier, 1985, p. 154;

• W. Derijcke, “L'article 104 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales ou 'ce n'est pas un de mes amis; je n'ai donc pas de raison d'en dire du mal'”, RPS 1998, p. 463;

• B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Antwerpen (Kalmthout), Biblo, 1997, p. 234, n° 440.

• M. Wathelet, “Principe de proportionnalité: utilisation disproportionnée?”, JT 2007, 315.

• Bauwens, K., « Ontoereikend netto-actief, wie kan de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap vorderen? », R.A.B.G., 2017/8, p. 687-690

• Revue pratique des sociétés [RPS] CULOT, Henri; Observations 'Qui croit encore au capital?' 2014, n° 3, p. 409-429.

• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Dissolution judiciaire de sociétés pour insuffisance d'actif net' 2015, n° 549, p. 11.

• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] AYDOGDU, Roman; Observations 'L'abus du droit d'agir en dissolution pour perte du capital social' 2016, n° 6, p. 250-257.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 12:19
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 12:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.