-A +A

Vordering tot huurontbinding als rechtsgeldige weigering op de vraag tot hernieuwing van de hanelshuur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 10/06/2016
A.R.: 
C.14.0565.F

Wanneer, na de regelmatige uitoefening door de huurder van zijn recht op huurhernieuwing, de verhuurder een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst binnen de termijn die hem bij wet is opgelegd om zijn met redenen omklede weigering van huurhernieuwing ter kennis te brengen, bij de rechter aanhangig maakt wegens tekortkomingen van de huurder aan de huurverplichtingen, geldt die vordering ook als een met redenen omklede weigering van huurhernieuwing

De verplichting van de huurder, die betwist dat de verhuurder gerechtigd is tekortkomingen aan de huurverplichtingen aan te voeren, om zich, op straffe van verval, binnen de wettelijke termijn tot de rechter te wenden, heeft derhalve geen bestaansreden meer.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0565.F

SOCIÉTÉ COMMERCIALE DE BRASSERIE nv,



tegen

INBEV BELGIUM nv,



in aanwezigheid van

1. SARVA cvba,

2. A. V.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Hoei van 27 juni 2012, op verwijzing van het arrest van het Hof van 14 mei 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 14, eerste lid, en 16, I, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuur, ingevoegd in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling IIbis, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart de door de verweerster bij dagvaarding van 27 juli 2006 ingestelde aanvraag tot hernieuwing van haar handelshuur ontvankelijk om de volgende redenen:

"[De eiseres], die ervan uitgaat dat haar dagvaarding tot beëindiging van 22 mei 2006 als weigering van hernieuwing geldt, voert aan dat de aanvragen [van de verweerster] niet zijn ingediend binnen de op straffe van verval bepaalde termijn van dertig dagen.

[...] In voorliggend geval heeft de verhuurder slechts één wil, namelijk de huur beëindigen, en daartoe kan hij twee rechtsmiddelen aanwenden: de beëindiging van de huurovereenkomst en de weigering van huurhernieuwing.

De wet verbiedt de verhuurder geenszins om die twee rechtsmiddelen samen aan te wenden en aangezien de vordering tot beëindiging geen opschortende werking op de procedure tot hernieuwing heeft, is de verhuurder enkel zeker dat hij zijn doelstelling zal bereiken als hij zijn weigering kenbaar maakt tijdens de procedure tot hernieuwing (ingeval zijn vordering tot beëindiging verworpen wordt, zou hem immers verweten kunnen worden dat hij de termijnen van de procedure tot hernieuwing niet heeft nageleefd).

Een doelstelling en twee rechtsmiddelen (de beëindiging en de weigering) die elk op een bijzondere wijze ten uitvoer moeten worden gebracht. Niets verbiedt de verhuurder weliswaar om de twee rechtsmiddelen bij een zelfde deurwaardersexploot aan te wenden, aangezien beide rechtsmiddelen in dezelfde vorm, namelijk het deurwaardersexploot, kunnen worden ingesteld. Toch is dat in voorliggend geval niet gebeurd, want de dagvaarding tot beëindiging van 22 mei 2006 verwijst nergens naar de aanvraag tot huurhernieuwing van 2 mei 2006 of naar een weigering van huurhernieuwing.

In dit geval heeft de verhuurder het tweede rechtsmiddel (de weigering) dus pas aangewend door zijn brief van 29 juni 2009 [lees: 2006]. De dagvaarding [van de verweerster] van 27 juli 2006 is derhalve binnen de wettelijke termijn ter kennis gebracht. Dezelfde motivering geldt ook voor de rechtsvordering [van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen]. De aanvraag is ontvanke-lijk".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

De verhuurder die de overeenkomstig artikel 14 van de Handelshuurswet gedane aanvraag tot hernieuwing verwerpt, kan de hernieuwing weigeren op grond van de redenen die vermeld worden in artikel 16 van de wet.

Die met redenen omklede weigering moet in dezelfde vormen ter kennis worden gebracht als de uitoefening van het recht op hernieuwing, namelijk bij aangetekende brief of deurwaardersexploot.

De Handelshuurwet onderwerpt de weigering van hernieuwing aan geen enkele andere voorwaarde en schrijft met name geen verplichte opgave van bepaalde vermeldingen voor.

Zoals het bestreden vonnis vaststelt, "bracht [de eiseres] een dagvaarding tot beëindiging van de huurovereenkomst uit, om de volgende redenen: 1. het verzuim om de lokalen te onderhouden en 2. de niet-uitvoering van de in de huurovereen-komst overeengekomen werkzaamheden".

Het bestreden vonnis, dat stelt dat die dagvaarding tot beëindiging van de huurovereenkomst niet als kennisgeving van een weigering van hernieuwing kan gelden, alleen op grond dat ze nergens verwijst naar de aanvraag tot hernieuwing of naar een weigering van hernieuwing, voegt zodoende aan de artikelen 14, eerste lid, en 16, I, van de Handelshuurwet een voorwaarde toe die daarin niet voorkomt en is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 14, eerste lid, en 16, I, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuur, ingevoegd in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling IIbis, van het Burgerlijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet moet de huurder die het recht op hernieuwing wenst uit te oefenen, zulks op straffe van verval bij deurwaardersex-ploot of bij aangetekende brief ter kennis van de verhuurder brengen en moet de kennisgeving op straffe van nietigheid de vermelding bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieuwing van de huur in te stemmen, indien hij niet binnen drie maanden kennis geeft van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing.

Overeenkomstig artikel 16, I, 4°, eerste en derde lid, van die wet kan de verhuur-der de hernieuwing van de huur weigeren op grond van alle grove tekortkomingen van de huurder aan de verplichtingen die voor hem uit de lopende huur voort-vloeien en, indien de huurder betwist dat de verhuurder gerechtigd is die redenen aan te voeren, wendt hij zich tot de rechter binnen dertig dagen na het antwoord van de verhuurder, op straffe van verval.

Wanneer, na de regelmatige uitoefening door de huurder van zijn recht op her-nieuwing, de verhuurder een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst binnen de termijn die hem bij wet is opgelegd om zijn met redenen omklede wei-gering van huurhernieuwing ter kennis te brengen, bij de rechter aanhangig maakt op grond van tekortkomingen van de huurder aan de huurverplichtingen, geldt die vordering ook als een met redenen omklede weigering van huurhernieuwing.

Daaruit volgt dat de verplichting van de huurder, die betwist dat de verhuurder gerechtigd is tekortkomingen aan de huurverplichtingen aan te voeren, om zich, op straffe van verval, binnen de wettelijke termijn tot de rechter te wenden, geen be-staansreden meer heeft.

Uit de vaststellingen van het vonnis van de eerste rechter van 18 oktober 2007, waarnaar het bestreden vonnis verwijst, blijkt dat "[de verweerster] de hernieu-wing van de hoofdhuur heeft aangevraagd bij brief van 5 mei 2006".

Het bestreden vonnis vermeldt dat "[de eiseres] op 22 mei 2006 een dagvaarding tegen [de verweerster] heeft uitgebracht tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens verzuim om de lokalen te onderhouden en niet-uitvoering van de in de huurovereenkomst overeengekomen werkzaamheden".

De beslissing van het bestreden vonnis volgens welke de door de verweerster op 27 juli 2006 ingediende aanvraag tot huurhernieuwing ontvankelijk is, is bijgevolg naar recht verantwoord.

Het onderdeel dat, al was het gegrond, niet tot vernietiging kan leiden, heeft geen belang en is mitsdien niet ontvankelijk.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 10 juni 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/06/2018 - 20:46
Laatst aangepast op: di, 26/06/2018 - 20:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.