-A +A

Vordering tot ontbinding NV wegens ontoereikend netto-actief

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 02/04/2015
A.R.: 
C.14.0281.F

Zelfs wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 634, eerste zin, van het Wetboek van Vennootschappen, moet degene die op grond van die wetsbepaling de ontbinding van een naamloze vennootschap vordert wegens verlies van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek belang hebben bij het instellen van een dergelijke vordering en mag zijn vordering geen rechtsmisbruik opleveren; er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs als het bedoelde recht van openbare orde of van dwingend recht is.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
679
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.T. & B. nv / C.T.S. NV - Rolnr.: C.14.0281.F)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 februari 2014.

Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft op 13 februari 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd op de griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen, gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 2001;
algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik mag maken van zijn recht.
Aangevochten beslissingen
Het arrest beslist dat de eiseres artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen onrechtmatig aanwendt en dat zij geen gewettigd belang heeft, en verklaart haar rechtsvordering derhalve onontvankelijk om de volgende redenen:

“De eerste rechters hebben om oordeelkundige redenen, die het hof [van beroep] overneemt en die door de middelen die [de eiseres] in hoger beroep aanvoert geenszins ontkracht worden, haar vordering tot ontbinding van [de verweerster] verworpen. De eerste rechter heeft de vordering tot ontbinding van de verweerster verworpen op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen, om de volgende redenen:

'Nu al volgt uit de uitleg van [de verweerster] op de zitting dat haar huidige, moeilijke toestand te wijten is aan het laatste boekjaar, dat op een bijzonder negatieve wijze werd beïnvloed door de opzegging, zonder vooropzeg, van de contractuele betrekkingen, met de daaruit voortvloeiende lasten en aan de nieuwe investeringen die zij zich heeft moeten getroosten om het voortbestaan van de onderneming te verzekeren, waarbij [de verweerster] beklemtoont dat haar aandeelhouders, tijdens het laatste boekjaar, een aanzienlijke inspanning hebben gedaan door haar een uiterst belangrijk voorschot van 700.000 EUR toe te kennen, wat aantoont dat zij haar voortbestaan willen verzekeren.

Die uitleg toont aan dat de vordering van Man AG en van [de eiseres] veeleer is ingegeven door een weigering om het geschil aan te gaan dan door de angst voor de insolvabiliteit van [de verweerster].'

Artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat 'wanneer het netto-actief gedaald is tot beneden 61.500 EUR, iedere belanghebbende de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank kan vorderen. In voorkomend geval kan de rechtbank aan de vennootschap een termijn toestaan om haar toestand te regulariseren'.

Noch de parlementaire voorbereiding vóór de invoering van die bepaling in de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (Gedr.St. Kamer 1981-82, nr. 210; Gedr.St. Senaat 1982-83, nr. 390/2), noch de artikelen 104, 140 en 158bis van die wetten, noch de artikelen 333, 432 en 634 van het Wetboek van Vennootschappen hebben omschreven wie de 'belanghebbenden' zijn die deze vordering tot ontbinding kunnen instellen.

Rechtspraak en rechtsleer, die zich hiervoor baseren op voorbeelden die werden gegeven tijdens de parlementaire voorbereiding (Gedr.St. Kamer 1981-82, nr. 210/9, p. 66-68), kennen de hoedanigheid van belanghebbende derde toe aan het Openbaar Ministerie, aan een aandeelhouder (zelfs met een minderheidsparticipatie), aan een schuldeiser (voor zover hij aantoont dat hij een werkelijk belang heeft en zich niet enkel op zijn hoedanigheid van schuldeiser beroept, wat het geval zal zijn indien hij redelijkerwijs kan vrezen dat zijn schuldvordering niet zal worden terugbetaald) en zelfs aan een concurrent die een tegenstander wenst uit te schakelen (met name omdat hij de spelregels niet naleeft) (Y. De Cordt, “Dissolution des sociétés pour pertes prononcées du capital social”, RDC 2012, 62 met verwijzingen; B. Deboeck, “La notion d''intéressé' au sens des articles 140 et 158bis des lois coordonnées sur les sociétés commerciales”, RDC 1999, 54-55).

Een belanghebbende derde is iemand die belang heeft bij het instellen van die rechtsvordering (J. 'T Kint, Les modifications apportées au droit des sociétés anonymes par la loi du 5 décembre 1984 (et non par la loi du 21 février 1985), Brussel, Larcier, 1985, nr. 282, p. 153).

Het bedoelde belang is het belang om in rechte op te treden, in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Het wijst op 'ieder stoffelijk of zedelijk voordeel - effectief, maar niet theoretisch - dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik waarop hij ze aanhangig maakt, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komt vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis' (verslag Van Reepinghen, Gedr.St. Senaat 1963-64, nr. 60, p. 23).

Dat belang dient niet enkel concreet maar ook gewettigd te zijn (zie met name: G. de Leval, Droit judiciaire privé. La procédure, ULg, 2009-2010, p. 7; Cass. 17 oktober 1986, Arr.Cass. 1986-87, nr. 98; Cass. 19 september 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 319; Cass. 2 april 1998, Arr.Cass. nr. 188 en RGDC 1999, 251; Cass. 6 juni 2008, Arr.Cass., nr. 351).

De eiser moet beschikken over 'un intérêt légitime à obtenir une mesure nécessaire et proportionnée' (Y. De Cordt, o.c., p. 62).

Het recht om in rechte op te treden kan immers worden misbruikt. 'De rechter kan, in geval van procesmisbruik, de uitoefening van de rechtsvordering beperken; dit is met name het geval indien het rechtssubject zijn rechtsvordering uitoefent of verder uitoefent zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat' (Cass. 17 oktober 2008, C.07.0214.N; W. Derijcke, “L'article 104 des lois coordonnées sur les sociétés ou 'ce n'est pas un de mes amis; je n'ai donc pas de raison d'en dire du mal'”, RPS 1998, 464).

Het doel bestaat in het voorkomen van 'le détournement abusif d'une norme juridique ou d'un droit' (M. Wathelet, “Principe de proportionnalité: utilisation disproportionnée?”, JT 2007, 315).

Dus: 'il ne suffit pas d'invoquer la lésion d'un simple intérêt d'ordre économique pour obtenir gain de cause devant les tribunaux. En général, ce jugement de valeur sur le recours fait à la justice est effectué au regard de considérations morales. Ainsi, la demande peut être jugée irrecevable en raison de la turpitude du demandeur, du blâme dont sa prétention fait l'objet' (C. De Boe, “Le défaut d'intérêt né et actuel”, Ann.dr.Louvain, vol. 66, 2006, nr. 1-2, punt 20 en noot 89, p. 112 en 113). Zo zal de vordering tot nietigverklaring van een onregelmatig opgerichte vennootschap verworpen worden indien die vordering werd ingesteld door een handelaar die in die nietigverklaring een manier vindt om een concurrent uit te schakelen. Hij is niet gerechtigd de nietigverklaring van die vennootschap te vorderen door zich enkel te beroepen op de schade die hij lijdt; wellicht heeft hij wel belang bij, omdat hij op die manier een gevaarlijke concurrent van de markt kan halen; desalniettemin zal zijn vordering, als die enkel daarop gegrond is, beslist falen (…) (zie H. Solus en R. Perrot, Droit judiciaire privé, Dl. I, Paris, Sirey, 1961, nr. 228, p. 202; P. Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé, tome préliminaire, Introduction générale, vol. I, Brussel, Bruylant, 1979, nr. 104, p. 133).

Aangezien het belang van de eiser slechts gewettigd kan zijn indien hij geen misbruik maakt van zijn belang om in rechte op te treden en aangezien 'l'abus de droit sanctionne un comportement abusif - c'est-à-dire non proportionné' (M. Wathelet, o.c.), moet de vordering van [de eiseres] onderzocht worden op haar evenredigheid, om na te gaan in welke mate zij een gewettigd belang heeft om de ontbinding van [de verweerster] te vorderen.

De vordering van [de eiseres] hoeft niet onderworpen te worden aan de drievoudige toetsing die voortvloeit uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel (toetsing van het nut, van de noodzakelijkheid en van de eigenlijke evenredigheid), aangezien het duidelijk is dat de voordelen die zij zou kunnen halen uit de vereffening van [de verweerster] geenszins te vergelijken zijn met de ongemakken die laatstgenoemde hierdoor zou moeten ondergaan.

[De eiseres] heeft nogal lef wanneer ze zegt zich op de insolvabiliteit van [de verweerster] te beroepen om haar ontbinding te vorderen.

[De verweerster] wijst er terecht op dat '[de eiseres] thans de vereffening vordert van een vennootschap wier financiële moeilijkheden ze zelf in de hand heeft gewerkt'.

Uit de voorafgaande rechtspleging blijkt dat [de eiseres] niet wenst dat het scheidsgerecht haar geschil met [de verweerster] beslecht, hoewel zij voor die instantie nochtans aanvoert dat zij een schuldvordering van 474.142,60 EUR op [de verweerster] heeft.

Op gevaar af van de beslissing van de eerste rechters te parafraseren, blijkt uit het verloop van de procedures voor het scheidsgerecht en voor de rechtbank van koophandel duidelijk dat [de eiseres] met deze rechtsvordering enkel en alleen een strategisch doel nastreeft. De bedoeling is [de verweerster] te dwingen haar eisen terug te schroeven, zo mogelijk in het kader van haar vereffening, of zelfs te beletten dat zij haar rechten kan doen gelden.

Zodoende wendt [de eiseres] artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen onrechtmatig aan.

Haar belang is onwettig en haar rechtsvordering is bijgevolg niet ontvankelijk.”

Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt: “Wanneer het netto-actief gedaald is tot beneden 61.500 EUR, kan iedere belanghebbende de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank vorderen. In voorkomend geval kan de rechtbank aan de vennootschap een termijn toestaan om haar toestand te regulariseren.”

Artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen en het sanctiemechanisme dat het invoert, beklemtonen hoe belangrijk het minimumkapitaal is waarover handelsvennootschappen binnen onze rechtsorde moeten beschikken.

Het kapitaal is in twee opzichten belangrijk: enerzijds bepaalt het mee de rechten van de vennoten binnen de vennootschappen (recht op dividenden, aantal stemmen binnen de organen van de vennootschap, recht op terugbetaling in geval van een vereffeningssaldo); anderzijds biedt het kapitaal de schuldeisers van de vennootschap een minimumgarantie.

Hieruit volgt dat het kapitaal van een vennootschap een bestanddeel is van de Belgische economische openbare orde, in zoverre de openbare orde verstoord wordt wanneer zij geconfronteerd wordt met een vennootschap waarvan het netto-actief gedaald is tot onder het minimumbedrag dat bij de oprichting van de vennootschap volgestort moet zijn.

Het karakter van openbare orde van de door artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen opgelegde verplichting kent aldus dat statuut toe aan het kapitaal van de vennootschap, op zijn minst tot beloop van het minimumbedrag dat bij de oprichting van de vennootschap volgestort moet zijn. Binnen het kapitaal van de vennootschap moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen het gedeelte dat van openbare orde is en het gedeelte dat het niet is.

Wanneer artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen wordt aangevoerd voor de rechter, mag hij bijgevolg enkel nagaan of de toepassingsvoorwaarden van dat artikel zijn vervuld.

Wanneer het netto-actief gedaald is tot beneden 61.500 EUR, is de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank bijgevolg beperkt tot de keuze tussen de ontbinding van de vennootschap of de toekenning aan die vennootschap van een regularisatietermijn.

Het feit dat het kapitaal van een vennootschap van openbare orde is, heeft onder meer tot gevolg dat het Openbaar Ministerie, net als elke belanghebbende, de miskenning van dat karakter - zelfs voor het eerst voor het Hof - kan aanvoeren.

Het feit dat het kapitaal van een vennootschap van openbare orde is, heeft ook tot gevolg dat degene die een rechtsvordering tot ontbinding instelt op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen, niet het bestaan van rechtstreekse dan wel onrechtstreekse schade hoeft aan te tonen.

Artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen nodigt zodoende eenieder uit die in contact staat met een handelsvennootschap met een kapitaal dat gedaald is tot onder het minimumkapitaal, die toestand aan te klagen bij de rechtbanken die, zodra de wettelijke voorwaarden zijn vervuld, enkel de ontbinding ervan kunnen uitspreken dan wel haar een regularisatieperiode kunnen toekennen en aldus de economische wereld zuiveren van vennootschappen met een ontoereikend kapitaal, zonder dat het bestaan van gelijk welke andere schade bewezen dient te worden.

De rechter mag bijgevolg niet beoordelen of de rechtsvordering die een schuldeiser instelt op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen, wettig is dan wel rechtsmisbruik oplevert, in zoverre vaststaat dat die rechtsvordering van openbare orde is.

In het kader van een dergelijke regularisatie van het economische leven kan de rechter een rechtsvordering die tot een dergelijke sanering strekt niet onontvankelijk verklaren bij gebrek aan belang omdat zij rechtsmisbruik zou opleveren, aangezien de wetgever net heeft gewild dat de vennootschap met een te laag kapitaal ontbonden zou worden, zonder dat degenen die de rechtsvordering tot ontbinding instellen enige schade hoeven aan te tonen.

Indien, daarenboven, de rechtsvordering die ingesteld wordt op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen afhankelijk wordt gemaakt van de voorwaarde dat er schade moet worden aangetoond, dan zou die wetsbepaling geen enkele bestaansreden meer hebben, inzonderheid indien vereist wordt dat er geen wanverhouding mag bestaan tussen, enerzijds, het belang van de rechtsvordering en, anderzijds, het nadeel dat zij anderen berokkent. Immers, het ontbreken van schade zou in de meeste gevallen, zo niet altijd, van de ontbinding van de vennootschap een overdreven maatregel maken.

Het arrest vermeldt dat het belang van de belanghebbende derde “niet enkel concreet maar ook gewettigd dient te zijn” en dat “het doel erin bestaat te voorkomen dat een rechtsnorm of een recht bedrieglijk en oneigenlijk wordt aangewend”. Het arrest legt voorts uit dat “het bijgevolg niet voldoende is de benadeling van een louter economisch belang aan te voeren om voor de rechtbanken in het gelijk te worden gesteld”, dat “dit waardeoordeel over het feit dat er op de rechter een beroep wordt gedaan, doorgaans is ingegeven door morele overwegingen” en dat “de vordering zodoende onontvankelijk kan worden verklaard wegens de schaamteloosheid van de eiser, omdat zijn eis afkeuring verdient”.

Het arrest past die beginselen vervolgens op deze zaak toe in de volgende bewoordingen: “aangezien de eiser slechts een gewettigd belang kan hebben indien hij geen misbruik maakt van zijn belang om in rechte op te treden en het rechtsmisbruik elk abusief, d.w.z. onevenredig, gedrag, bestraft, moet de vordering van [de eiseres] onderzocht worden op haar evenredigheid, om na te gaan in welke mate zij een gewettigd belang heeft om de ontbinding van [de verweerster] te vorderen”.

Het arrest beslist dus dat “de vordering van [de eiseres] niet onderworpen hoeft te worden aan de drievoudige toetsing die voortvloeit uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel (toetsing van het nut, van de noodzakelijkheid en van de eigenlijke evenredigheid), aangezien het duidelijk is dat de voordelen die zij zou kunnen halen uit de vereffening van [de verweerster] geenszins te vergelijken zijn met de ongemakken die laatstgenoemde hierdoor zou moeten ondergaan”.

Het besluit dat de eiseres “artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen onrechtmatig aanwendt”, dat “zij geen gewettigd belang heeft”, en dat “haar rechtsvordering derhalve onontvankelijk is”.

Het arrest, dat het gewettigd en bedrieglijk karakter van de rechtsvordering van de schuldeiser beoordeelt, terwijl artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen van openbare orde is en het door de wetgever gewenste resultaat tracht te bereiken, dat niet door rechtsmisbruik geneutraliseerd kan worden, schendt artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen en miskent het algemene rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik mag maken van zijn recht.

Tweede onderdeel
Indien aangenomen wordt dat de rechter mag beoordelen of de rechtsvordering die de schuldeiser instelt op grond van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen gewettigd is dan wel rechtsmisbruik oplevert, kan het ruimste criterium om het rechtsmisbruik te beoordelen, te weten dat van de wanverhouding tussen, enerzijds, het voordeel dat de uitoefening van een recht inhoudt en, anderzijds, het nadeel dat anderen hierdoor ondervinden, niet worden aangevoerd in het kader van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen, aangezien de wetgever net gewild heeft dat vennootschappen die aan de toepassingsvoorwaarden van dat artikel voldoen, uit het economische leven verwijderd zouden worden of dat ze hun toestand zouden regulariseren binnen de door de rechter opgelegde termijn.

Welnu, het gebruik van dat criterium van rechtsmisbruik heeft tot gevolg dat artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen geen bestaansreden of inhoud meer zou hebben, aangezien de ontbinding van de vennootschap in de meeste gevallen, zo niet altijd, buiten verhouding staat tot het voordeel dat de schuldeiser nastreeft.

Daarenboven kan - evenmin - toepassing worden gemaakt van het criterium volgens hetwelk een persoon zijn recht voor andere doelen aanwendt dan dat waartoe de wet het bestemt, gelet op het doel en de teleologie van artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen.

Het enige criterium van rechtsmisbruik dat in aanmerking kan komen, te weten het gebruik van het recht met het enige oogmerk om te schaden, werd door het arrest zelf verworpen, op grond dat “[de eiseres] met deze rechtsvordering enkel en alleen een strategisch doel nastreeft”, en het arrest zodoende vaststelt dat de eiseres een ander doel nastreefde dan het oogmerk om te schaden.

Het arrest, dat beslist dat, “aangezien de eiser slechts een gewettigd belang kan hebben indien hij geen misbruik maakt van zijn belang om in rechte op te treden en het rechtsmisbruik elk abusief, d.w.z. onevenredig, gedrag, bestraft, de vordering van [de eiseres] onderzocht moet worden op haar evenredigheid, om na te gaan in welke mate zij een gewettigd belang heeft om de ontbinding van [de verweerster] te vorderen” en dat “de vordering van [de eiseres] niet onderworpen hoeft te worden aan de drievoudige toetsing die voortvloeit uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel (toetsing van het nut, van de noodzakelijkheid en van de eigenlijke evenredigheid), aangezien het duidelijk is dat de voordelen die zij zou kunnen halen uit de vereffening van [de verweerster] geenszins te vergelijken zijn met de ongemakken die laatstgenoemde hierdoor zou moeten ondergaan”, en daaruit concludeert dat de eiseres “artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen onrechtmatig aanwendt”, terwijl artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen van openbare orde is en het door de wetgever gewenste resultaat tracht te bereiken, dat niet geneutraliseerd kan worden door een rechtsmisbruik dat zou bestaan in het verkrijgen van een voordeel dat niet in verhouding staat tot de schade die door de uitoefening van dat recht wordt berokkend of in het gebruik van dat recht voor andere doelen dan dat waartoe de wet het bestemt, miskent zodoende het algemene rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik mag maken van zijn recht en schendt daarenboven artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste onderdeel
Artikel 634, eerste zin Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat, wanneer het netto-actief van een naamloze vennootschap gedaald is tot beneden 61.500 EUR, iedere belanghebbende de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank kan vorderen.

Wie de ontbinding van een vennootschap vordert op grond van die wetsbepaling moet, overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, een belang hebben om een dergelijke vordering in te stellen en zijn vordering mag geen rechtsmisbruik opleveren.

Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs als het bedoelde recht van openbare orde of van dwingend recht is.

Het onderdeel, dat aanvoert dat, aangezien het voormelde artikel 634 van openbare orde is, de rechter niet kan beoordelen of de rechtsvordering die een schuldeiser op grond van die wetsbepaling instelt wettig is dan wel rechtsmisbruik oplevert, faalt naar recht.

Tweede onderdeel
Het arrest overweegt, met aanneming van de redenen van de eerste rechter, dat de rechtsvordering “past binnen de ruimere context van het geschil tussen de partijen dat niet werd - en tijdelijk ook niet kan worden - beslecht, omdat [de eiseres] het arbitragebeding in de overeenkomsten die zij aan [de verweerster] heeft voorgelegd en die laatstgenoemde heeft aanvaard, niet te goeder trouw heeft uitgevoerd”, dat de eiseres “geen schuldeiser van [de verweerster] is - zij beschikt op zijn minst over geen enkele zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering of over enige titel - aangezien zij weigert haar aanspraken te doen vaststellen door het scheidsgerecht, waarop de partijen, in onderlinge overeenstemming, een beroep hebben gedaan”, dat de eiseres “geen concurrente is van [de verweerster], die haar activiteit niet meer kan ontwikkelen sinds de brutale stopzetting in 2010” en dat “de rechtsvordering zodoende, in werkelijkheid, alleen tot doel heeft de positie van [de verweerster] in de arbitrage te wijzigen: het is duidelijk dat [de eiseres] hoopt dat het eventuele optreden van een vereffenaar ervoor zou zorgen dat laatstgenoemde de aanspraken van [de verweerster] naar beneden zou herzien - wat hij, gelet op de Debelux-regeling, niet zou kunnen doen zonder aansprakelijk te worden gesteld”.

Het arrest overweegt ook, op eigen gronden, dat “[de eiseres] thans de vereffening vordert van een vennootschap wier financiële moeilijkheden ze zelf in de hand heeft gewerkt”, dat “uit de voorafgaande rechtspleging blijkt dat [de eiseres] niet wenst dat het scheidsgerecht haar geschil met [de verweerster] beslecht, hoewel zij voor die instantie nochtans aanvoert dat zij een schuldvordering van 474.142,60 EUR op [de verweerster] heeft” en dat “uit het verloop van de procedures voor het scheidsgerecht en voor de rechtbank van koophandel duidelijk blijkt dat [de eiseres] met deze rechtsvordering enkel en alleen een strategisch doel nastreeft. De bedoeling is [de verweerster] te dwingen haar eisen terug te schroeven, zo mogelijk in het kader van haar vereffening, of zelfs te beletten dat zij haar rechten kan doen gelden”.

Het arrest dat, op grond van die vermeldingen, overweegt dat “[de eiseres] artikel 634 van het Wetboek van Vennootschappen onrechtmatig aanwendt”, verantwoordt zijn beslissing om de vordering van de eiseres te verwerpen wegens rechtsmisbruik naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Noot: 

• D. Van Gerven, Handboek Vennootschappen, Gent, Larcier, 2016, 866;

• R. Tas, Winstuitkering, kapitaalvermindering en -verlies in NV en BVBA, Antwerpen (Kalmthout), Biblo, 610-623.

• Y. De Cordt, “Dissolution des sociétés pour pertes prononcées du capital social”, RDC 2012, 62;

• J. T'kint, Les modifications apportées au droit des sociétés anonymes par la loi du 5 décembre 1984 (et par la loi du 21 février 1985), Bruxelles, Larcier, 1985, p. 154;

• W. Derijcke, “L'article 104 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales ou 'ce n'est pas un de mes amis; je n'ai donc pas de raison d'en dire du mal'”, RPS 1998, p. 463;

• B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Antwerpen (Kalmthout), Biblo, 1997, p. 234, n° 440.

• M. Wathelet, “Principe de proportionnalité: utilisation disproportionnée?”, JT 2007, 315.

• Bauwens, K., « Ontoereikend netto-actief, wie kan de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap vorderen? », R.A.B.G., 2017/8, p. 687-690

• Revue pratique des sociétés [RPS] CULOT, Henri; Observations 'Qui croit encore au capital?' 2014, n° 3, p. 409-429.

• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Dissolution judiciaire de sociétés pour insuffisance d'actif net' 2015, n° 549, p. 11.

• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] AYDOGDU, Roman; Observations 'L'abus du droit d'agir en dissolution pour perte du capital social' 2016, n° 6, p. 250-257.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 11:14
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 11:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.