-A +A

Vordering tot betaling van de gerechtsdeurwaarder tot betaling van zijn kosten op advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 24/10/2016
A.R.: 
2015/ AR/1989

De korte verjaringstermijn van 1 jaar, bepaald in artikel 2272, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, is niet van toepassing wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënt heeft verzocht ambtstaken te verrichten. Die advocaat kan zich niet beroepen op het vermoeden van betaling

Onder gelding van het reglement van de Nationale Orde van Advocaten van 7 januari 1971 was de advocaat op grond van de gewoonte en zijn deontologie verantwoordelijk voor de onbetaalde staten van de gerechtsdeurwaarder, tenzij hij de gerechtsdeurwaarder erop had gewezen dat hij zijn kosten en ereloonstaten moest verhalen op de cliënt.

Op deze gehoudenheid van de advocaat, die een eigen gewoonterechtelijke en deontologische grondslag had, was de verjaringstermijn van 10 jaar voor persoonlijke rechtsvorderingen van toepassing overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en niet de kortere verjaringstermijn van 5 jaar, die krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid .

Het voormelde nationaal reglement werd opgeheven en vervangen door het reglement van de Orde van Vlaamse Balies van 31 januari 2007, dat op 21 mei 2007 in werking is getreden. Vanaf 21 mei 2007 geldt de voormelde gewoonterechtelijke en deontologische regel niet meer, tenzij de gelaste persoon een advocaat-correspondent is.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
190
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Feitenrelaas

Het geschil betreft openstaande kostenstaten van een gerechtsdeurwaarder (appellante), waarvan betaling gevorderd wordt van de advocaat (geïntimeerde) die in de desbetreffende dossiers is opgetreden.

2. Voorafgaande rechtspleging

Op 10 april 2014 bracht appellante de gedinginleidende dagvaarding uit. Voor de eerste rechter vorderde appellante dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling van 4.977,49 euro. te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 27 mei 2011, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

Geïntimeerde wierp de exceptie van verjaring van de vordering op.

In het bestreden vonnis werd de eis onontvankelijk wegens verjaring verklaard voor de kostenstaten tot en met 6 maart 2009. De eis werd voor het overige ongegrond verklaard en appellante werd veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten.

De eerste rechter oordeelde dat de eis een buitencontractuele grondslag had.

De kostenstaten die dateerden van meer dan 5 jaar voor de gedinginleidende dagvaarding waren verjaard.

De advocaat was wettelijk of deontologisch niet gehouden tot betaling van de kosten van de gerechtsdeurwaarder. Aangezien geïntimeerde niet aan de gerechtsdeurwaarder had laten weten dat zij toch voor deze kosten zou instaan, had geïntimeerde geen fout begaan.

3. Eisen in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen. haar oorspronkelijke eis gegrond te horen verklaren en geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het geding. Geïntimeerde heeft incidenteel hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen, de oorspronkelijke eis integraal verjaard te horen verklaren en appellante te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep

Het bestreden vonnis werd niet betekend. Het hoger beroep dat werd ingesteld met het verzoekschrift dat op 24 augustus 2015 werd neergelegd ter griffie van dit hof, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ook ontvankelijk.

Het incidenteel hoger beroep is eveneens regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

4.2. Over de gegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep

Geïntimeerde werpt de exceptie van verjaring van de vordering op.

De korte verjaringstermijn van 1 jaar, bepaald in artikel 2272, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, is niet van toepassing wanneer de gerechtsdeurwaarder openstaande staten invordert van een advocaat die hem namens zijn cliënt heeft verzocht ambtstaken te verrichten. Die advocaat kan zich niet beroepen op het vermoeden van betaling (in deze zin: Cass. 25 maart 2004, TBBR 2004, 429, noot S. MOSSELMANS, "Het toepassingsgebied van artikel 2272, eerste lid B.W."). Onder gelding van het reglement van de Nationale Orde van Advocaten van 7 januari 1971 was de advocaat op grond van de gewoonte en zijn deontologie verantwoordelijk voor de onbetaalde staten van de gerechtsdeurwaarder, tenzij hij de gerechtsdeurwaarder erop had gewezen dat hij zijn kosten en ereloonstaten moest verhalen op de cliënt (in deze zin: J. STEVENS, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Kluwer, 2015, 1114, nr. 1382).

Op deze gehoudenheid van de advocaat, die een eigen gewoonterechtelijke en deontologische grondslag had, was de verjaringstermijn van 10 jaar voor persoonlijke rechtsvorderingen van toepassing overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en niet de kortere verjaringstermijn van 5 jaar, die krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (in deze zin S. MOSSELMANS, "Het toepassingsgebied van artikel 2272, eerste lid B.W.", noot onder Cass. 25 maart 2004, TBBR 2004, 430 en J. STEVENS, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Kluwer, 2015, 1114, nr. 1382).

Het voormelde nationaal reglement werd opgeheven en vervangen door het reglement van de Orde van Vlaamse Balies van 31 januari 2007, dat op 21 mei 2007 in werking is getreden. Vanaf 21 mei 2007 geldt de voormelde gewoonterechtelijke en deontologische regel niet meer, tenzij de gelaste persoon een advocaat-correspondent is.

In de mate dat de eis van appellante betrekking heeft op opdrachten die dateren van vóór 21 mei 2007, is het vorderingsrecht van appellante onderworpen aan een verjaringstermijn van 10 jaar.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de eis van appellante ten belope van 11,40 euro (stuk 1.1 appellante), 351,73 euro (stuk 1.2 appellante), 37,05 euro (stuk 1.3 appellante) en 23,19 euro (stuk 1.4 appellante), hetzij in totaal de som van 423,37 euro betrekking heeft op opdrachten die werden gegeven vóór 21 mei 2007.

De voormelde kostenstaten hebben betrekking op opdrachten gegeven in 2006 en 2007 en de rechtsvordering die betrekking heeft op deze kostenstaten, verjaart door verloop van 10 jaar. De gedinginleidende dagvaarding werd uitgebracht op 10 april 2014, zodat de rechtsvordering met betrekking tot deze kostenstaten in ieder geval niet verjaard is. Aangezien geïntimeerde niet bewijst dat zij appellante bij het geven van de voormelde opdrachten erop heeft gewezen dat appellante haar kostenstaten rechtstreeks op de betrokken cliënten moest verhalen, is geïntimeerde gehouden tot
~~-----------------------~17_

betaling van deze kostenstaten aan appellante op basis van de norm die vervat was in het nationaal reglement van 7 januari 1971.

De eis van appellante is gegrond ten belope van 423,37 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de verwijlintresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf de eerste aanmaning tot betaling op 27 mei 2011.

Voor de opdrachten gegeven vanaf 21 mei 2007, heeft de eis van appellante geen contractuele grondslag en kan zij evenmin steunen op het toen afgeschafte nationaal reglement van 7 januari 1971, zodat de eis zijn grondslag vindt in een vermeende buitencontractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde.

In die mate is het vorderingsrecht van appellante onderworpen aan een verjaringstermijn van 5 jaar overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Partijen werden in de gelegenheid gesteld om standpunt in te nemen over het aanvangspunt van deze verjaringstermijn. De verjaringstermijn van 5 jaar begint te lopen daags nadat appellante kennis kreeg van haar schade en van de identiteit van de persoon die zij daarvoor aansprakelijk stelt. Appellante kon pas kennis krijgen van haar schade na ontvangst van de brief van geïntimeerde van 31 mei 2011, zodat de verjaring niet is beginnen lopen vóór 1 juni 2011 en het vorderingsrecht van appellante bijgevolg niet verjaard was op het ogenblik waarop de eis werd ingesteld op 10 april 2014.

Appellante bewijst niet dat geïntimeerde bij het geven van de desbetreffende opdrachten, noch nadien in de periode waarin appellante haar rechtsvordering tegen de desbetreffende cliënten liet verjaren, de schijn heeft gewekt dat zij zou instaan voor de betaling van de desbetreffende kostenstaten en dat appellante zich niet rechtstreeks tot de desbetreffende cliënten diende te richten. Appellante bewijst geen enkele fout of nalatigheid in hoofde van geïntimeerde, die in oorzakelijk verband staat met de schade die appellante beweert te hebben geleden. Op geen enkele wijze wordt aangetoond dat geïntimeerde een valse schijn van kredietwaardigheid van de betrokken cliënten zou hebben gecreëerd, door haar handelen of nalatigheid, zodat niet wordt bewezen dat geïntimeerde de algemene zorgvuldigheidsnorm zou hebben geschonden. Sedert de afschaffing van de nationale norm van 7 januari 1971 mag de gerechtsdeurwaarder er niet van uitgaan dat de advocaat voor de kosten van de gerechtsdeurwaarder werd geprovisioneerd en dat hij de opdracht heeft die fondsen aan de gerechtsdeurwaarder door te storten.

Op geen enkel ogenblik heeft geïntimeerde haar aansprakelijkheid of gehoudenheid ten aanzien van appellante erkend.

4.3. Over de kosten van het geding

Aangezien beide partijen deels in het ongelijk moeten worden gesteld, komt het gepast voor om de rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen te compenseren en om de overige gerechtskosten ten laste te laten van de partij die ze gemaakt heeft.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt. Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekende. Verklaart de eis van appellante ontvankelijk en gegrond als volgt.

Veroordeelt meester M.D. tot betaling aan bvba L.S. G. van 423,37 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 2011 tot aan de datum van de gedinginleidende akte en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tegen dezelfde rentevoet tot aan de volledige betaling.

Compenseert de rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen en laat de overige kosten van het geding ten laste van de partij die ze gemaakt heeft.

( ... )
 

Noot: 

• I. Claeys Gerechtsdeurwaarders en advocaten in de clinch: perikelen over het toepassingsgebied van art. 2272 B.W., RW 2004-2005, 856

• A. Van Oevelen, 'Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgische privaatrecht', T.P.R., 1987 (1755) 1800, nr 41 en de aldaar vermelde rechtsleer; G. Baudry-Lacantinerie, A. Tissier, Traité théorique et pratique de droit civil, XXVIII, De la prescription, Parijs 1905, nr 721;

• G. Beltjens, Encyclopédie du droit civil belge, première partie, Code civil, VI, Bruylant 1907, 832, nr 17; M.D. Dalloz, Jurisprudence générale. Supplément au Répertoire méthodique et alphabétique de législation, de doctrine et de jurisprudence, XIII, Parijs 1893, v° Prescription civile, 190, nr 579.

•. Claeys, 'Over vertegenwoordiging in de relatie cliënt-advocaat-gerechtsdeurwaarder', noot onder Antwerpen, 16 febr. 1998, R.W. 1998-1999, 93-97.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 14:36
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 14:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.