-A +A

Vordering tegen zaakvoerder of commisaris

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 31/01/2011
A.R.: 
2008-AR-2751

De aansprakelijkheidsvordering tegen bestuurders verjaart na 5 jaar art. 198 §1 vierde lid W. Venn, vanaf de ontdekking van de laatste foutieve daad.

Het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing gedurende meer dan 2 jaar is een zware fout die de bestuurdersaansprakelijkheid meebrengt.

ZElfs een individuele arbeider kan de vordering tot aansprakelijkheid van een bestuurder instellen (art 530 §1 W. Venn.)

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep te Gent 7de Kamer

________________

Terechtzitting van  31 januari 2011
________________

 

2008/AR/2751 - In de zaak van:

V...............M..........., wonende te ................

appellant,

tegen:

B. B.V.B.A., 

geïntimeerde,

velt het hof het volgend arrest:

De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.

1.Bij verzoekschrift, neergelegd op 10 november 2008, heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 oktober 2008 op tegenspraak gewezen door de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk (AR. 08/00003/A). Een exploot van betekening ligt niet voor.

Feiten en procedure in eerste aanleg

2.Bij notariële akte van 16 december 1996 werd de BVBA E. opgericht door de echtgenoten M...... V......... (hierna: "appellant") en G..... L........ Appellant werd aangesteld als zaakvoerder voor de duur van de vennootschap.

Appellant en G.... L........verkochten bij onderhandse akte van 24 maart 2003 hun 750 aandelen van de BVBA E. aan P....... D................, die zich verbond om "alle op heden aanwezige activa en passiva, volgens de tussentijdse balans afgesloten op 31/03/2003, af te staan aan de verkoper en dit zonder enige vergoeding."

Op de B.A.V. van 28 maart 2003 werd besloten om de naam van de vennootschap te wijzigen in BVBA B.. De vergadering stelde vast dat appellant ontslag had genomen als statutair zaakvoerder en verleende hem onvoorwaardelijke kwijting voor zijn bestuur. In zijn plaats werd B........... C........... tot zaakvoerder benoemd.

Op 31 maart 2003 factureerde de BVBA E. de overdracht van haar activa en passiva aan appellant voor 57.591,79 EUR, vrij van BTW bij toepassing van artikel 11 BTW-wetboek. Op de factuur werd vermeld dat het aangerekende bedrag gecompenseerd wordt met de R/C van appellant in voormelde BVBA.

Op 23 april 2003 werden de besluiten van de B.A.V. gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad.

Begin 2006 was er BTW-controle van de boekhouding van de BVBA B.. Er werd beslist dat de factuur van 31 maart 2003 van de BVBA E. aan appellant niet vrij van BTW kon zijn, omdat appellant geen BTW-belastingsplichtige was. Er werd betaling gevorderd van de som van 10.113,48 EUR (verschuldigde BTW) en van de som van 2.020,00 EUR (boete), vermeerderd met 0,8% rente per maand vanaf 21 juli 2005.

Op 12 december 2006 erkende P....... S..........., zaakvoerder van de BVBA B., bereid te zijn tot betaling van deze bedragen aan de BTW-administratie.

Bij brief van 28 december 2006 vorderde de BVBA B. (hierna: "geïntimeerde") lastens appellant betaling van 13.333,48 EUR, het door de BTW-administratie gevorderde bedrag. Appellant protesteerde deze aanspraak bij brief van 18 januari 2007.

Bij dagvaarding, betekend op 4 mei 2007, vorderde geïntimeerde voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk, de veroordeling van appellant als zaakvoerder van de BVBA E., minstens de solidaire veroordeling van appellant en G...... L..............., tot betaling van 13.589,32 EUR, méér 281,96 EUR rente, méér 1.664,55 EUR schadevergoeding, totaal 15.535,83 EUR, méér 9,6% rente, minstens de gerechtelijke rente en de gedingkosten.

Bij vonnis van 12 december 2007 besloot de rechtbank van koophandel te Kortrijk tot onbevoegdheid ratione materiae en verwees de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg (AR. 1355/2007).

Bij vonnis a quo van 14 oktober 2008 achtte de eerste rechter appellant - als gewezen zaakvoerder van de BVBA E. - bij toepassing van art. 264 W.Venn. aansprakelijk voor de door geïntimeerde geleden schade. Appellant werd veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van 15.535,83 EUR, méér de gerechtelijke rente (aan 9,6% zoals door de BTW toegepast) tot volledige betaling, méér de gedingkosten. De vordering lastens G...... L........... werd als ongegrond afgewezen.

Procedure in hoger beroep

3.

Het hoger beroep werd ingesteld door M...... V............, oorspronkelijke eerste verweerder. Appellant vraagt het vonnis a quo teniet te doen op volgende gronden: (1) de initiële vordering is onontvankelijk op basis van art. 289 W.Venn. (geen beslissing van de A.V. tot "actio mandati") ; (2) bij het aanvaarden van zijn ontslag, verleende de B.A.V. hem onvoorwaardelijke kwijting voor zijn bestuur als zaakvoerder ; (3) de A.V. van geïntimeerde keurde de jaarrekening over het boekjaar 2003 goed, waarin de overdracht van activa en passiva op 31 maart 2003 was verwerkt ; (4) zijn tegoed in R/C was veel groter dan het factuurbedrag, zelfs indien hierop BTW zou zijn aangerekend, zodat er géén causaal verband bestaat tussen de beweerde fout en de schade (zijnde de latere correctie van de BTW) ; (5) geïntimeerde bewijst géén betaling aan de BTW.

De BVBA B., geïntimeerde, vraagt integrale bevestiging van het vonnis a quo.

Voor een uitgebreide uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en de conclusies.

Beoordeling

4.De betrokken factuur F.23001 van 31 maart 2003, waarin de foutieve vrijstelling van BTW is opgenomen, werd opgesteld als uitgaande van de BVBA E. en is gericht aan appellant als bestemmeling (stuk 2 geïntimeerde). Er bestaat nog steeds discussie over wie deze factuur heeft opgesteld: overnemer D.........., accountant J..... V.... A....... of appellant zelf.

Finaal stelt geïntimeerde dat appellant aansprakelijk is "als gewezen zaakvoerder van de BVBA E., in welke hoedanigheid hij nog handelingen gesteld heeft alvorens ontslag te nemen als zaakvoerder. Deze handelingen hebben de toen bestaande vennootschap benadeeld, ..." (syntheseconclusie geïntimeerde, neergelegd op 15 januari 2010, blz. 4 in fine).

Geïntimeerde, de BVBA B., is dezelfde rechtspersoon gebleven als de BVBA E., met hetzelfde ondernemingsnummer. Er gebeurde enkel een naam- en statutenwijziging (stukken 7 en 9 appellant). Geïntimeerde baseert haar rechtsvordering dus op de beweerde aansprakelijkheid van appellant als gewezen zaakvoerder van haar vennootschap, wat een actio mandati uitmaakt.

Art. 289 W.Venn. bepaalt: "De algemene vergadering beslist of tegen de zaakvoerders of tegen de commissarissen een vennootschapsvordering moet worden ingesteld. Zij kan één of meer lasthebbers aanstellen voor de uitvoering van deze beslissing.".

Door geïntimeerde werd gedagvaard lastens o.a. appellant op 4 mei 2007. Er kan geen voorafgaande beslissing van de algemene vergadering van de BVBA B. tot het instellen van de vennootschapsvordering tegen appellant worden voorgelegd. Ten onrechte betoogt geïntimeerde dat dergelijke beslissing in casu niet nodig is.

Wanneer een actio mandati wordt ingeleid namens de vennootschap, die optreedt via haar bevoegd vertegenwoordigingsorgaan, kan de verwerende zaakvoerder de onontvankelijkheid van de vordering inroepen wanneer géén beslissing hiertoe van de algemene vergadering van de vennootschap is tussengekomen. De vereiste van een beslissing van de algemene vergadering is een wettelijke beperking die de vennootschapswet stelt aan de aansprakelijkheidsvordering lastens een zaakvoerder (Cass., 25 september 2003, T.R.V. 2004, 35).

Het feit dat de vennootschap in rechte optreedt met een raadsman, die krachtens art. 440 Ger.W. geacht wordt rechtsgeldig de vennootschap te vertegenwoordigen en dus over een mandaat vanwege het bevoegde orgaan te beschikken, doet géén afbreuk aan de formele vereiste die art. 289 W.Venn. stelt voor de ontvankelijkheid van een actio mandati.

De ontvankelijkheid van de rechtsvordering moet volgens vaststaande cassatierechtspraak onderzocht worden op het ogenblik dat de vordering wordt ingeleid, maar bij gebreke aan een beslissing van de algemene vergadering conform art. 289 W.Venn., kan het bevoegde orgaan deze proceshandeling vooralsnog lopende de procedure bekrachtigen met retroactieve werking, waardoor de vordering ontvankelijk wordt (Gent, 6 maart 2006, T.R.V. 2008, 72).

Deze bekrachtiging moet wel gebeuren alvorens de verjaringstermijn voor de aansprakelijkheidsvordering is verstreken (zie J. VAN AROYE, "De bekrachtiging van eenzijdige vertegenwoordigingshandelingen, in het bijzonder van de actio mandati ingesteld zonder beslissing van de algemene vergadering", T.R.V. 2004, 37-50).

Enkel het wettelijk bevoegde orgaan kan tot deze proceshandeling beslissen. In casu wordt niet aangetoond dat de algemene vergadering van geïntimeerde hiertoe ooit is samengekomen en de vereiste beslissing heeft genomen. Inmiddels is de vijfjarige verjaringstermijn (art. 198 W.Venn.) reeds ruimschoots verstreken.

Bij gebrek aan een beslissing van de algemene vergadering, beschikt de vennootschap niet over de overeenkomstig art. 17 Ger.W. vereiste hoedanigheid om de actio mandati tegen een zaakvoerder in te stellen. De initiële vordering is onontvankelijk en het hoger beroep is gegrond.

OM D E Z E R E D E N E N
H E T H O F:

Rechtdoende op tegenspraak ;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond:

Doet het bestreden vonnis teniet ;

Derhalve opnieuw oordelende:

Verklaart de oorspronkelijke vordering lastens appellant onontvankelijk ;

Veroordeelt geïntimeerde tot de gedingkosten van beide aanleggen, vereffend in hoofde van appellant op:
- 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg
- 186,00 EUR rolrecht hoger beroep
- 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag eenendertig januari tweeduizend en elf.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/09/2012 - 13:00
Laatst aangepast op: zo, 06/01/2013 - 13:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.