-A +A

Vordering tot betaling van de BTW na een verkoop in het zwart

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 07/10/2014

Btw op de verkoop een bijkomende kost van de koop is die (bij gebrek aan afwijkende overeenkomst) ten laste komt van de koper, d.i. te dezen (in de stelling van de geïntimeerde) de appellante.

Een vordering tot betaling van de BTW op een aankoop is dan ook niet te beschouwen als vallend onder de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet (art. 569, 32° Ger.W.). De vordering tot betaling van BTW, betreft een vorderingtot betaling van een bijkomende kost van de verkoop, en is aldus een vordering gesteund op de koop-verkoopovereenkomst. Hieraan doet geen afbreuk het feit dat de kost in kwestie zijn oorsprong vindt in het fiscaal recht.

Het adagium “Nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (vrij vertaald uit het Latijn als “niemand kan door de rechter worden gehoord wanneer hij zich op eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept”) en dat tot onontvankelijkheid van de vordering zou leiden is volgens de rechtbank enkel een rechtsspreuk en geen algemeen rechtsbeginsel, en dergelijke rechtsspreuk moet enkel geëerbiedigd worden in de mate waarin zij is vastgelegd in een wet of een verordeningsbepaling.

De vordering strekkende tot betaling van de op de verkoop verschuldigde btw als bijkomende kost in de zin van artikel 1593 BW is niet strijdig met enige wet of verordening.

De koop-verkoopovereenkomst tegen een bepaalde prijs zelf had geen ongeoorloofde oorzaak of voorwerp. Het is niet omdat de fiscale verplichtingen voortvloeiend uit deze overeenkomst niet werden nageleefd dat deze overeenkomst zelf daarom nietig is. De miskenning van die fiscale verplichtingen heeft enkel fiscale sancties tot gevolg en heeft geen invloed op de geldigheid van de koop-verkoopovereenkomst naar burgerlijk recht.

Met een vordering tot betaling van de BTW wordt ook niet de uitvoering van een ongeoorloofde verbintenis nagestreefd, zoals bv. de afspraak om een deel van de koopprijs in het zwart te betalen. Een vordering tot betaling van de BTW is integendeel niet op deze afspraak gegrond, maar op de koop-verkoopovereenkomst, en deze vordering is zelfs eerder gekant tegen de beweerde ongeoorloofde afspraak.

Door de bijkomende kosten (art. 1593 BW), meer bepaald de wettelijk verschuldigde btw, te vorderen voortvloeiende uit een naar burgerlijk recht geldige koop-verkoopovereenkomst oefent de eiser in betaling van de BTW geen vordering uit met onrechtmatig belang 

Opm. Dit standpunt van het Hof van Beroep te Gent wordt niet uniform gedeeld door rechtspraak en rechtsleer

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1393
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(H.S. NV / W. NV - Rolnr.: 2013/AR/2360)

1.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 11 juni 2012 dagvaardde de geïntimeerde de appellante voor de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Dendermonde, teneinde de appellante te horen veroordelen om te betalen aan de geïntimeerde de som 30.450 EUR, te vermeerderen met de gemeenrechtelijke interesten vanaf de data van betaling van de hoofdsom, minstens vanaf de datum van de eerste ingebrekestelling van 8 december 2011.

Volgens de geïntimeerde was deze som de btw verschuldigd op een bedrag van 145.000 EUR voor verkoop door de geïntimeerde aan de appellante van paardenboxen. Steeds volgens de geïntimeerde zou dit bedrag niet officieel gefactureerd zijn geweest, heeft de geïntimeerde de btw moeten betalen aan de Belgische Staat, meer boete en interesten, terwijl de appellante als koper gehouden is tot betaling van die btw. De geïntimeerde vordert in de huidige procedure het btw-bedrag van 30.450 EUR terug van de appellante.

Bij vonnis van 27 juni 2013 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Dendermonde, 4de kamer, werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld om te betalen aan de geïntimeerde de som van 30.450 EUR meer de gemeenrechtelijke interesten vanaf 8 december 2011 tot de datum der algehele betaling. De appellante werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 6 september 2013 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen, de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde onontvankelijk minstens ongegrond te horen verklaren. De appellante heeft verder in uiterst ondergeschikte orde voor het hof van beroep een tegenvordering ingesteld om te vorderen dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld om aan de appellante een schadevergoeding van 30.450 EUR te betalen om reden dat zij bij verschuldigd zijn van dit bedrag de btw-aftrek voor dit bedrag niet meer zou kunnen verrichten.

De geïntimeerde van haar kant vordert dat zowel het hoger beroep als de tegenvordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond zouden worden verklaard.

2.

De geïntimeerde steunt haar vordering op artikel 1593 BW. Met de geïntimeerde moet inderdaad aangenomen worden dat de btw op de verkoop een bijkomende kost van de koop is die (bij gebrek aan afwijkende overeenkomst) ten laste komt van de koper, d.i. te dezen (in de stelling van de geïntimeerde) de appellante.

De huidige vordering van de geïntimeerde is dan ook niet te beschouwen als vallend onder de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet (art. 569, 32° Ger.W.). De geïntimeerde vordert hier van de appellante betaling van een bijkomende kost van de verkoop, en stelt dus een vordering gesteund op de koop-verkoopovereenkomst. Hieraan doet geen afbreuk het feit dat de kost in kwestie zijn oorsprong vindt in het fiscaal recht.

Terecht heeft de eerste rechter zich bevoegd verklaard.

3.

Te dezen staat vast dat de appellante aan de geïntimeerde een bedrag van 145.000 EUR heeft betaald “in het zwart” voor de levering van een deel van de paardenboxen:

(…)

4.

De appellante beroept zich op het adagium “Nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (vrij vertaald uit het Latijn als “niemand kan door de rechter worden gehoord wanneer hij zich op eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept”) om voor te houden dat de vordering van de geïntimeerde onontvankelijk is.

De appellante kan in deze stelling niet worden gevolgd.

Het door de appellante aangevoerde adagium is juist enkel een rechtsspreuk en geen algemeen rechtsbeginsel, en dergelijke rechtsspreuk moet enkel geëerbiedigd worden in de mate waarin zij is vastgelegd in een wet of een verordeningsbepaling (zie o.m. Cass. 2 december 2002, Pas. 2002, nr. 646, p. 2309).

De vordering van de geïntimeerde strekkende tot betaling van de op de verkoop verschuldigde btw als bijkomende kost in de zin van artikel 1593 BW is niet strijdig met enige wet of verordening.

De koop-verkoopovereenkomst van paardenboxen tegen een bepaalde prijs zelf had geen ongeoorloofde oorzaak of voorwerp. Het is niet omdat de fiscale verplichtingen voortvloeiend uit deze overeenkomst niet werden nageleefd dat deze overeenkomst zelf daarom nietig is. De miskenning van die fiscale verplichtingen heeft enkel fiscale sancties tot gevolg en heeft geen invloed op de geldigheid van de koop-verkoopovereenkomst naar burgerlijk recht (vgl. ook met Cass. 2 maart 2006, Pas. 2006, nr. 120, p. 483).

Met haar vordering streeft de geïntimeerde ook niet de uitvoering van een ongeoorloofde verbintenis na, zoals bijvoorbeeld door de appellante wordt beweerd wanneer zij stelt dat de geïntimeerde zich zou beroepen op de afspraak om een deel van de koopprijs in het zwart te betalen. De geïntimeerde grondt integendeel haar vordering niet op deze afspraak, maar op de koop-verkoopovereenkomst, en haar vordering is zelfs eerder gekant tegen de beweerde ongeoorloofde afspraak.

Door de bijkomende kosten (art. 1593 BW), meer bepaald de wettelijk verschuldigde btw, te vorderen voortvloeiende uit een naar burgerlijk recht geldige koop-verkoopovereenkomst oefent de geïntimeerde geen vordering uit met onrechtmatig belang (zie Cass. 2 maart 2006, reeds aangehaald), anders dan door de appellante ook verdedigd.

5.

Het feit dat de geïntimeerde facturen op 22 mei 2012 heeft opgesteld voor een totaal bedrag van 145.000 EUR + btw (zie de stukken bijlage bij het stuk 3 van de geïntimeerde) verhindert de vordering van de geïntimeerde op geen enkele wijze.

Er moet worden opgemerkt dat de geïntimeerde reeds vóór het opstellen van de factuur betaling vroeg van de bestaande en thans gevorderde kost (zie het stuk 1 van de geïntimeerde brief van 8 december 2011).

De btw was immers uit kracht van de wet verschuldigd door de geïntimeerde bij de levering van de paardenboxen (zie art. 51, § 1, 1° Btw-Wetboek), en dit ongeacht of een factuur werd opgesteld. De btw-schuld (en de overeenkomstige vordering van de geïntimeerde) ontstond derhalve vóór de facturering en ongeacht de facturering.

De beschouwingen van de appellante over de gevolgen van het opstellen van laattijdige facturen achteraf zijn niet ter zake. Er wordt van de appellante maar één maal btw gevorderd, btw die verschuldigd was op de koop-verkoop, ongeacht de facturatie, en die btw maakt een door de appellante te dragen kost uit, en geen “verkapte schadevergoeding” zoals de appellante op zeker ogenblik in conclusie voorhoudt.

Uit het stuk 14 van de geïntimeerde blijkt dat zij de btw, hetzij 30.450 EUR, aan de Belgische Staat heeft gestort op 20 september 2011, dit naar aanleiding van de door de BBI-administratie doorgevoerde regularisatie. Het bestaan van de kost staat dus vast.

Opdat de geïntimeerde de kost zou kunnen terugvorderen is niet vereist dat zou vaststaan dat de appellante de btw zou kunnen aftrekken in het kader van de btw-wetgeving.

6.

De appellante heeft, voor het eerst in graad van hoger beroep, in haar syntheseconclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 1 juli 2014, een tegenvordering ingesteld tegen de geïntimeerde. Bij deze tegenvordering vordert de appellante dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling aan de appellante van een bedrag van 30.450 EUR, hetzij het bedrag aan btw op de transactie ad 145.000 EUR. De appellante stelt hierbij dat zij voor dit bedrag schade lijdt, dit door de fout van de geïntimeerde die erin bestaat dat de geïntimeerde naliet om in strijd met de btw-wetgeving tijdige en rechtsgeldige facturen over te maken aan de appellante zodat zij de btw-aftrek voor het voormelde bedrag kon uitoefenen, wat nu niet meer kan.

Hoewel de appellante geen rechtsgrond opgeeft voor haar tegenvordering moet aanvaard worden dat de appellante hierbij een contractuele aansprakelijkheidsvordering stelt.

Zo de geïntimeerde in beginsel verplicht was om krachtens de btw-wetgeving een factuur op te stellen en over te maken aan de appellante (art. 53, § 2 Btw-Wetboek), dan is dit in haren hoofde een persoonlijke fiscale verplichting, waarvan de niet-vervulling niet noodzakelijk de klant benadeelt.

De appellante zelf van haar kant was gerechtigd om van de geïntimeerde te vorderen dat de geïntimeerde tijdig een regelmatige factuur zou afleveren, indien de appellante haar recht op btw-aftrek wou uitoefenen, nu zij voor deze aftrek een tijdige en regelmatige factuur nodig had.

Uit niets is af te leiden dat de appellante ooit van de geïntimeerde heeft gevorderd dat zij een factuur zou opstellen en overmaken aan de appellante, en dat de geïntimeerde dit zou hebben geweigerd. De hoger aangehaalde gegevens van het reeds vermelde strafdossier wijzen in andere zin. Volgens de reeds aangehaalde verklaring van de heer (…) was het immers de bedoeling van de partijen bij de koop-verkoopovereenkomst om “in het zwart” te handelen, d.i. zonder het opstellen van facturen.

In deze omstandigheden bewijst de appellante niet dat de geïntimeerde foutief zou hebben gehandeld op een wijze die de aansprakelijkheid van de geïntimeerde met zich zou kunnen brengen voor het niet kunnen uitoefenen door de appellante van haar btw-aftrek.

De tegenvordering is ongegrond.

(…)

OP DEZE GRONDEN

Het hof,

rechtdoende op tegenspraak,

(…)

Noot: 

Thiel, C., « Aankoop in het zwart – Vordering tot terugbetaling btw ex artikel 1593 BW? », R.A.B.G., 2015/19, p. 1397-1402

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 20:39
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 20:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.