-A +A

vordering tot het bekomen van betalingsfaciliteiten en rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Roeselare
Datum van de uitspraak: 
don, 11/06/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1577
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Art. 38, § 1, van de Wet Consumentenkrediet kadert binnen de armoedebestrijding. De beoordeling betreft de verificatie van de verslechtering van de financiële toestand van de verzoeker, wat een objectieve verificatie betreft buiten iedere notie van «schuld of onschuld, gelijk of ongelijk».

Verweerster begroot haar rechtsplegingsvergoeding op 1.200 euro (als niet in geld waardeerbare vordering).

Alleen het subsidiair gevorderde werd ingewilligd, en dan nog slechts gedeeltelijk.

Art. 1017, eerste lid, Ger. W. bepaalt dat ieder eindvonnis «de in het ongelijk gestelde partij» in de kosten verwijst.

De huidige tekst van art. 1022, eerste lid, Ger. W. definieert de rechtsplegingsvergoeding als «een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de in het gelijk gestelde partij».

Wellicht reeds ter tempering van de noties van gelijk en ongelijk bepaalt art. 1017, derde lid, Ger. W. daarenboven: «de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt:

– hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld;

– hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders of zusters, of aanverwanten in dezelfde graad».

Voormelde redengeving vooronderstelt evenwel nog steeds de gerechtigdheid van een kredietinstelling op een rechtsplegingsvergoeding, wanneer inderdaad niet of slechts gedeeltelijk op het verzoek van de kredietnemer wordt ingegaan (of deze van de consument, indien hij zou worden bijgestaan door een advocaat).

De rechtbank meent dit denkspoor niet te mogen volgen. Het aanvaarden van een dergelijk «proces binnen het proces» staat haaks op de beoogde beschermingsmaatregel waarbij een herschikking van het krediet enkel het uitvloeisel is van de gerechtelijke vaststelling dat de financiële toestand van een kredietnemer is verslechterd. Een verzoek op grond van art. 38 van de Wet Consumentenkrediet is naar de overtuiging van deze rechtbank immers geen geschil waarin de ene of de andere partij in het gelijk/ongelijk wordt gesteld.

Aldus beantwoordt de vraag van verzoeker minstens niet aan de voorwaarde van de sanctiegedachte, ingebed in art. 1017 Ger. W.: wie op een dergelijke objectieve beoordeling, minstens gedeeltelijk niet in staat geacht wordt zijn/haar financiële verplichtingen te voldoen, en gerechtelijk beschermd wordt, is geen «in het ongelijk gestelde partij».

De aanspraak van verweerster op enigerlei rechtsplegingsvergoeding wordt dan ook afgewezen als ongegrond: het behoeft overigens geen groot betoog dat een dergelijke begroting (zelfs in geval van vermindering) ieder nuttig effect van het verzoek op grond van art. 38, § 1, van de Wet Consumentenkrediet systematisch zou tenietdoen.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/05/2010 - 12:31
Laatst aangepast op: zo, 20/04/2014 - 17:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.