-A +A

Vordering tot betaling van de gerechtsdeurwaarder tot betaling van zijn kosten verjaart niet na één jaartot tegen advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/03/2004
A.R.: 
C020029N

De verjaringstermijn van een jaar, die krachtens art. 2272, eerste lid, B.W. geldt voor de rechtsvordering van de gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen en voor de opdrachten die zij uitvoeren, is niet toepasselijk wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënt verzoekt ambtstaken te verrichten .

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.02.0029.N
V.G.
aan wie rechtsbijstand werd verleend op 17 januari 2002 onder nummer G.02.0007.N,
eiseres,
tegen
1. D.A. ,
2. V.C.,
3. H.P.,
4. G.L.
verweerders,
woonplaats wordt gedaan.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 februari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Middel

Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- artikel 2272, inzonderheid eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals gewijzigd door artikel 48, ,§4, van de wet van 5 juli 1963.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond, na te hebben vastgesteld dat het voorwerp van het geschil de invordering betrof van erelonen en kosten door de verweerders gemaakt "voor de uitvoering van opdrachten toevertrouwd door (verzoekster) in haar hoedanigheid van advocaat van meerdere van haar cliënten", en zulks op grond van de volgende redengeving

"(...) dat (eiseres) voorhoudt dat de korte verjaringstermijn van 1 jaar, zoals bepaald in artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op onderhavige vordering ;

(...) evenwel dat, zoals de eerste rechter reeds besliste, deze korte verjaringstermijn enkel van toepassing is op de vordering van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt ;

dat in casu (de verweerders) de mogelijkheid hebben/hadden om een rechtstreekse contractuele vordering in te stellen tegen de cliënten van (eiseres) ;

dat het Burgerlijk Wetboek geen bijzondere verjaringstermijn voorziet voor een vordering gericht tegen een advocaat ;

dat de gemeenrechtelijke termijn (voorheen dertig jaar, thans tien jaar) moet toegepast worden op alle vorderingen die niet door bijzondere wetsbepalingen aan een andere verjaringstermijn zijn onderworpen ; dat immers de wetsbepalingen die een korte verjaringstermijn invoeren beperkend moeten worden geïnterpreteerd ;

(...) dat de advocaat er zich ten aanzien van zijn cliënt toe verbindt voor hem een lastgevingsovereenkomst te sluiten met een gerechtsdeurwaarder ; dat de verhouding advocaat-gerechtsdeurwaarder evenwel niet van contractuele aard is ;

dat er in voorkomend geval een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen de cliënt en de gerechtsdeurwaarder ;

dat (de verweerders) evenwel een vordering tegen (eiseres) hebben op grond van de gewoonte en van de deontologische norm van de advocaten, waardoor dezen gehouden zijn om de openstaande staten van gerechtsdeurwaarders te voldoen (...) ;

dat immers een advocaat die zich niet heeft laten provisioneren voor de kosten van de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, laatstgenoemde moet verwittigen en hem er op wijzen dat hij zijn kosten- en ereloonstaat rechtstreeks op de cliënt dient te verhalen ;

dat door dit niet te doen, de advocaat een fout begaat, temeer indien hij zoals in casu, de ereloonstaat van de gerechtsdeurwaarder die aan hem is gericht niet onmiddellijk protesteert en ook niet reageert op de herhaalde ingebrekestellingen tot betaling, doch integendeel verder gaat met opdrachten in naam van de cliënten door te geven ;

Dat de vordering van (de verweerders) gestoeld kan worden op deze fout".

Grieven

1. Eerste onderdeel

Artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek stelt dat "de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders, tot betaling van hun loon voor akten die zij betekenen, en voor opdrachten die zij uitvoeren (...) verjaren door verloop van een jaar".

De ratio legis van dit artikel is gesteund op een vermoeden van betaling van de gevorderde sommen.

De tekst van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek maakt geen onderscheid uitgaande de persoon van de debiteur die door de gerechtsdeurwaarder wordt aangesproken.

Het principe van de éénjarige verjaring geldt derhalve zodra er door een gerechtsdeurwaarder een "rechtsvordering (...) tot betaling van (zijn) loon voor akten die (hij) betekent en voor opdrachten die hij uitvoert" wordt ingesteld, ongeacht de persoon tegen wie wordt ingevorderd.

Het geschonden wetsartikel moet bijgevolg worden geïnterpreteerd in de zin dat ieder die door een gerechtsdeurwaarder wordt gedagvaard ter betaling van het loon voor de akten die deze heeft betekend en voor opdrachten die hij heeft uitgevoerd, de mogelijkheid heeft om de verjaring in te roepen.

Het hof van beroep behoudt de mogelijkheid om op grond van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de verjaring in te roepen enkel voor diegene voor wiens rekening de handeling door de gerechtsdeurwaarder werd gesteld, met name de cliënten van de advocaten doch niet de advocaten zelf, niettegenstaande het hof van beroep vaststelt dat eiseres aanvoerde de gevorderde sommen te hebben betaald.

Hieruit volgt dat het arrest, door te oordelen dat de korte verjaringstermijn van het artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel van toepassing is op de vordering van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt, het toepassingsveld van deze bepaling beperkt en mitsdien deze bepaling schendt (schending van artikel 2272, inzonderheid eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

2. Tweede onderdeel

Zelfs indien men artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zou moeten lezen in de zin dat het voorbehouden zou zijn aan de "cliënten" van de gerechtsdeurwaarder, sluit zulks de toepasselijkheid van deze bepaling in casu niet uit.

Een advocaat valt zowel onder het begrip "opdrachtgever" als onder de term "cliënt". Het is immers de advocaat die effectief de opdracht, in de zin van de instructies, geeft aan de gerechtsdeurwaarder.

De advocaat is daarenboven doorgaans de cliënt van de gerechtsdeurwaarder in de letterlijke zin van het woord daar het niet de cliënt van de advocaat is die de gerechtsdeurwaarder kiest doch de advocaat zelf.

Artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek maakt enkel gewag van "loon voor akten" en "opdrachten" zonder enige beperking aangaande de personen in wiens opdracht de gerechtsdeurwaarder optreedt.

Hieruit volgt dat het arrest, in de mate dat het de toepasselijkheid van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek uitsluit om reden dat de advocaat geen "opdrachten" geeft aan de gerechtsdeurwaarder in de zin van deze bepaling, eveneens om die reden schending inhoudt van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

3. Derde onderdeel

Zoals hoger reeds onderstreept, houdt artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen enkele beperking in zolang het voorwerp van de invordering kosten en erelonen betreft verschuldigd voor akten en opdrachten door een gerechtsdeurwaarder betekend.

Zoals door het arrest uitdrukkelijk vastgesteld, betreft het voorwerp van de vordering in casu de invordering van dergelijke kosten en erelonen.

Dergelijke vordering valt onder de omschrijving van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Noch de aard, noch de grondslag van de onderliggende rechtsverhouding, noch de hoedanigheid van de betrokken debiteur, doen afbreuk aan de toepassing van artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest geeft echter te kennen dat "(de verweerders) evenwel een vordering tegen (eiseres) hebben op grond van de gewoonte en van de deontologische norm van de advocaten, waardoor deze gehouden zijn om de openstaande staten van gerechtsdeurwaarders te voldoen" en dat "een advocaat die zich niet heeft laten provisioneren voor de kosten van de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, laatstgenoemde moet verwittigen en hem er op wijzen dat hij zijn kosten- en ereloonstaat rechtstreeks op de cliënt dient te verhalen" en dat "door dit niet te doen, de advocaat een fout begaat".

Het arrest sluit bijgevolg de toepassing van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek uit op grond van de rechtsverhouding tussen partijen, terwijl deze bepaling enkel het voorwerp van de vordering als relevant criterium bij het bepalen van de verkorte verjaringstermijn aanhoudt.

Hieruit volgt dat het arrest, door te beslissen dat de vordering van eiser niet verjaard is, artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek schendt.

4. Vierde onderdeel

Het arrest stelt enerzijds dat "een advocaat die zich niet heeft laten provisioneren voor kosten van de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, laatstgenoemde moet verwittigen en hem erop wijzen dat hij zijn kosten- en erelonenstaat rechtstreeks op de cliënt dient te verhalen" en neemt derhalve aan dat de advocaat, krachtens de hierbovenvermelde deontologische regel, desalniettemin als opdrachtgever en derhalve als cliënt moet worden beschouwd.

Deze overweging is in strijd met de hierboven uiteengezette interpretatie dat het arrest geeft van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek met name dat de advocaat niet kan beschouwd worden als een cliënt zolang hij de gerechtsdeurwaarder er niet op gewezen heeft dat hij zijn kosten- en ereloonstaat rechtstreeks op de cliënt dient te verhalen.

Hieruit volgt dat het arrest, door, enerzijds, te beslissen dat verweerders invordering van kosten en erelonen niet verjaard is krachtens artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek doch, anderzijds, beslist dat eiseres gehouden is de erelonen en kosten van de verweerders te betalen, tegenstrijdig is en mitsdien artikel 149 van de Grondwet schendt.

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat, krachtens artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren, verjaart door verloop van een jaar ;

Dat deze verjaringstermijn niet toepasselijk is wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënten verzoekt ambtstaken te verrichten ;

Dat die advocaat zich niet kan beroepen op het vermoeden van betaling ;

Overwegende dat de appèlrechters door te beslissen dat artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek enkel de rechtsvordering betreft van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt, deze wetsbepaling niet schenden ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het arrest de toepassing van artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet uitsluit om reden dat de advocaat geen opdrachten geeft aan de gerechtsdeurwaarder ;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;

3. Derde onderdeel

Overwegende dat, zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek enkel de rechtsvordering betreft van de gerechtsdeurwaarder tegen de cliënt ;

Overwegende dat de appèlrechters in die zin oordelen ;

Dat zij hierbij ook overwegen dat, ook in geval een advocaat optreedt, "een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen de cliënt en de gerechtsdeurwaarder" zodat deze laatste de mogelijkheid heeft "om een rechtstreekse contractuele vordering in te stellen tegen de cliënt" en voorts dat de gerechtsdeurwaarder (even)wel een vordering heeft tegen de advocaat, zij het "op grond van de gewoonte en van de deontologische norm van de advocaten, waardoor dezen gehouden zijn om de openstaande staten van gerechtsdeurwaarders te voldoen" ;

Dat zij aldus de vermelde bepaling correct toepassen ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

4. Vierde onderdeel

Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appèlrechters nergens aannemen "dat de advocaat, krachtens (voormelde) deontologische regel, desalniettemin als opdrachtgever en derhalve als cliënt moet worden beschouwd" ;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van tweehonderd vierenzeventig euro tien cent in debet jegens de eisende partij en op de som van honderd en vijf euro zesenzeventig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

Noot: 

• I. Claeys Gerechtsdeurwaarders en advocaten in de clinch: perikelen over het toepassingsgebied van art. 2272 B.W., RW 2004-2005, 856

• A. Van Oevelen, 'Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgische privaatrecht', T.P.R., 1987 (1755) 1800, nr 41 en de aldaar vermelde rechtsleer; G. Baudry-Lacantinerie, A. Tissier, Traité théorique et pratique de droit civil, XXVIII, De la prescription, Parijs 1905, nr 721;

• G. Beltjens, Encyclopédie du droit civil belge, première partie, Code civil, VI, Bruylant 1907, 832, nr 17; M.D. Dalloz, Jurisprudence générale. Supplément au Répertoire méthodique et alphabétique de législation, de doctrine et de jurisprudence, XIII, Parijs 1893, v° Prescription civile, 190, nr 579.

•. Claeys, 'Over vertegenwoordiging in de relatie cliënt-advocaat-gerechtsdeurwaarder', noot onder Antwerpen, 16 febr. 1998, R.W. 1998-1999, 93-97.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/05/2016 - 13:01
Laatst aangepast op: wo, 23/11/2016 - 19:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.