-A +A

Vordering tot betwisting van een erkenning van het vaderschap door wilsgebrek in toestemming moeder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 24/09/2015
A.R.: 
126/2015

Door de ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van een erkenning van het vaderschap die door de moeder is ingesteld, ondergeschikt te maken aan het bewijs dat aan haar toestemming voor die erkenning een gebrek kleefde, heeft de wetgever het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet geschonden. Wanneer de moeder vrij toestemt in een erkenning waarvan zij weet dat zij leugenachtig is, is er geen sprake van een gebrekkige erkenning. In dat geval vermocht de wetgever er rekening mee te houden dat de moeder vrij en weloverwogen heeft gehandeld. Wanneer de moeder daarentegen in de erkenning van haar kind heeft toegestemd omdat zij ertoe werd gedwongen door bedreigingen – waarvan de werkelijkheid door alle wettelijke middelen kan worden aangetoond –, kan zij die erkenning door een man die niet de biologische vader is en die geen socioaffectieve relatie met zijn kind heeft gehad, betwisten. In dat geval dient immers te worden aangenomen dat haar toestemming tot de erkenning gebrekkig was.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
536
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 126/2015

NV U.M.I. t/ R.

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 3 september 2014 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. 330 BW, in zoverre het voorschrijft dat de vordering van de moeder die partij is geweest bij een proces van vaderlijke erkenning omdat zij erin heeft toegestemd, die pas op gegronde wijze kan betwisten indien zij aantoont dat aan haar toestemming een gebrek kleefde, niet met name art. 10, 11 en 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen zoals het EVRM en o.m. art. 8 daarvan, in zoverre het de rechter op absolute wijze de mogelijkheid ontzegt om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen bij het aan hem voorgelegde geschil inzake afstemming (en in het bijzonder met het noodzakelijkerwijs hogere belang van het kind), in alle gevallen of met name in de gevallen waarin het kind geen socioaffectieve band met zijn wettelijke vader heeft en/of er geen biologische band tussen hen is?”.

...

In rechte

...

B.1. Art. 330 BW, zoals vervangen bij art. 16 van de wet van 1 juli 2006 “tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan” en aangevuld bij art. 370 van de wet van 27 december 2006 “houdende diverse bepalingen (I)” en bij art. 35 van de wet van 30 juli 2013 “betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank” – zoals het vóór de inwerkingtreding ervan is vervangen bij art. 43 van de wet van 8 mei 2014 “houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake justitie (I)” –, bepaalde:

Ҥ 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist voor de familierechtbank door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist.

“De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.

“De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen.

“De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is.

“§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader of de moeder is.

“§ 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap of moederschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen”.

B.2.1. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van art. 330, § 1, tweede lid BW met art. 10, 11 en 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling, door de ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van een erkenning van het vaderschap die door de moeder is ingesteld, ondergeschikt te maken aan het bewijs dat aan haar “toestemming” voor die erkenning een gebrek kleefde, de rechtbank waarvoor die vordering is ingesteld, verbiedt rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen bij het aan haar voorgelegde geschil inzake afstamming (en in het bijzonder met het belang van het kind), zelfs wanneer het kind geen socioaffectieve band met die erkenner heeft.

B.2.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het vonnis bij verstek is uitgesproken ten aanzien van de verweerder, dat de betwisting van de erkenning van vaderschap – die niet zou overeenstemmen met de biologische werkelijkheid – binnen de vereiste termijn van één jaar vanaf de geboorte van het kind is ingediend en dat er geen bezit van staat is geweest, zodat het vereiste van het “wilsgebrek” van de moeder de enige ter discussie staande kwestie is, die de rechter zou verhinderen zich uit te spreken.

B.3.1. Art. 22 Gw. bepaalt:

“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

“De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”.

B.3.2. Art. 8 EVRM bepaalt:

“1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

“2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

B.3.3. De grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen art. 22 Gw. en die verdragsbepaling (Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 997/5, p. 2).

De draagwijdte ervan is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.

B.4.1. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid Gw. en art. 8 EVRM sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet uit, maar vereisen dat die inmenging wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij een wettig doel nastreeft en dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM grote kamer, 12 november 2013, Söderman t/ Zweden, § 78; EHRM 3 april 2014, Konstantinidis t/ Griekenland, § 42).

B.4.2. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM 28 november 1984, Rasmussen t/ Denemarken, § 33; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 30; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 102; EHRM 16 juni 2011, Pascaud t/ Frankrijk, §§ 48-49; EHRM 21 juni 2011, KruÅ¡ković t/ Kroatië, § 20; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 60; EHRM 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t/ Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor het betwisten van de erkenning van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van art. 22 Gw. en van art. 8 EVRM.

B.4.3. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994, Keegan t/ Ierland, § 49; EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34; EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53; EHRM 25 februari 2014, Ostace t/ Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 46; EHRM 15 januari 2013, Laakso t/ Finland, § 46; EHRM 29 januari 2013, Röman t/ Finland, § 51).

Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen.

Zowel art. 22bis, vierde lid Gw. als art. 3, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM 5 november 2002, Yousef t/ Nederland, § 73; EHRM 26 juni 2003, Maire t/ Portugal, §§ 71 en 77; EHRM 8 juli 2003, Sommerfeld t/ Duitsland, §§ 64 en 66; EHRM 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t/ Luxemburg, § 119; EHRM 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t/ Zwitserland, § 135; EHRM 22 maart 2012, Ahrens t/ Duitsland, § 63).

Hoewel het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden.

B.5. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om de gevallen van betwisting van de erkenning van het vaderschap te beperken. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.6.1. De regel die is opgenomen in de in het geding zijnde wetsbepaling, volgens welke de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door de erkenner of door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd, pas ontvankelijk is indien die laatste aantoont dat aan zijn of haar toestemming een gebrek kleefde, was reeds opgenomen in art. 330, § 1, tweede lid BW, zoals vervangen bij art. 38 van de wet van 31 maart 1987 “tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming”.

De aanneming van die regel drukte de wil uit om de betwisting van de erkenning van een kind te beperken tot “zeer uitzonderlijke gevallen”, teneinde “inzake erkenning [...] een zo groot mogelijk parallellisme met het vaderschap binnen het huwelijk” te verzekeren, zodat “eenzelfde stabiliteit als die welke bestaat ten aanzien van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren” kan worden bereikt (Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 904-2, p. 101).

Het is in die context dat de wetgever heeft beslist de erkenner het recht te weigeren om die erkenning te betwisten “wanneer hij met kennis van zaken heeft gehandeld, ook [...] wanneer hij niet de vader van dat erkende kind is”, zonder daarom een dergelijke betwisting uit te sluiten wanneer zou vaststaan dat “aan de toestemming een gebrek kleeft” (ibid., p. 101 en 102).

De wetgever heeft ervoor gekozen om alle personen die bij de erkenningsprocedure zijn betrokken, op dezelfde wijze te behandelen door hun het recht op betwisting te ontzeggen, “tenzij er een gebrek is bij de toestemming” (ibid., p. 102). Er werd gepreciseerd: “Zo de moeder haar toestemming heeft gegeven voor de erkenning, kan zij deze achteraf niet meer betwisten” (ibid., p. 103).

B.6.2. Die maatregel werd behouden bij de aanneming van de wet van 1 juli 2006, die verschillende wijzigingen van de regeling voor de betwisting van de afstamming bevatte teneinde “de regels inzake betwisting van het [vermoeden van] vaderschap van de echtgenoot en betwisting van de afstamming door erkenning, nader tot elkaar te brengen”, wijzigingen die als volgt zijn becommentarieerd: “De wet van 1987 heeft de meeste vormen van discriminatie tussen kinderen wat de gevolgen van de afstamming betreft, weggewerkt. Nu is het de bedoeling om de verschillen in behandeling weg te werken met betrekking tot het betwisten van een afstamming die niet met de werkelijkheid overeenstemt. Alle kinderen worden zo op dezelfde manier behandeld. De wet van 1987 behoudt het recht om het vaderschap van de echtgenoot te betwisten voor aan de moeder, de echtgenoot (of de vorige echtgenoot) en het kind. De erkenning kan daarentegen door iedere belanghebbende worden betwist (art. 330). Art. 318 van het ontwerp bepaalt dat het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot dezelfde gevolgen heeft als de erkenning. Het nieuwe art. 330 legt voor de betwisting van beide dezelfde voorwaarden op. In beide gevallen kan de afstamming worden betwist door de ouder ten aanzien van wie de afstamming al is vastgesteld (meestal: de moeder), door de echtgenoot (of de vorige echtgenoot), door de kandida(a)t(e) voor erkenning en door het kind” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/7, p. 4).

B.6.3. Art. 329bis, § 2 BW, zoals ingevoegd bij art. 15 van de wet van 1 juli 2006 en gewijzigd bij art. 11 van de wet van 17 maart 2013, bepaalt:

“Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt.

“Bovendien is de voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft.

“Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.

“Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen”.

In de parlementaire voorbereiding betreffende die bepaling wordt vermeld: “De regels voor de erkenning door de vader en door de moeder zijn eenvormig gemaakt. Ze staan vervat in het nieuwe art. 329bis. [...] Als het kind minderjarig is, is de toestemming vereist van de ouder van wie de afstamming vaststaat (alsook de toestemming van het kind zelf indien het ouder is dan twaalf jaar). Mocht er onenigheid zijn, dan kan de persoon die de erkenning aanvraagt een gerechtelijke procedure opstarten” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/7, p. 2-3).

B.7.1. Het Hof moet nagaan of objectief en redelijk kan worden verantwoord dat de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap die is ingesteld door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd, alleen ontvankelijk is indien die persoon aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde en of de in het geding zijnde bepaling, door van het bestaan van een wilsgebrek een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vordering te maken, geen afbreuk doet aan de positieve verplichting voor de overheid om maatregelen te nemen die de daadwerkelijke eerbiediging van het privé- en gezinsleven verzekeren, zelfs binnen de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen, die voortvloeit uit art. 22 Gw. en art. 8 EVRM, zoals gepreciseerd in overwegingen B.3 tot B.5.

B.7.2. Uit de in overweging B.6.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de mogelijkheden om de erkenning van een kind te betwisten, heeft willen beperken omwille van de rechtszekerheid en dat hij er rekening mee heeft gehouden dat de erkenner uitdrukkelijk heeft ingestemd met die erkenning. Hetzelfde geldt voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat – namelijk meestal de moeder – of voor de moeder wanneer de erkenning plaatsvindt vóór de geboorte, van wie de toestemming bij art. 329bis, § 2 BW is vereist, indien de erkenning een minderjarig kind betreft. Alleen in de gevallen waarin aan die toestemming een gebrek kleefde, wordt het die personen dus toegestaan het vaderschap te betwisten en aldus terug te komen op de gegeven toestemming.

B.7.3. In tegenstelling tot de vaststelling van de afstamming van een kind dat binnen het huwelijk is geboren, die voortvloeit uit het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (art. 315 BW), onderstelt de erkenning van een minderjarig kind door een man dat die laatstgenoemde zijn wil uitdrukkelijk uit en dat de moeder erin toestemt overeenkomstig art. 329bis, § 2 BW. Ofschoon door die erkenning een afstammingsband tot stand komt, is het niet uitgesloten dat de betrokkene een kind erkent en dat de moeder erin toestemt, terwijl zij beiden weten dat er tussen hen geen biologische band bestaat.

B.7.4. De niet-naleving van een voorwaarde van ontvankelijkheid van een rechtsvordering belet de rechter in beginsel het geschil ten gronde te onderzoeken en dus de belangen af te wegen.

Te dezen verhindert de in het geding zijnde bepaling evenwel niet dat de moeder die in de erkenning van haar kind heeft toegestemd omdat zij ertoe werd gedwongen door bedreigingen – waarvan de werkelijkheid door alle wettelijke middelen kan worden aangetoond –, die erkenning door een man die niet de biologische vader is en die geen socioaffectieve relatie met zijn kind heeft gehad, betwist; in dat geval dient immers te worden aangenomen dat haar toestemming tot de erkenning gebrekkig was.

Wanneer de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat of wanneer de moeder vrij toestemt in die erkenning waarvan zij weet dat zij leugenachtig is, is dit niet het geval. In dat geval vermocht de wetgever er rekening mee te houden dat de erkenner en de moeder vrij en weloverwogen hebben gehandeld.

B.7.5. De voorwaarde van ontvankelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, geldt overigens niet in de gevallen waarin de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap zou zijn ingesteld door het erkende kind of door een andere man die het vaderschap van dat kind opeist. De wetgever maakt het in die gevallen voor de rechter dus mogelijk om de grond van de betwisting van het vaderschap te onderzoeken en de belangen van de verschillende betrokken personen in concreto af te wegen.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 11/12/2015 - 09:28
Laatst aangepast op: vr, 11/12/2015 - 09:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.