-A +A

Vordering tot gedwongen overdracht van aandelen of uitsluiting en gegronde redenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Leuven
Datum van de uitspraak: 
don, 03/12/2015
A.R.: 
A/15/02159

Artikel 334 W.Venn. bepaalt dat één of meer vennoten die gezamenlijk aandelen bezitten die 30% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande aandelen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30% van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in recht kunnen vorderen dat een vennoot zijn aandelen aan de eiser(s) overdraagt.

De vennoten die de gedwongen overdracht/uitsluiting in rechte vorderen, moeten het bewijs leveren van de aanwezigheid van gegronde redenen. Eiseressen moeten derhalve aantonen dat eerste verweerder door zijn gedragingen de belangen van de betrokken vennootschap op zo'n ernstige wijze schaadt dat hij in redelijkheid niet langer als vennoot geduld kan worden. Hierbij staat het belang en de continuïteit van de vennootschap centraal.

De gegronde reden moet betrekking hebben op een ernstig geblokkeerde situatie, waardoor de fundamentele belangen van de vennootschap of haar bestaan zelf in gevaar worden gebracht, en die rechtstreeks kunnen toegeschreven worden aan de vennoot van wie de uitsluiting wordt nagestreefd. Het schadeverwekkende gedrag moet aan het wezen van de vennootschap raken, namelijk aan haar werking en aan haar besluitvorming. Aan deze dubbele voorwaarde dient voldaan te zijn.

Bij een vordering tot uitsluiting dienen de aangehaalde gegronde redenen strikt beoordeeld te worden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
601
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Voorz. Kh. Leuven, 03/12/2015, R.A.B.G., 2017/8, p. 601-606:

(G.M. BVBA, G.M.S. NV / V.C.H., G.S. BVBA - Rolnr.: A/15/02159)

Gelet op de bepalingen inzake de wet op het taalgebruik in gerechtszaken;

Gelet op de inleidende dagvaarding op 5 november 2015 betekend ten verzoeke van de BVBA G.M. en de NV G.M.S. lastens de heer V.C.H. en de BVBA G.S.;

Gehoord partijen bij monde van hun raadslieden op de zitting van 24 november 2015;

Gezien de conclusie van eerste verweerder en het bundel met stukken van eisers.

I. Feiten
Bij notariële akte verleden voor notaris C. te H. op 30 april 2009 werd huidige tweede verweerster, BVBA G.S., opgericht door huidige eisers, de BVBA G.M. en de NV G.M.S., alsook door eerste verweerder, de heer V.C.H. Deze vennootschap heeft als maatschappelijk doel de verkoop en het herstellen van nieuwe en tweedehandswagens, meer in het bijzonder van het merk Mercedes. Sedert 1 maart 2013 baat zij tevens als concessiehouder een Nissan-garage te (…) uit.

Het maatschappelijk kapitaal bestaat uit 100 aandelen en is thans als volgt verdeeld:

eerste eiseres BVBA G.M.: 73 aandelen (73%);
tweede eiseres NV G.M.S.: 12 aandelen (12%);
eerste verweerder V.C.H.: 15 aandelen (15%).
Eerste eiseres, vast vertegenwoordigd door de heer W.P., werd benoemd tot zaakvoerder van tweede verweerster.

Ingevolge een arbeidsovereenkomst d.d. 1 oktober 2009 van onbepaalde duur is eerste verweerder als bediende, meer bepaald als “site-manager” te H., bij tweede verweerster te werk gesteld.

Eiseressen houden voor dat er tussen partijen ernstige onenigheid en diverse problemen zijn gerezen, waardoor een verdere samenwerking niet mogelijk is. Zij benadrukken dat:

eerste verweerder in tegenstelling tot gemaakte afspraken bij de oprichting van tweede verweerster, waarbij hij een bedrag van 40.000 EUR in de vennootschap zou inbrengen (20.000 EUR gestort in het maatschappelijk kapitaal en 20.000 EUR als achtergestelde lening geboekt in rekening-courant), slechts een bedrag van 10.000 EUR als lening in rekening-courant heeft gestort; hoewel tweede verweerster nood had aan bijkomend kapitaal heeft eerste verweerder het resterende bedrag van 10.000 EUR nooit bijgestort;
zij dienden vast te stellen dat eerste verweerder in zijn functie als site-manager onregelmatigheden begaan zou hebben; op 7 februari 2014 werd hij vrijgesteld van prestaties; bij aangetekend schrijven d.d. 3 maart 2014 werd eerste verweerder ontslagen om dringende reden en werd hem verzocht het hem ter beschikking gestelde bedrijfsmateriaal terug te geven;
eerste verweerder niet vrijwillig overging tot de teruggave van het bedrijfsmateriaal, doch hiertoe veroordeeld diende te worden onder de verbeurte van een dwangsom;
eerste verweerder weliswaar zijn ontslag om dringende reden aanvecht voor de arbeidsrechtbank, doch lastens hem op 22 april 2014 een strafklacht wegens misbruik van vertrouwen, diefstal, valsheid in geschrifte werd ingesteld, waarvan het strafrechtelijk onderzoek nog steeds lopende is;
eerste verweerder verder in het kader van een gerechtelijke procedure voor de rechtbank van koophandel te Leuven de terugvordering van het saldo van zijn rekening-courant ten bedrage van 10.000 EUR heeft gevorderd;
tijdens de algemene vergadering d.d. 27 juni 2014 reeds melding werd gemaakt van verschillende onregelmatigheden die volgens de zaakvoerder een invloed zullen hebben op de rekening-courant van eerste verweerder, die volgens de goedgekeurde jaarrekening (per 31 december 2013) een bedrag van 10.000 EUR ten voordele van eerste verweerder vertegenwoordigde;
de financiële situatie van tweede verweerster thans zeer slecht is en bij beslissing van de algemene vergadering d.d. 27 juni 2014 de alarmbelprocedure diende toegepast te worden;
ingevolge het wanbeheer van eerste verweerder de vennootschap minstens een schade van 43.972,08 EUR heeft geleden.
Eerste verweerder zet uiteen dat:

hij bij de oprichting van de vennootschap het van hem gevraagde kapitaal vertegenwoordigd door 40 aandelen volledig volstort heeft en daarbij nog een bedrag van 10.000 EUR als lening, verrekend in een rekening-courant aan de vennootschap heeft toegestaan;
er op 12 maart 2013 een kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden door de overige aandeelhouders, zodat eerste verweerder thans nog slechts 15% van de aandelen in tweede verweerster in handen heeft;
hij sedert de oprichting van de vennootschap heeft vastgesteld dat zijn rechten als minderheidsaandeelhouder aanhoudend werden geschonden/geminimaliseerd door het laten aangaan van de vennootschap van engagementen die de rentabiliteit aanzienlijk aantasten, er gelden aan de vennootschap werden onttrokken ten voordelen van aanverwante vennootschappen van eiseressen; het resultaat van tweede verweerster werd kunstmatig laag gehouden;
alle cruciale beslissingen genomen werden door eiseressen en de zaakvoerder en hij deze als site-manager diende uit te voeren;
hij, vanaf het ogenblik dat hij zich hierover in toenemende mate beklaagde, werd tegengewerkt en dit leidde tot een ontslag om dringende redenen op 3 maart 2014, die door hem wordt aangevochten voor de arbeidsrechtbank te Leuven en waarbij de aangehaalde dringende redenen betwist worden, alsook tot een tegen hem ingediende strafklacht op 22 april 2015 (meer dan één jaar na het ontslag), die nog lopende is; de aangehaalde feiten worden door hem ten stelligste betwist;
de waarde van de vennootschap thans kunstmatig laag is en eiseressen er thans in het kader van huidige procedure op gebrand zijn om zijn minderheidsaandeel voor 0 EUR over te nemen.
Op 5 november 2015 laten eiseressen aan verweerders een dagvaarding op grond van artikel 334 W.Venn. betekenen.

II. Vordering
De eis strekt ertoe eerste verweerder te horen veroordelen tot de gedwongen overdracht van zijn aandelen in tweede verweerster tegen een overnameprijs van 0 EUR, dit binnen de 48 uren na betekening van het tussen te komen vonnis. In ondergeschikte orde vragen eiseressen om, alvorens uitspraak over de overnameprijs te doen, een gerechtsdeskundige te horen aanstellen.

Verweerder besluit tot onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de eis.

III. Beoordeling
1.

Eiseressen hebben op grond van artikel 334 W.Venn. een vordering tot uitsluiting ingesteld lastens eerste verweerder en vorderen de gedwongen overname van diens aandelen (15%) in tweede verweerster.

Artikel 334 W.Venn. bepaalt dat één of meer vennoten die gezamenlijk aandelen bezitten die 30% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande aandelen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30% van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in recht kunnen vorderen dat een vennoot zijn aandelen aan de eiser(s) overdraagt.

Nu eiseressen samen 85% van de aandelen in tweede verweerster bezitten, is aan de toelaatbaarheidsvereiste gesteld door artikel 334 W.Venn. voldaan en is de eis toelaatbaar.

De door eerste verweerder opgeworpen hoogdringendheid is geen ontvankelijkheidsvereiste in huidige procedure.

2.

De vennoten die de gedwongen overdracht/uitsluiting in rechte vorderen, moeten het bewijs leveren van de aanwezigheid van gegronde redenen. Eiseressen moeten derhalve aantonen dat eerste verweerder door zijn gedragingen de belangen van de betrokken vennootschap op zo'n ernstige wijze schaadt dat hij in redelijkheid niet langer als vennoot geduld kan worden. Hierbij staat het belang en de continuïteit van de vennootschap centraal.

De gegronde reden moet betrekking hebben op een ernstig geblokkeerde situatie, waardoor de fundamentele belangen van de vennootschap of haar bestaan zelf in gevaar worden gebracht, en die rechtstreeks kunnen toegeschreven worden aan de vennoot van wie de uitsluiting wordt nagestreefd. Het schadeverwekkende gedrag moet aan het wezen van de vennootschap raken, namelijk aan haar werking en aan haar besluitvorming. Aan deze dubbele voorwaarde dient voldaan te zijn.

Bij een vordering tot uitsluiting dienen de aangehaalde gegronde redenen strikt beoordeeld te worden.

Als gegronde reden halen eiseressen de duurzame, diepgaande en onherroepelijke onenigheid tussen partijen aan die het gevolg is van gedragingen van eerste verweerder. Zij verwijten eerste verweerder diverse onregelmatigheden die geleid hebben tot een gebrek aan vertrouwen tussen partijen, waardoor iedere samenwerking onmogelijk is geworden. Zij halen hierbij aan:

onvoldoende financieel engagement van eerste verweerder;
zijn ontslag om dringende redenen met ingang van 3 maart 2014 als bediende;
de door hen ingediende strafklacht d.d. 22 april 2014.
Eerste verweerder betwist de door eiseressen aangehaalde feiten en stelt dat eiseressen geen enkele gegronde reden kunnen aantonen die aan hem kan toegerekend worden. Hij houdt voor dat eiseressen zelf aan de basis liggen van het conflict tussen partijen dat uiteindelijk is ontaard in een duurzame en ernstige onenigheid.

3.

Aan de hand van de door hen bijgebrachte stukken tonen eiseressen niet aan dat er in hoofde van eerste verweerder gegronde redenen aanwezig zijn, van die aard om elke samenwerking onmogelijk te maken of de normale werking van de vennootschap als dusdanig lam te leggen. De door eiseressen aangehaalde feiten hebben louter betrekking op het bestuur van de vennootschap en de dagelijkse werking ervan, doch hier is eerste verweerder sedert april 2014 ingevolge zijn ontslag als bediende, niet meer betrokken. De door eiseressen aangehaalde feiten worden thans ook op geen enkele objectief verifieerbare wijze bewezen. Het ontslag om dringende reden wordt door eerste verweerder aangevochten in het kader van een nog hangende procedure voor de arbeidsrechtbank. Ook van de door eiseressen ingestelde strafklacht is nog geen definitief resultaat bekend.

Uit geen enkel stuk kan afgeleid worden dat door een of andere gedraging van eerste verweerder de organen van de vennootschap niet meer zouden kunnen functioneren en dat de besluitvorming en werking van de vennootschap ernstig in het gedrang zou komen.

Uit de door partijen bijgebrachte stukken blijkt ontegensprekelijk dat er een slechte verstandhouding en onenigheid tussen partijen aanwezig is, die verdere samenwerking moeilijk maakt.

Echter uit de toelichting van partijen en de door eiseressen bijgebrachte stukken blijkt dat de onenigheid tussen partijen niet het gevolg is van het disfunctioneren van de organen van de vennootschap, waardoor de rechten van een welbepaalde aandeelhouder geschaad zouden kunnen worden, doch wel het gevolg is van onderlinge wrevel en spanningen. Aan de onenigheid en het niet kunnen samenwerken van partijen als aandeelhouders liggen persoonlijke motieven aan de basis van zowel eiseressen als eerste verweerder en geenszins het feit dat één welbepaalde aandeelhouder door zijn gedraging de rechten van een andere aandeelhouder zou miskennen, misbruiken of ernstig zou benadelen.

Uit niets blijkt dat eiseressen door eerste verweerster verhinderd worden in de uitoefening van hun rechten als aandeelhouder. Het tijdsverloop tussen het ontslag van eerste verweerder als bediende en het instellen van huidige procedure (meer dan 1,5 jaar later) bevestigt dit enkel. Evenmin blijkt uit de bijgebrachte stukken dat de slechte verstandhouding tussen partijen enkel door gedragingen van eerste verweerder veroorzaakt werd.

Hoewel de samenwerking tussen eiseressen en eerste verweerder verder zeer moeilijk lijkt, zijn er geen omstandigheden aanwezig die erop wijzen dat enkel gedragingen van verweerder aan de grondslag liggen van deze bemoeilijkte samenwerking.

Uit het feiten relaas blijkt dat er zich in se geen vennootschapsrechtelijk conflict tussen partijen voordoet. Het maatschappelijk doel van de vennootschap kan, indien gewenst, mede gelet op de minderheidsparticipatie van eerste verweerder, gerealiseerd worden.

Eiseressen tonen niet aan dat er gegronde redenen aanwezig zouden zijn die thans een vordering tot uitsluiting rechtvaardigen.

De vordering tot uitsluiting ingesteld door eiseressen dient als ongegrond afgewezen te worden.

4.

Eiseressen zijn de in het ongelijk gestelde partij en worden bijgevolg in toepassing van artikel 1017 Ger.W. veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, zoals hierna begroot.

Eerste verweerder is in het gelijk gesteld en heeft bijgevolg recht op de forfaitaire tegemoetkoming bedoeld in artikel 1022 Ger.W.

Wij, C. Broekmans, waarnemend voorzitter, zetelend zoals in kort geding, bijgestaan door mevrouw K. Vanhacht, griffier, uitspraak doende op tegenspraak en in eerste aanleg;

Verklaren de vordering tot uitsluiting van eiseressen lastens eerste verweerder toelaatbaar, doch ongegrond;

Vereffenen de gerechtskosten als volgt:

- in hoofde van eiseressen:

• dagvaardings- en rolzettingskosten: 369,52 EUR

- in hoofde van eerste verweerder:

• rechtsplegingsvergoeding: 1.320 EUR

Veroordelen eiseressen tot betaling van deze gerechtskosten;

Noot: 

Arie Van Hoe, De vordering tot uittreding in groepsverband, RABG 2012/9, 568.

Rechtspraak
• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 21 maart 2014, RW 2014-2015, 1611

Begrip gegronde redenen tot gedwongen overdracht aandelen: De vordering tot gedwongen overdracht van aandelen in de zin van art. 636, eerste lid W.Venn., vereist de aanwezigheid van gegronde redenen, die van dien aard moeten zijn dat het behouden in de vennootschap van de aandeelhouder wiens uitsluiting wordt gevorderd, de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.

Tekst arrest:

AR nr. C.13.0248.F

D.G. t/ G.M. en NV F.E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 27 september 2012.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Derde middel

Tweede onderdeel

Art. 636, eerste lid W.Venn. bepaalt dat één of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of 20% indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30% van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in rechte kunnen vorderen dat een aandeelhouder zijn aandelen en alle converteerbare effecten in zijn bezit, die recht geven op inschrijving op of op omzetting in aandelen van de vennootschap, aan de eisers overdraagt.

Die gegronde redenen moeten van die aard zijn dat het behouden in de vennootschap van de aandeelhouder wiens uitsluiting wordt gevorderd, de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.

Het arrest, dat de zes categorieën van grieven onderzoekt die de eiser de verweerder verwijt, overweegt (…) dat bepaalde grieven niet zijn aangetoond, dat bepaalde daden die de verweerder heeft gesteld en bepaalde procedures die hij heeft ingeleid geen oneigenlijk doel dienden, met name het benadelen van de vennootschap of de eiser, dat ze de belangen van de vennootschap bijgevolg niet hebben geschaad en dat de andere daden de vennootschap niet in gevaar hebben gebracht.

Zo overweegt het arrest, door een feitelijke beoordeling, dat geen van de door de eiser aan de verweerder verweten grieven zodanig zwaarwegend zijn dat het behouden van de verweerder in de vennootschap de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.

Het arrest, dat overweegt dat uit de “zes omstandigheden die volgens [de eiser] de gegronde redenen zijn op grond waarvan [de verweerder] kan worden uitgesloten”, “noch afzonderlijk noch in hun geheel beschouwd, kan worden afgeleid dat het gedrag of de persoonlijkheid [van de verweerder] een onverantwoord gevaar voor de [verweerster] vormt”, schendt art. 636 W.Venn. niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 18:46
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 18:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.